LAIS LVI


voor s.z.

Het is twee heesters in een haag geplant
en het laat de scheuten rondom groeien,
verstrengelt zich in twijgen tot verband.
  Het was het en het moet het doorgroeien
en als twee ineen gaat het dan bloeien.
De zon wil uit de hoogte branden,
vogels zingen van hun verre landen,
het geeft nu schaduw aan een minnend paar.
Zij zien het niet, voelen wel verbanden
tussen zon en tak en liefde voor elkaar.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS 56
Advertenties

LAIS LV


Het is november en het weer is goed.
Er heeft nog nooit zo’n late zon gestaan,
de markten zakken en de euro bloedt,
dit is een hoogtepunt in ons bestaan:
het kan alleen maar naar beneden gaan.
Ik weet niet goed wat ik nog zeggen kan,
vader. Het was zo simpel daar en dan:
van al het slechte gaf ik jou de schuld
en als het goed ging dan was ik de man.
En nu dit hier. Ik haat mijn ongeduld.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS 55

LAIS LIV


Het is gevangen als een vallend blad.
Er is geen weg terug, de tijd loopt af.
Het pad is eenvoud, er is enkel dat.
De schoonheid werd schuld, en dit is de straf.
Er was verhevenheid, het glijdt er af.
Het telt de dagen en de zon staat laag,
het voelt de koude komen vlaag na vlaag,
het hoort gehuil al, roepen zonder zin.
Onze vrede was een uiterst dunne laag:
de angst is hier, met ziet het zelf daar in.

invoer (2011)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LIV

LAIS LII


Het is te vroeg, er heerst vertwijfeling:
de tijd zoekt zelf een rake metafoor
een afscheidswoord bij de vernietiging.
De straten staan te dik, het is te goor,
apocalyps is geen muziek voor koor.
Geld bezet de plaats die god verliet, hel
volgens de media, verkochte hemel
volgens de maffia. Maar het gaat door.
Een plein is geen vallei, men voelt te fel
de redding nog, de wanhoop klink niet door.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS LII

LAIS LI


Er staat een grote kale man hier naast,
zijn ogen glimmen van genot. Zijn neus
glanst zacht van rust, hij is ook niet gehaast.
Hij heeft geen mond, dat oogt wel omineus.
Van waar is hij en waarom hier, die reus?
  De nacht is leeg en zwart en eindeloos,
de stad is weg, alles zo bestemmingsloos.
  Plots wijst de man naar ginds, hij ziet daar licht,
de einder was een zoom, een dichte doos,
maar die wordt nu heel langzaam opgelicht.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS LI

LAIS L


Het is er nacht. De treinen strompelen
naar hun eindbestemming en in het raam
staat in brokken zwart te verschrompelen:
dit land, de leegte van dit land, de naam
(uit de lijsten die met het minste faam).
  Er is geen doel meer te gaan waar het gaat:
het jaagt op tekens van verleden daad
die nog een toekomst aan het heden haakt.
Het lijf is vet, genaaid met garendraad,
het is een vorm die niet meer verder raakt.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS L

LAIS XLIX


Soms gaat het als een wildeman tekeer:
wellustig asceet, vroom legionair,
hevig maar bleek, een strak pak, weinig meer
dan een zenuwtrek beweegt. Erg precair
is ’t fatsoen want het losse is vulgair.
Huid is grens van een bezeten object,
leven is een dunne lijn, dwingend traject,
en dood is het doel, het tekent het uit,
het plot met de muze, rot en abject:
wat het ook doet, het maakt niemendal uit.

inputtekst (2011)

dv 2019 – A.L. van LAIS XLIX