het moment (18)

in de hoorn reikt de klank tot diep in het verlorene. een lichaam ligt roerloos op een drijvend veer. de hand in het water omspoelt de stille zee zoals de zee de hand, elkaars gelijke. slak in het slaken, grot in de holte: dit is het zieltogen van vingers die niets raken.

de nacht plooit het duister in het zwart van de nacht en het lijf wil het lijf van de koelte. het droomt streling van golven, witte schuim bij het naderen van stranden. onafwendbaar de boeg klieft de weg die al koers was, uitgesproken zin van het zinloze varen.

schepen benaderen schepen met het ruisen van wakkere zeilen. vervolgens is er het schuren van hout op rompen. de nostalgie van dode bomen naar land welt op uit een scheur. de blinde scheepsjongen huilt. genese.

het likt zilte tranen in de plooien van haar huid. handen glijden langs het kronkelen van aders: ‘het lichaam is een plein’, zegt het, ‘plooi het open’. het komt in haar tot eenvoud, het wordt een wil tot besluit.

invoertekst (2015)

het moment (17)

raakt het? machtig het zand verdwaalt in het zand. de stof baant zich een uitweg naar het onstoffelijke zoals je ook woorden wel eens ziet woorden dragen naar hun einde. alsof het lijk van god erbarmen wekt.

de droogte is reeds omtrent, het eerste krimpen is een krimpen van de longinhoud. de mensen dragen de jammerklanken als tulpenbollen in de borst maar met harde repressie kan de stilte onder de schuldigen nog bewaard worden.

dit glijden is van alle tijden, zelfs de sneeuw die de nieuwslezers verblindt. vergeefse zonnebrand is het. de kinderen zingen ‘een pluchen mandje voor het poesje uit peru’ en ‘de kooi van dode kraai voor papegaai’.

het poogt verwoed haar lippen los te laten, kust het niets dat hen belichaamt in een lus om weg van haar alsnog haar lome leegte aan te raken. het raakt

invoertekst (2015)

het moment (16)

het wachten is altijd van uiterst korte duur. het al is al zo vaak gebeurd, de tijd is een spiraal in elf dimensies, een web van draden in de stilstand van het onvermijdelijke.

pijn herhaalt in elk moment de pijn. het genot herkent zichzelf in elke zucht. de woorden spinnen als dwaze tollen rond het falen om hun leegte met enige zin te bekleden.

wacht je al uren op verlossing? dagen? jaren? in het striemen van de regen
licht het juiste nummer van de bus plots op. of niet.  het wachten heft hoe dan ook het wachten op.

alles is altijd van uiterst korte duur. het hoort de klik in het slot. zij staat er al, aan het voeteneind, de dood van het verlangen naar genot.

invoertekst (2015)

het moment (15)

in de smalle tuchtkamer van het genot waar alles vlamt en rondom laait,
wordt langzaam zichtbaar de zwarte pit, zaad en voeding, motor van verval. de dagen tellen ons, de tijd loopt vol met onverschil.

wolken overdrijven ons. het land wordt zand. wij overwoekeren het naken van de ondergang. het heeft het en niets in handen dat het niets omgeeft als karteling, een zweven in het zweven dat het doet in haar.

nutteloos, armtierig als de letters die zijn woorden vormen willen tot geroemde woorden die haar lijf omarmen, maar het komt niet verder dan een manke zin.

in de kamer is de duisternis van hen afkerig, in het zwart likt het de lippen van haar zwijgen. rode, het al breekt in haar open. niets is wat er staat.

invoertekst (2015)

het moment (14)

doorheen de perverture* van het zijnde valt de eenvoud van de eeuwigheid. het ene sijpelt door alsof het niets was, in zichzelf gegrond. hulpeloos, met kromme benen de lieden lopen alom verloren.

waarheen trekken wij vandaag ten strijde? de voddenman doet alle vodden in een mand. de lijken mogen slapen in het lege ledikant. er kwettert wat gevogelte, diep in het bos en een boom laat van schrik alle blaadjes van zijn takken los.

de straat heeft zich rood van liefde een weg gebaand, de muis piept angstig in de kattekop. het onheil dat ons treffen zal, is van ongekende omvang maar een einde is ons niet dan in de guurte van de eenzaamheid gegund.

langs deze lijnen uitgezet raast het woeste woeden van het lijf in haar heftiger dan storm. het brandt de zon in haar als amulet, de tijd is nu op nu of nooit verzet.

invoertekst (2015)

*perverture: in de Neo-Kathedraalse Evidenties (geschriften die na 2054 zullen verschijnen) wordt gewag gemaakt van drie fazen in de kosmische cyclus, de eeuwige spiraal: ouverture, perverture en cloture. de perverture valt samen met het ons bekende stadium van het Kosmische Rot: de inwikkeling, verdraaiing van het Gebeuren in de alles vernietigende complexiteit

het moment (12)

de dag is een blauwe knikker op een zwarte tong. vurig de verhalen schieten kuit in de vijver der verhalen. werktuiglijk de zon stookt zijn fikgrage soefi’s op, hun flitsen doen spiegelscherven vlammen in de zee.

het raakt de einder aan alsof er iets bestond. het streelt er wuivebomen, krijgt wuivetakken in de mond. ernstige bergen berusten in hun glooien, neerwaarts naar het dal waar het zich heeft neergevlijd.

er zit een zwarte panter in, harig en vervaarlijk. het klauwen evenwel is rag, het krast kristal. het scheurt de wereld open tot een nu dat niet wil zijn, maar vonkt, dat bijval regent van de eeuwigheid in blijde schittering.

traag de woorden gaan de trap af naar hun zinloosheid, hun zin een langzaam naakt, hun letters mul als zand. het weet: het wordt een glinster op haar strand.

invoertekst (2015)

het moment (11)

het denkt en de gedachten spiegelen de broze dingen in de val naar hun vernietiging. flessen niets op zoek naar ’t hele ding daarvan. het lijf is hunkering. er zijn geen ramen daar, geen deur naar een besluit.

alles zinkt in d’ inkt van de beslommering, de schadeloze schijngestalte van het ware woord dat opgewonden dromen tot goedkope brol verwoordt. winst is zijde zachtjes glijdend op haar huid. ’t genot is van gebrek verdubbeling.

uit het rot van alle dingen wordt het heden als een vuurbal opgelicht. kijk, de wereld wil zichzelf verklaren in de mal van haar weerspiegeling. mensen worden opgeslagen in een waardeloos bestand.

het vrijt en de gebaren zijn verslingering rond haar. de vlammen in haar ogen verlichten het totaal. het wordt gezegde diep in haar, ontplooid zijn zwijgen op de toendra van haar orgelpunt.

invoertekst (2015)