CCLXXX

Het is de bodem buiten het bereik.
Het is het vallen vallend in het zwart.
Het was gebaar, maar smelt als sneeuw in slijk.
Het werd een woord, dat dra tot naam verhardt.
Het wordt gezegd, gezicht, het boek is hard.
Zij vinden slechts elkaar nog in’t bestaan:
de taal heeft hen met blindheid aangedaan.
Zij zochten iets dat nooit begonnen was.
Het is geheel tot niets in haar vergaan:
Het was zichzelf nog toen het nergens was.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIX

Het wil schoonheid schoonheid laten raken
wimpers laten langs lippen glijden, ’t oog
stormstil, ’t lichaam zee zijn, de ziel een baken:
beweging wil bereiken zijn betoog.
Zij is moment waarin het nu bewoog,
straal waarin het licht zichzelf betekent,
stroom die zich in de stroom vanzelf herkent,
parel in het weke van ’t verlangen,
geheim dat met een zucht haar naam bekent.
De wereld bulkt, breekt, brult haar gezangen.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXVII

Kille promenade, noorderwind. Schriel
de meeuwen krijsen aan het strand. Nijd brandt
in de magen der verdoemden, de hiel
is naaldhak, bijtend zuur, het droge zand
verglijdt in de klemmende hand, de wand
is leegte naar de andere wand, niets
is volledig, het licht is van kant. Iets
heeft het in Het als van papier verbrand.
Het wil haar lezen en het zie het Niets,
zwarte brij, zwaarte, inkt op inkt, zijn land.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXV

Als de dag sterft, in de dood van de nacht
zal het als een ster verschijnen, minnaar
van haar al. Het kleurt haar wangen rood, zacht,
het licht wordt jurk, glijdende zijde daar
waar haar oker zich onthult: huid, gebaar
van haar, een glimp van nieuws in d’eeuwigheid.
Het laat zich door haar leden leiden, scheidt
Hemel van aarde, water van hel, vuurt
de tongen aan van het bestaan: waarheid,
kilte in de klaarte, een zien dat duurt.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIV

Er is geen god die slechts voor ons bestaat
Er zijn geen wetten die ons leiden kunnen.
Er is geen vijand, geen duivel die ons haat.
Er zijn geen woorden die ons redden kunnen.
Er is leed dat wij met wrok verdunnen.
Er is nijd die nijpt in onze billen.
Er is weelde die wij blind verspillen.
Er is schoonheid, diep in de lelijkheid.
Er is een zucht die spraak doet verstillen.
Er gaat aan ons voorbij, het heeft geen tijd.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIII

De steen der wijzen is een dode klomp.
Het hart van goud dat sterft, wordt weer orgaan
dat in het lichaam klokt, slokt, blind en lomp.
De hemel is een dunne laag bestaan
in ’t leeg heelal dat ons is aangedaan.
Het groene geld maakt triest, is nijpend zuur
dat tijd uit ons wil knijpen en elk uur
verschrijft tot datastromen door metaal.
En zo de mens verkoopt zijn stem voor duur
want de lyriek biedt hem geen waardenschaal.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXX

December. De bomen naakt en bevrijd.
De huizen glimmen en de spin gaat dood.
De kale maan houdt niet van narigheid,
zij wil haar aarde echt en recht en bloot.
De zon loenst schuin, zijn gluren is lood.
De mens is klein en krom, kop in kas, koud
zijn zijn gedachten, lelijk, dom en oud.
Niemand heeft haar licht gezien, ooit liep zij
hierin verloren, haar adem bevroor tot goud.
Spijt verglijdt naar nijd. Het glijdt zichzelf voorbij.

invoertekst (2014)