LAIS CCLXXXVI

LAIS is stil en louter visueel:
Het hoort haar met de snelheid van het licht.
Het ziet haar in de klank van het geheel.
De vingers typen haar, zij is gedicht.
Van tijd bevrijd maakt zij Het speels en licht.
Wanneer ’t haar voelt, raken d’ ogen kleuren,
en ’t schrijft haar neer in bloesemgeuren.
Het is haar lijf, zintuiglijk één met haar.
Zij is de muze: spil van ’t gebeuren,
het vers is gift, van liefde het gebaar.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXXV

Het is ontkenning van de geschriften.
Het zwart als wet krast dóór het perkament.
Het wit was vlies, kleed om op te liften.
Het schrijft zichzelf, maar niets is permanent.
Het lijf had lust, dat is zijn testament.
Lyriek is nooit wat er geschreven staat.
LAIS is vrij, nu en waar Het hier vergaat.
Maar ’t wil niet haar, Het wil leven, de jacht
op het schone, hoe zij daarin ontstaat.
Het is doodstil. Lyriek leeft als zij lacht.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXXIV

Het schenkt haar zijn verlangen, een heelal,
de  sluier der stelsels vliedend van nu:
zijn woord, ontstaan, het was er altijd al.
De tijd is teken slechts, een residu
want eeuwigheid is nu, niet continu.
Omarm dus de waarheid warm als gebeuren
want liefde is dans, zweet, zang en geuren.
Het geeft haar zijn wereld, tederheid briest
die haar toekomt, met trillen van kleuren,
orkaan van lust omdat het haar verkiest.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXXIII

voor z.h.

De volte der eenvoud keert zich in haar,
het licht verschuift, het stralen daagt haar uit.
Verblind, heur tranen parelen gevaar
en schaduw glijdt als dreigen van haar huid.
Het git wordt wit, de kleuren breken uit.
Het woord wordt weelde op haar lippen, zucht.
De hand is woelen, witte wolkenlucht.
Heur lichaam wentelt zich van zij op zij.
Haar zang komt los, haar schoonheid is berucht.
Het spreekt zich uit in haar en zij is vrij.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXXI

Kamer, leeg salon. De zetels staan er,
aan de haak: zijn harnas, haar nachtjapon.
De woorden die zij waren vergaan er.
Non Si Non La: gebrek is levensbron.
De schilderijen waren liaison,
hechter dan zij waren, dood voor elkaar.
Het ziet zichzelf, herhaalt een oud gebaar.
Het vuur brandt nog, dat wou Het liever zo:
je mag de hoop niet doven, hier of daar
kan het wel, blijft de droom een risico.

invoertekst (2015)

CCLXXX

Het is de bodem buiten het bereik.
Het is het vallen vallend in het zwart.
Het was gebaar, maar smelt als sneeuw in slijk.
Het werd een woord, dat dra tot naam verhardt.
Het wordt gezegd, gezicht, het boek is hard.
Zij vinden slechts elkaar nog in’t bestaan:
de taal heeft hen met blindheid aangedaan.
Zij zochten iets dat nooit begonnen was.
Het is geheel tot niets in haar vergaan:
Het was zichzelf nog toen het nergens was.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIX

Het wil schoonheid schoonheid laten raken
wimpers laten langs lippen glijden, ’t oog
stormstil, ’t lichaam zee zijn, de ziel een baken:
beweging wil bereiken zijn betoog.
Zij is moment waarin het nu bewoog,
straal waarin het licht zichzelf betekent,
stroom die zich in de stroom vanzelf herkent,
parel in het weke van ’t verlangen,
geheim dat met een zucht haar naam bekent.
De wereld bulkt, breekt, brult haar gezangen.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXVII

Kille promenade, noorderwind. Schriel
de meeuwen krijsen aan het strand. Nijd brandt
in de magen der verdoemden, de hiel
is naaldhak, bijtend zuur, het droge zand
verglijdt in de klemmende hand, de wand
is leegte naar de andere wand, niets
is volledig, het licht is van kant. Iets
heeft het in Het als van papier verbrand.
Het wil haar lezen en het zie het Niets,
zwarte brij, zwaarte, inkt op inkt, zijn land.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXV

Als de dag sterft, in de dood van de nacht
zal het als een ster verschijnen, minnaar
van haar al. Het kleurt haar wangen rood, zacht,
het licht wordt jurk, glijdende zijde daar
waar haar oker zich onthult: huid, gebaar
van haar, een glimp van nieuws in d’eeuwigheid.
Het laat zich door haar leden leiden, scheidt
Hemel van aarde, water van hel, vuurt
de tongen aan van het bestaan: waarheid,
kilte in de klaarte, een zien dat duurt.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIV

Er is geen god die slechts voor ons bestaat
Er zijn geen wetten die ons leiden kunnen.
Er is geen vijand, geen duivel die ons haat.
Er zijn geen woorden die ons redden kunnen.
Er is leed dat wij met wrok verdunnen.
Er is nijd die nijpt in onze billen.
Er is weelde die wij blind verspillen.
Er is schoonheid, diep in de lelijkheid.
Er is een zucht die spraak doet verstillen.
Er gaat aan ons voorbij, het heeft geen tijd.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXXIII

De steen der wijzen is een dode klomp.
Het hart van goud dat sterft, wordt weer orgaan
dat in het lichaam klokt, slokt, blind en lomp.
De hemel is een dunne laag bestaan
in ’t leeg heelal dat ons is aangedaan.
Het groene geld maakt triest, is nijpend zuur
dat tijd uit ons wil knijpen en elk uur
verschrijft tot datastromen door metaal.
En zo de mens verkoopt zijn stem voor duur
want de lyriek biedt hem geen waardenschaal.

invoertekst (2015)

LAIS CCLXX

December. De bomen naakt en bevrijd.
De huizen glimmen en de spin gaat dood.
De kale maan houdt niet van narigheid,
zij wil haar aarde echt en recht en bloot.
De zon loenst schuin, zijn gluren is lood.
De mens is klein en krom, kop in kas, koud
zijn zijn gedachten, lelijk, dom en oud.
Niemand heeft haar licht gezien, ooit liep zij
hierin verloren, haar adem bevroor tot goud.
Spijt verglijdt naar nijd. Het glijdt zichzelf voorbij.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXIX

November. Verlangen werd gehunker.
Zwart zijn de wieken van het gedane.
De schriele gestalte in zijn bunker,
vermaakt zich met wentelen in wanen.
Het is verdriet, maar dan zonder tranen,
bedrog inherent aan de belofte,
lege doos voor het tweemaal verkochte.
Liefde verstrikt in het haten van toen,
lust herinnert aan ’t helse bezochte.
Hoe hard is het echte, hoe zacht een zoen?

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVIII

“O, der Wansinn der großen Stadt, da am Abend / An schwarzer Mauer verkrüppelte Bäume starren”
Georg Trakl – An die Verstumten

Grotesk doorschoten grauwe berg bederf!
In plas en blik vergeefs een spiegel zoekt
zich het mismaakte, schuift van erf naar erf.
In lekke kelen Waanzin gorgelt, vloekt
dat ’t Grote Feest te vroeg is opgedoekt.
Hoeren dealers druipen door de straten,
’t godswijf heeft ons hier al lang verlaten:
haar dronken geraamte sjokt naar zijn put.
Er is geen ziel meer om nog te haten,
In gaten het Niets verhardt zonder nut.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVII

“Schlaf und Tod, die düstern Adler / Umrauschen nachtlang dieses Haupt”
Georg Trakl, Klage

Slaap en dood, uw zwarte zeilen ruisen
en vermalen worden ’s nachts in het hoofd
woorden tot korrels, letters tot gruis en
buiten stormt het Niets, stom als beloofd:
koud en stil wordt het leven weggeroofd.
  Lijven rijten open op de tanden
van de tijd en niets heeft iets omhanden
nog: stem alleen die naakt en snikkend zinkt.
Diepte gaapt waarin wij dan belanden.
  Het vlakke zwijgen van de nacht weerklinkt.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVI

” Wenn es Abend wird,
Verläst dich leise ein blaues Antlitz.”
Trakl, Verklärung

Blauw, violet met purperen vruchten
vouwt de avond zich langzaam de handen
en vogelzang waart weids door de luchten.
Streng de nacht bekruipt de trage wanden
en zon bloedt uit in wazige randen.
De peulen der graven barsten open
in het wit van de maan, lijken lopen
doodsdronken het dorp uit, de velden in.
Etter komt uit de lijven gelopen:
de wereld is wonde, waan is haar zin.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXV

Van het gebeuren meende Het dat het
geschapen was, en van die Schepping dacht
het zelf het doel en de betrachting, ja, hét
van je te zijn, tot plots, o stille dag,
gekroonde dag, toen het weer het echte zag.
Het echte heeft geen naam en ook geen doel
het echte is niet iets, het is gevoel
dat je in rust en mee ervaren kan,
met het gebeuren mee van jouw gevoel
en met de rust in het ervaren dan.

LAIS CCLXIII

Wanneer Het zich afwendt van ’t bestaande
vindt er wereld plaats en tijd. Er ontstaat
gelegenheid, ruimte voor wat gaande
is. De gedachte is dan wrede daad
want verstokte woorden koesteren haat
voor wat hen van het onbestaande scheidt,
omdat hun zin niet naar het echte leidt.
Pas wanneer LAIS hen klank en waarde
geeft, laten zij voldaan met eigen nijd
Het vrij met haar, zijn lied op aarde.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXII

Het wrede ik ontdeed zich van zichzelf.
’t Is niet meer ik maar Het, categorie,
decimaal bestaan, een tien zonder elf,
abstractie van de spiegel, weg van wie
wie ziet, zag, gespiegelde reflectie,
beeld in een regel die het beeld ontkent,
spectraal gezichtsbedrog, log, ’t zijn ontwend.
  Nu haar ogen Het tot man herlezen:
de marteling wordt lust, de vorm weer vent.
Zo vast is Het vrij, zo ziek genezen.

invoertekst (2014)

LAIS CCLX

O kwade wijven vol van nijd en spijt,
hoe wrang uw tongen rollen in hun hol!
Hoezeer het schrokken van uw haat u leidt
dat u zich in uw gal verslikt en bol
uw rode hoofd laat draaien als een tol,
dat zweren van verwijt te barsten staan
in uw bevroren schoot, tekort gedaan
door Het wier pen u nu ter dood benijdt,
omdat Het u in ‘t leven koud liet staan
en tot verrukking nu een ander leidt.

invoertekst (2014)

LAIS CCLIX

Het wordt het liefst van al door haar versierd,
niemand anders kan het meer bekoren.
Het wordt dan ruimte voor haar sterrensliert
’t heelal heeft het zich aan haar verloren:
Het is haar vod, dit lied, haar toebehoren.
Ze doet maar alsof ze het niet kent:
kijk het maar aan als was het vreemd, een vent
wiens lijf ze wil, wiens jeremiade
zij dan luid wil horen, hieralomtrent.
Berg het in haar land van lust en schade.

invoertekst (2014)

LAIS CCLVIII

Donker en rood en traag gaat alles dood,
volmondig stil dit begrepen heelal.
Vergeven van leven, rot, nijd en nood
de wereld verwatert, ’t zit in de val
dronken torende in ’t vunzige dal.
Zwart en zacht is de nacht, zonder kabaal:
er hoeft dan niet per woord gedacht. Is taal
de vriend niet die verraadt, zijn god vertaalt
tot rot dat in zichzelf begon? Hoe kaal
de code nu die Het tot niets vermaalt.

invoertekst (2014)

LAIS CCLVII

Iets krast het uit. Het is erg aangedaan.
Het knipt de draden door, er komt niets vrij.
Verbanden zonder reden van bestaan?
Zij leeft het uit en het kan daar niet bij.
Het is er niet, Er slaapt dood aan zijn zij.
Was het een gril? Er was niet eens april.
Het legt zich bij de boeken neer, ze zei
het zo dat ze hem en dus het niet wil.
De zee is weg, elk woord is leeg getij.

invoertekst (2014)

LAIS CCLVI

De wereld is de zijne niet, het heeft
zijn angst in deze verzen omgezet
en ’t maakt zich vrij van ’t web waarin het leeft,
dat Het tot prooi verdaagt. Eet op die wet,
Het biedt daartegen nauwelijks verzet.
’t Zal knagen in het lijf, oud spijt dat blijft
nadat zijn leed erin werd ingelijfd.
Kabaal? De taal is van het misbaar krom,
Het is het niet dat lelijk overdrijft.
Het draait zich liever met de liefde om.

invoertekst (2014)

LAIS CCLV

voor m.g.

Haar ogen zee, die in zijn ogen strandt,
haar lippen wijn, die om zijn lippen spoelt,
haar oren krullen, krullend in zijn hand,
heur haren goud, waar het licht in joelt
en haar stralen is voor Het bedoeld.
Zij is zijn maan, Het laat haar schijnend staan
wanneer zijn licht van haar is heengegaan:
’t gunt ons ’t zicht, ’t laat ons lezen van haar huid:
Het is zo diep tot in haar zwart gegaan,
haar zuchten is van sterren nu ’t geluid.

invoertekst (2014)

LAIS CCLIV

voor m.g.

Het is een eind gegaan doorheen het veld.
Het zag welhaast de weidse overkant,
maar iets weerhield zijn neigen naar geweld,
en borg de wens dat alles werd tot zand,
dat niemand nog verheffen kon zijn hand:
’t is liefde die ’t zodanig had verstrengd
tot louter vorm, een lidwoord voor de vent.
   Het zou haar dag omarmen als een zon,
wanneer zij nog dit duister is gewend,
het wou haar geven dat haar licht begon.

invoertekst (2014)

LAIS CCLIII

voor m.g.

Het hangt met honderd draden aan haar vast,
haar lach, haar lijf, het stralen van heur haar.
De volle maan spant aan daarvan de last
der tegenstrijdigheid, hoe Het niet daar
kan zijn, hoe Het er is in elk gebaar.
Het vult zich sprekend vol zinledigheid
elk woord verhoogt er zijn gebrekkigheid,
’t falen dat Het haar heeft aangedaan.
Alleen zijn leegte wordt volledigheid:
Het kan alleen als Het voor haar bestaan.

invoertekst (2014)

LAIS CCLII

voor m.g.

Doorheen de ogen der omwonenden
met dol de dreun erin der maatschappij
LAIS werd wet, zichzelf verschonende
in al het denken bijgezet en blij
en dwars door nijd en los van spijt, is zij
gans vrij gegeven, zo straal en blakend
rein haar naam wordt straks des werelds baken
en in dit rijmgraf ligt wat levend was:
’t rimpelen van schoonheid in het laken,
de tekst die toen haar lijf, zijn haven was.

invoertekst (2014)

LAIS CCLI

voor m.g.

Zo woest Het van verlangen werd dat zij
zichzelf niet zijnde ver daarvan en dat
zij zo zijn en dat het haar en Het zei
dat zo dat Het (zij) niet slapen kon wat
zij Het verwijt niet dit is of was dat:
zo radeloos wou het al overgaan
in haar en niet meer hoeven te bestaan
en ledig wou het wonen in haar huid
en stram wou Het en strak in haar bestaan,
en louter klank, en daarin uitgeluid.

invoertekst (2014)

LAIS CCL

voor m.g.

In de storm waarvan Het oog is, stille
kern van het gebeuren, een vlakke hand
op het hout van de tafel, een kille
diepte in de blik, het rottende land
dat raast om wat er in zichzelf verzandt,
in de hel die het aanricht in haar lijf,
in het gemis waarin het staande blijft
in de daad die aan elk woord ontgaat, staat
strak en klaar haar naam paraat, en Het wrijft
haar letters open tot hun vlinderstaat.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLVIII

voor m.g.

Engel. Zij raakt Het aan waar het niet is,
zij maakt het echte er in klaar en waar.
Haar wereld wemelt daar waar Het niets is,
en ’t is al gans verloren zonder haar:
haar zijn is Het een schitterend gevaar.
Het was het duister zo intens gewend
Het kon er preken als verlichte vent
in vuur en vlam voor liefde die nooit kwam.
Nu geeft zij Het haar hemel als present:
Het staat perplex, zij straalt, Het is haar lam.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLVII

Is niet de ellende wonderbaarlijk?
Erotiek behaagt ons met haar raadsel
en ’t mysterie maakt ons onbedaarlijk.
Waarheid is een veelvoud, elke zaadcel
is van liefde het vernieuwde maaksel.
Ach engel, die ter aard gevallen is
de duivel streelt jou waar ’t gebroken is
d’ hatelijke hemel met haar lanen
is schoonheid waaruit lust verbannen is:
maak parels hel en vuur van hete tranen.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLVI

Hoe ellendig niet is dit mirakel?
Welke slaapdoos prikt zich aan een dode roos?
Bier na wijn na bier is geen parabel.
De duivel opende Pandora’s doos
en zocht de laagste engel die hij koos:
gebroken vleugels, pijn van het landen.
Oh wonder der stemloze verbanden
duivel en engel in deez’ aardse hel,
wie wil er zo in het vuur nog branden,
genot beknot tot miserabel spel?

invoertekst (2014)

LAIS CCXLV

voor m.g.

Vormen worden vormen in de vormen
die elkaar betasten en omarmen
tot zij wormen worden voor de normen
waarmee het woord wil de vorm verarmen
tot een lichaam zonder hart of darmen.
  Het strekt zich uit in het woud van heur haar
Het strijkt het zingen aan van haar gebaar
Het draagt haar gloeiende hoog op handen
zijn vorm wordt oog, zijn woorden zien elkaar
Het maakt wonderlijk in haar verbanden.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLIV

voor m.g.

Traag is hieromtrent de dag begonnen
met tasten naar waar er nog lijven zijn
nu Het in haar, zij in Het begon en
zij zweven in elkaars aanwezig zijn.
Nog loom de spieren zijn verkrampt in pijn
omdat zij nog aan strelen zijn gehecht.
De zijde van het laken is onecht:
het zachte heeft zijn naam op haar gelegd.
Een lus rond kussen is zijn mond, niets zegt
Het hier, alles komt vanzelf bij haar terecht.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLII

Het wou dat het in haar verdwijnen kon,
in de gedachte dat zij weg was, is
en dat er iets speciaal voor hen begon,
de toekomst weg zou wezen van LAIS,
dat al het zingen hen betrof, maar ’t is
nu zelf het lied van die gedachte, stil,
roestend in de de brij van vergane wil.
Het wou dat het in haar verdwenen was.
Ooit was Het er, en dan die nare gil.
Er is herinnering, dat geeft geen pas.

invoertekst (2014)

LAIS CCXLI

In de mist, ’t kleffe niets waarin het staat,
ontwervelt Het de rug der gedachten –
het Het fileert zichzelf van eigen graat –
en de zon brandt door tot hoe zij lachten:
bot is alles wat het kon verwachten.
Zijn land is in een waan ontstaan, vergaan,
Het hecht niet meer zo fel aan dit bestaan.
Het had haar vast in ’t licht van ’t moment
Het laat haar straks in haar, in jou ontstaan:
’t gekende schone is altijd present.

invoertekst (2014)

LAIS CCXL

Dit licht dat is, dat elders niet gebeurt
dat hier tot hier maakt, niet-hier er voorbij,
verzegelt hen met zwijgen om de beurt:
twee herten in elkander, niet onvrij
hoe zij zich raken, niet, met hun gewei.
Zo fel wordt nog het licht, dat het dag wordt,
en zij daar liggen met hun lust omgord,
dat lijven in elkaar verlopen traag
en niets zichzelf nog vindt en alles stort
vanzelf tot rot en slijm ineen gestaag.

(invoertekst (2014)

LAIS CCXXXIX

Als de maan zich schikt in het verlangen
en komt der meiden lust tot diepe rust,
als de wind weer vol is van gezangen
en golvenzee haar stranden streelt en kust;
als laaiend vuur door liefde is geblust,
en alle nijd door ’t land is heengegaan
en ’t lijden uit is, om en afgedaan
als woord en daad hetzelfde zwijgen is,
en letters in hun klanken zijn vergaan:
nóg schrijft Het neer hoe waar en schoon zij is.

invoertekst (2014)

LAIS CCXXXVII

’t Mist haar lijf, haar adem in de zijne
en ook de eenvoud der verstrengeling,
’t samenzijn waarin het kon verdwijnen.
Het is in zeeën tijd een drenkeling,
in het vergane schip verstekeling.
Het mist haar lach die het zijn vrede bracht,
Het mist haar huid, heur haar, haar hele pracht.
Het ziet de wereld om zich heen vergaan
en niets doet Het, want niets is in zijn macht.
Alleen haar schoonheid blijft in Het bestaan.

invoertekst (2014)