het moment (8)

uit de ondraaglijkheid van het bestaan komt voort de ijzige wind die op de ogen slaat. uit de ogen komt het lelijke gekropen, de schilfers pijn van de ondraaglijke wind. de schilfers breken en dwarrelen neer, en vormen een laagje stof op de glanzende huid van het schone.

de blik is naar het licht gericht en blij  maar vindt de duisternis van waaruit het niets ons overvalt. de wind is wild en wil meervoudig hozen met de namen van orkanen. het oog dwaalt, de zin verspreekt zich veel te haastig bij het breken van het eerste woord.

het lichaam wordt opstandig lijf dat zich van lijf ontdoen wil. de armen gooien radeloos de armen, handen, vingers van zich af. in de tweede adem van de adem breekt de lucht gedwee en woordenloos. het zucht.

het hoort gestommel op de treden van zijn trap. een jas die ploft, een bloesje dwarrelt neer en aarzelt, maar daar reeds zoeken haar lippen naar de lippen die haar waarheid zijn.

invoertekst (2015)

NKdeE – ‘beduidend – voor Unica Zürn’ – potlood, wasco – A5

het moment (7)

het heeft god gezien: een marter in een kippenhok. hij hapte er naar vrede, en zoog op doorgebeten kippennek. hij was er een en al en ongetwijfeld. en het zag gods lijfje bibberen, klets en kaal en gans van ondoorgrondelijkheid ontdaan. en het dacht: we hebben dat nog niet zo slecht gedaan.

haar lichaam leest het als een kathedraal, een duivels plan met verraderlijke bochten naar het hogere. het leesvingertje volgt kronkels van liefde rond haar borsten en wordt begeesterd wanneer het de crypte van eenvoud ontdekt die het prompt open likt. er was eens een snee.

alles in de wereld wil de wereld leven geven, alleen de mens kan slechts het krijgen zien.

god is dood en groot in ons, een stukgelezen boek dat niet meer open gaat. zijn tetragram is een veelkleurige darmsjanker met de zwarte aleph in stuitligging. maar nu speelt het zwarte steen en het wil ommegang.

draai jouw lieve lijfje rond”, zingt het, “en rondom mij. bewijs mij, hef op de prangende spalt van mijn verlangen en ik zal rivier zijn, bruisend vol met zoete verse zalm voor jouw ommondende zee”.

invoertekst (2015)

het moment (6)

de wereld is de wereld is de wereld is gerooide oerwouden van de vrije wil en oceanen van vrijheid vol plastiek. er loert een gordelmonster met haar pinnen nijdig in de aarden mond. de toekomst, het inzicht: op elke planeetplek zal ooit wel ’s een martelaar hebben gestaan, elk woord wordt op een dag profetisch.

het vlees in de scharen kan nooit gaar genoeg gekookt’ en ‘schuld maakt taai‘, oppert het oordeel dewijl het kauwt op een lijf tot het letterharnas splijt. zin druipt, hoeken kraken en verdwijnen. niemand herinnert zich in deze zwarte tijden nog de eigen naam. de waarheid douchet in kinderbloed en droogt zich af met een leugen.

de mensen doen elkaar de zonde aan, en dan weer uit. economen berekenen de aangroei van de virtuele onschuld. handjes beven, enkel de angst pruttelt nog in de bevroren circuits. zon: brand en versteen ons.

het rukt het laken van haar af. “kijk:”, zegt het, gek en geil als een Caligula, “schoonheid die zichzelf aanschouwt”. maar in dit ogenblik het rilt en schrikt van hoe diep het zich in haar verslikt.

invoertekst (2015)

het moment (4)

hoe meer het typt, hoe verder weg de woorden zich verwijderen. hoe verder weg, hoe meer zij het binden. er sluipt tragiek in wat het zegt, niet zegt. het drama van zijn zwijgen wint veld.

de dagen dromen zich van dagen vet en vol, de weken zoenen bleke maanden, magere jaren neuken de maanden verwoed. en iedereen zegt iets, de perfecte omschrijving van het niets. het blijft moeite doen, knijpt de seconden uit als puisten. soms is er wat etter zichtbaar als besluit.

het wroet, het neukt, het lacht, het komt nooit ergens. het ziet zijn muze stralen in een paradijs van ijs. “maak mij vrij “, schrijft het, “onthecht mij van de tijd”. zo erg dat het weer klinkt. wat scheelt er toch?

er komen sterren in haar ogen, nevels lichten op in stille schittering. het daalt zo diep in haar, de taal is weg en het verdwaalt.

invoertekst (2015)

het moment (3)

er zijn dit jaar veel okkernoten, de oude boom gaat onder eigen vruchtbaarheid gebukt. hoog in het gebladerte weet het fladderend getortel geen blijf met de tot duif verruimde ziel, dat geile lijf. het houdt niet op.

blonde gladiolen worden stil wanneer zij een paar ogen ontmoeten en de weerschijn van hun schoonheid zien. de scheve klok die hier de tijd vertikt
heeft kennis van het feit dat god zich soms verslikt omdat zij niet had gezien, waartoe haar blinde liefde ons herleidt. het is telbaar.

bij de deling in vuur aarde water en lucht hoorde immers ook als rest het verschil in waarden. uitgesproken ordent het woord. zij wil soms wel, soms niet met de naam van zeus aangesproken worden. het twijfelt.

maar een vinger glijdt een ronding langs, ontdekt plots mesopotamië (bloedstromenland). haar zweet belooft er paradijs. het moet erheen.

invoertekst (2015)

[Nkdee 2020 – potlood, pastel en wasco, A5]

het moment (2)

de toekomst wordt een dagverblijf met accommodatie voor het heden. overnachten kan voorlopig niet, lust kan best zonder dromen. de vrije wil was ooit een waterlelie, want water wil altijd wellen in de bloei die het wou.

maar de bomen kuchen snoepen lachen en wuiven: niets zal hen ontgaan. hun wortels ontaarden in woorden en jonge takken willen in hun stammen bladeren.

taal besmet de materie : elke vogel wordt zijn melodie, een zin. de hemel gaat van wolken dromen, de aarde kreunt en wil nog eens, de zee kolkt over tot in haar oesters. het stormt. alleen de zon is. razende.

het heft haar jurkje op, ontdoet haar van kousen.
“kom”, zegt het ” leg de zwaarte neer, dit is nu, en hier: de wereld is niet meer.”

invoertekst (2015)

NKdeE 2020 – potlood en wasco, A5

het moment (1)

er was gewelf : onderaardse bogen naar het zwarte meer, de spiegel waar het in boorde, boorde en… een zucht kwam vrij. verleden wou het heden toebehoren, wervels van de toekomst groeiden door het vel van jarenlang verzwegen woorden. het ontdekte.

en vocht welde, stroomde, werd zee, een zij, een oceaan werd het. het jubelde, zij jubelen. het is zon en geeft haar golven glinster. het zakt als duizend daalders goud in haar. het licht haar op, en er is storm.

met tromorganen in de gorgelbuik toetert het voor mens en dier gezuiverde vergetelheid: “er is geen zin of reden dat wij leven hier, er is slechts dit, dit zilte bruisen hier.

invoertekst (2015)