LAIS CXCIV

voor n.l.

In het grote woordeloze Niets van haar,
in d’oceanen duister in haar ogen,
haar donker-volle blik  maakt alles waar
en het kwaad vergaat tot onvermogen:
want sprakeloos maakt haar mededogen,
de warme vloed die het van het ontdoet,
en ’t vuur vertedert tot een diepe gloed.
en in het diepste zwart gaat schel dan aan
haar ene licht dat het verblinden moet,
opdat het ziende in haar Niets kan staan.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CXCIV

LAIS CXCI

De steden die de heren beheren,
de heren die de steden verteren,
en de namen die de heren vereren
gaan als letters met elkaar verzweren:
het krast en het kraakt bij ’t vuur der heren.
Het heeft zichzelf in haar verbeurd verklaard:
het houdt hier op, het is tot Niets bedaard.
Het lijf is licht, het is voor haar gezwicht,
en ’t duister is met zonnebrand verzwaard:
zij heeft alhier haar hemel aangericht.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CXCII

LAIS CXC

voor n.l.

Zij. ’t Wou haar vatten in een klankgedicht,
haar naam verletterd tot een toverspreuk,
verhullende de spijs waarvoor het zwicht:
bazeltaal met intellectuele jeuk,
perverse onderstroom, dat maakt het leuk.
Het zie haar nu, het wonder dat ze is:
der minne eenvoud is gewoon LAIS.
Het. Zij leert het door zich heen te kijken
naar het lege waarin het wordt gestemd
tot instrument, maat om ’t niets te ijken.

invoertekst (2013)

dv2020 – asemische lezing van LAIS CXC

LAIS CLXXXIX

Het is erg donker dus het stoot wat om.
Glasbreuk bewijst de naaktheid van voeten.
Het wordt wakker en het weet niet waarom:
vergat het iets nog dat zij u moeten?
Was ’t niet genoeg?  Moeten zij nog boeten?
U heeft het laatst nog de keel gewrongen
U was hen in dromen ingedrongen
en eiste liefde op die u niet kent.
Zij beefden in angst, maar toch zij zongen:
“wij,  het schone, blijft U onbekend!” .

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CLXXXIX

LAIS CLXXXVIII

Niets kan haar in schoonheid evenaren,
zij heeft de plek bereikt waar ruimte tijd
en tijd weer ruimte wordt. Hun gebaren
in de stilte stremmen zonder spijt
om hun bewegen, vroeger bron van nijd.
Strijkt het haar lichaam aan, zijn woord is glas:
het ziet wat komt, wat is, en wat er was.
Het jaagt zich uit de verzen die het maakt
het is niet daar, geen woord is pad of pas:
zij is het voorbij, daar waar het niet raakt.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CLXXXVIII

LAIS CLXXXVII

Het legt zijn rotten nu aan banden, schat
de tijd rijp voor schoon schip en spoelt het slijk.
Het drukt het mormel van ’t humane plat
en legt het aan ’t infuus van haar gelijk:
haar zijn is immers rein, het maakt het rijk
’t schone  te ervaren dat verscholen is
onder pijn, onder ’t kwaad, de ergernis
die het de stem welhaast geen klank meer laat.
  ‘Doof ’t vuur met as van de geschiedenis’
roept het, en ’t gaat de weg op waar zij gaat.

invoertekst (2013)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXXXVII

LAIS CLXXXVI

voor n.l.

Elk ogenblik in zijn geschiedenis
is één met wat het heden overkomt.
Elk beeld dat in zijn hoofd gevangen is,
het vergetene, daar tot stof verstomd,
wordt rozentwijg, en rank rond haar gekromd.
Rechten, plicht, wetten hebben afgedaan
het leeft alleen in haar bestaan voortaan,
het heeft zelfs het zonlicht van zich afgezet
en is in ’t gloeien van haar lamp gaan staan:
zij is nu het licht, zij alleen nog wet.

invoertekst (2013)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXXXVI