mare nostrum

Gevleugelde woorden,
engelen des doods.
Gehurkte gestalten,
droge drek in de hoek
van een loods. Kalk.
Corps touristique.

Peuk. Blik. Meeuw. Krant.

Drijvende lijken,
zwart dat tot paars
is gezwollen. Kots
op de baren, slijm
in de zee. Gebaren
van hoop, volledig
gebroken, een klets
in het zieden diep
in het dal en de muil
van de deinende zee.

Kwal. Kind. Schelp. Zand.

Bloed in containers,
stank op het strand,
mond die niemand
kust. Niets verzacht
de bezwaren, niets
is omstandig, alleen
de angst is nog echt.

Tellende handen,
handen die handen
in water begrijpen.
Opspattend schuim.

Nacht. Zee. Ster. Zout.

Het armpje dat vecht.

invoertekst (2015)

Galathea 2015

Het had nog schoonheid voor de ogen
van toen het Avondland voor hen begon.
Er was geen grens aan hun verlangen,
de muze was in elk van hen en zong.

Zij stonden naast elkaar, doodblij gezind.
Zij maakten dromen daad en daden woord.
zij waren goddelijk door god bemind
en hebben in elkaar die droom vermoord.

Europa is nu dode bakermat, steriel
blauw scherm waar niemand niemand ziet.
Lampedusa is een pleister op de hiel:
lijken drijven er op ’t rot van grondgebied.

Het had geschriften in het hoofd:
heiligen, ketters en een dode filosoof.
Het zag de kathedraal nog rijzen
uit het moeras van ongeloof.

“Kom hier, o lief”, zong Het tot haar
“ik zal jouw dijen strelen, Galathea
en jouw gouden lokken lieflijk aaien.
en ’s ochtends als de dag dan komt,

staat heel dit land in lichterlaaie”.
“Ga weg” sprak zij tot haar gevaar
“jij bent van dode liefde het gebaar:
dit land geheid gaat naar de haaien.”

invoertekst (2015)

de allermooiste

voor Zaahne, die zo ontroerend schoon Jo Leemans voor mij zong
(op de opendeurdag van De Kringwinkel in Tienen)

In de stilte van de eeuwigheid
Bloeien rozen rond mijn ziel.
In de stilstand van de eeuwigheid
Ben ik vrij en immobiel.

In het licht van het verleden
Valt de schaduw op het heden.
In het licht van het verleden
Ben ik de smart, ik word beleden.

In de hoop van het toekomende
Stuikt alles in tot nu en nooit.
In de hoop van het toekomende
Zweef ik tussen niets of ooit.

In de aanvang van beweging
Is de rust al weergekeerd.
In de aanvang van beweging
Heb ik jou al lang begeerd.

Ik zag jou gaan, dat jurkje aan,
Ik werd geraakt in mijn bestaan.
Ik keek jou aan, dat kleedje uit.
Wij zijn ver van hier vandaan.

In de stilte van de eeuwigheid
Bloeien rozen rond mijn ziel
In de stilte van de eeuwigheid
Ben ik de stilstand, jij het wiel.

invoertekst (2015)

een volstrekt niet-gerelateerde kliedering in twee versies

terug naar de kerkstraat

De keuken is nu keuken.
De living is een Thai. De straat

is opgebroken, men stapt in putten
bij het gaan. De apothekeres

is jolig nog maar schriel en oud,
haar zon verft zwarte ramen goud.

Er waren doden rond in Kessel-Lo:
ze willen allemaal zijn bloed.

De reiger klapwiekt statig in het park.
Het kust zijn lief, zij doet Het goed.

invoertekst (2014)

NKdeE 20 – Asemische Lezing van ‘terug naar de kerkstraat’ – A5

ongegrond

Niet eens beweegt
haar hand: het boek
ligt jarenlang open
op dit onbeschreven
blad:

dag na dag en
uur na uur zie
je in haar blik seconden
afgemeten staan

die het moment
millennia verdagen
waarop je haar het
woord kon vragen.

Zo heeft ook de lucht, zegt
men, rond een klaproos
geen weet daarvan.

dv 2019 – AR van ‘ongegrond’
inputtekst (1994)

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

toverzang

er is geen tijd
en niets staat ons te wachten,
er is geen bed
waarop mijn naam geschreven staat,

maar dagelijks
is jouw schoonheid krijtend
op mijn zwartgeblakerd land

een toverzang,
geborgen klank van zilversnaren
handen, dansend, die mijn talen breken

en klakkeloos
van liefde spreken alsof geen wervelstorm
ons in die oogwenk ooit nog raken kon.

dv 2019 – AR van ‘toverzang’

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

hoe het ooit

een parel wordt het oog
gelijk. hout raakt hout waar
vingers waren en gevoel.

de wacht strekt. elk ogenblik
reikt verder dan Andromeda.
stilte heerst, die het stille wil.

het komt. een druppel eerst,
een tweede en het water
barst doorheen de steen.

ook de zon stroomt leeg, licht
wordt schietgebed, een schijn
waarin gewettigd ligt de stem.

het wiegen in de wind was
werveling, begin. een straal
uit as omhoog is het, deze

schicht, verstrengeling.

dv 2019 – AR van ‘hoe het ooit’
inputtekst (1994)

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

schichtig

de speeltuin bolt
de lijnen op, rolt
weg in het donker.

‘ik schommel’, kriept
het kind. de kraaien
bevlekken het gras.

het benodigde dient
afgewogen, gemalen,
spaarzaam toegediend.

koud en tastbaar is
het beter, een strakke
vorm verbergt het

schichtige karakter,
het onafwendbare.

dv 2019 – Asemische Lezing van ‘schichtig’

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

ferm

het werkte. een doel was
niet vereist: de bal rolde
en dat volstond. de vraag

was nu naar het punt
waarop het zeggen kon
dat er bestaan was, dat

het bestond. de nacht
bood gouden regen die
nooit de ochtend haalde.

besef. de val slaat toe.
de rat draait in het rad.
het ademen herademt.

geen ander trekt het gelaat
in striemen afschuw, in
lijnen letterlijke haat. ja,

het zong en brak al ferm.

dv 2019 – AR van ‘ferm’
inputtekst: ‘WOUD’, 8 gelijnde schriftbladen gedateerd 11/11/1994 tot 26/11/1994

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

ut pictura poesis

Het verschil tussen grijs
en zilver
is de opstandigheid
van zwart
in de waan van het wit.

Het verschil tussen geel
en gouden
is de onzichtbaarheid
van zwart
in een geslaagd gedicht.

inputtekst (19-20/06/1993) een kopie is enkel op aanvraag en persoonlijk af te halen gesteld dat u al aan de zeer strenge voorwaarden zou voldoen

evident

Bij oogopslag verdwijnt het, zinkt
slaafs als een afbeelding in de afgebeelde
zee waarmee het zichzelf toe plooit, uit

zet, in het niets uitstrekt. Nochtans
de nacht lang laafde het zich aan
het sijpelen van de roestige kraan,

het druipen van engelenbloed
waarvan elke drup het antwoord
geeft dat in de vraag al was vervat.

Zo vervolgt vergeefs het lichtziek oog
de kracht die daar tot stof verstijft,
dat het vloekt en krimpt en snikt

om hoe onbarmhartig weinig er
geschreven staat, terwijl het lezen
zich weer evident besluiten laat.

dv 2019 – Asemische Lezing van ‘evident’ – 27,8 x 20,4cm


uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

musette maison

Benodigd zijn: bloed
inkt, papier en daarin
een goed oog. Onder

invloed van het wit
stolt het opgeklopte
gebeuren. Kluts er

desnoods wat waarheid
door, maar het moet
wel glad en diafaan.

Onderaan dichtplakken
met het zwart van je
longen. Koel serveren

onder voorbehoud
en (noblesse oblige)
een glazen stolp.

dv 2019 – AR van ‘musette maison’

inputtekst (1993):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

lemmet

zilver draaiend blonk het rond het ijle
van je greep. het viel en zonk de weide in.

het heft was weg, verrot. wat het inhield
had geen angst, het kon zich zomaar weer
in je hand leggen. begrip is relatief. snee: is

het bloed dat nu gestold de snede
tekent, of tekent het in de grond
gestokene de zwarte lijn? vloek,

spuug en wrijf je handen, geef
grif de aarde wat haar toekomt
en jouw schaamte maar aan mij.

dv 2019 – AR van ‘lemmet’

inputtekst (1993):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

evenmin

De hand vervelt, een lijn ervan
vervalt per dag en wordt als nieuw
aan hetzelfde vlak toegewezen:

dat is het. En dit al evenmin:
dat een hond niet denkt ooit
één haar te hebben aangemaakt
van de pels die hij verliest, evenmin,

dat een oude vrouw geknield
in de kerk hoorbaar maakt
de tot schriele klacht
verschrompelde wandaad,

evenmin, en zelfs niet,
dit daargelaten: god
verdomme toch.


inputtekst (1993)

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

woordbreuk (arabisch)

Het opgespannen doek
wordt grijs en zwaar van de dauw
boven de pratende hoofden.

Haar toegewijd reikt je hand
en raakt niet haar,
maar zich in onmacht rekkende
het doek en van de verdonkerde lucht

glijdt op voorspraak der goden
in je handpalm
de druppel vocht, dat breekt

het licht en op haar bovenlip
staat even zilver
als de omkartelde wolk

jouw dag
het kussen toe.

dv 2019 – AR van ‘woordbreuk (arabisch)’ – A4

inputtekst (2017)

inputtekst (1993) :

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

dooi

van grijze wolken
valt de regen op het ijs
in de vijver hier.

van grijze wolken
valt de regen op dit ijs
onophoudelijk.

van grijze wolken
is er op het ijs dat smelt
een laagje water.

het grijze water
wordt weerspiegeld in het ijs
op de vijver hier.

wie ziet het water,
wie de wolken op het ijs
van de vijver hier?

wie ziet er wolken
onder water op het ijs
van de vijver hier?

wie ziet het water
onder het water, het ijs
het zwarte water?

onophoudelijk
valt de regen op het ijs
in de vijver hier.

inputtekst (1992):

dit is mijn verworvenheid

dit land is niet het mijne
nergens zie ik klaar
nergens kan ik heen

hier verlies ik niets van mij
niets beroert mijn hand
hier beklemt geen doodsangst mij

dit is mijn verworvenheid:

oktoberlicht dat strak de stad kadreert
en ’s morgens zilver klavecimbels
uit de ramen gooit. spiegelzang van

meisjeskoren, gouden stemmen
weven tegendraads een web
van onontkoombaar zinsbedrog.

bussen kermen schrijnend liefdespijnen,
auto’s remmen stil met mededogen,
fietsers murwen zich subtiel naar coda’s.

onverholen stamel ik mijn kindertaal,
luider bral ik van plezier nu alles botst
met hoe mijn stem uw dode wereld raakt.

nergens voel ik pijn, niets ben ik dan
dit, het onvermoeibaar spel van hier
uw licht te zijn en daar uw donkerte

en overal en nergens kathedraal.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

hier beklemt geen doodsangst mij

tussentijds waar ik nog niemand ben
bij toonloos onaanzienlijk licht dat
alle ruimte binnenskamers houdt;

tussentijds waar het moment nog zegen is,
waar tussen galm en aanslag stilte
zich tot unisono plooit, verwachtingsvol,-

geen oogopslag verdaagt de stonde
tot het later waar de stem van overslaat.
er parelt zich een traan en jij

bent enig dan, verschenen
glans van mijn bestaan.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

niets beroert mijn hand

niets verliest zijn stof bij tegenwind. niets
dat door een stoot van angst in leven schoof
en stijf van eenzaamheid verschuift op tijd.

en verder niets dat zich met licht bedriegt
en ’s nachts zichzelf in niets verliest. niets
dat nooit beter wordt en hongerig bovendien

er niets toe doet. fietsen voor het goede doel.
niets dat zieltoogt ’s zondags, niets dat nergens
komt en niemand kent of spreekt of hoort of ziet.

niets dat nu mijn hand beroert: ontroerend
hoe geen bloemblad van geen stengel valt
en wacht op mij om niet de grond te raken.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

hier verlies ik niets van mij

de winter baart het land op. de witte walm
geeft bevroren op het raam haar dode ziel
geletterd weer, met ademgrijs omkleed.

stil nu, doe het licht uit, stel het scherper:
dit is het land van balsemgeur en maneschijn.
zeven bokkenrijders schudden wekelijks

wat zwavelzure woorden over stad en land.
er vallen grote gaten in het bos en op de straten
dansen nonnen paters en cyclopen. straks

komt nog de grote droogte, eerst de rivieren,
dan de zee. stervend word ik weer de tovenaar
en mijn vloek neemt het gespartel op en mee.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

nergens kan ik heen

’s avonds valt al vroeg het licht uit. ik
praat met depanneurs die van bedrading
alles weten. geroezemoes, cafégeraas.

dronken slaat mijn vuist door een muur
van bordkarton en in het gat zoek ik
contact met moeder aarde. niets heb ik

in handen, geen dame stelt mijn grap
op prijs, geen kus verschaft mij zekerheid:
ik hang te rotten in mijn eigen naam.

op straat kom ik weer dichter bij wat telt:
de maan die mij als man verzwijgt. nergens
kan ik heen om van mijzelf verlost te zijn.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

nergens zie ik klaar

nergens is een kamer, afgesloten,
waar één bliksemschicht lang
een eeuw van waarheid is te zien
zonder tijd voor tranen of afgrijzen.

nergens is een kamer, onbezocht,
waar te zien is hoe geknakt de stengel
zijn bloem uithangt, buigend uit het glas
een hand zoekt en davert van het strelen,
op tafel stort tot grijzig stof.

nergens is een kamer, onbetreden,
waar de blik van leegte klaar is
en de stem niet langer spreken kan
van ruimte, openslaande ramen
naar een van maan beschenen straat.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

dit volk verzaakt elk streven

de verbeelding sprak tot waar niets was.
verleden heerste over toekomstpuin.
ik was een insect dat met één vleugel
cirkels trok in rotte ondergrond.

scherven staken hoekig elke ronding
aan. geen beeld versteende gratie nog,
geen gratie voor een beeld van steen.

nauwgezet de wereld werd vermalen
vuile blikken zwartsel voor de ziel.
hoger school geen heil: geen god
die hier niet alles al verlaten had.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

kinderspel

// het moedwillig verstoppen van informatie vergroot hun waarde
onafhankelijk van de correctheid ervan die overigens slechts bij benadering te bepalen valt: het foutieve gerucht van een dreigend tekort wettigt het hamsteren omdat het hamsteren al bezig is

ijzel vrieskou hagel wind die steekt
en wekt en wakkert de oogbrand

// het oudste schermtruukje voor verborgen tekst

witte ster die ’t nu bestapt die schuift
uit deze straat die verder schuift
verschuift en pijn oprakelt pijn

dateert. steeds moet alles
aangepast: links de boekentas
vol wit papier en rechts de hand
die vaster klemt de zwarte steen.

zeven heksen zeven duivels zullen zwermen
zegt het nu en ’t noemt hun namen een voor een.

ferdinand corona sebastien altova mishima gerard
muzel fiele kaspar rostok archael minova
isegrim en diederik

ijzel vrieskou hagel wind en deze steen:
pijn die uit zijn woorden nooit verdween.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

aanvang

stilte, verwachtingsvol

span de ijlste

toon

die ver-

nee.

wacht nog, betwijfel
elk begin, verzwijg zolang

(hou de adem in zolang)

het woord dat tot verdwijnen
noopt.

bewaar de stilte, ver-
zwaar ze met je aanzet tot

zwijgen.

wachten.

stilte.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

2 haikoe’s

grond

opgebroken straat.
het stof strandt in de kamers:
zand is geheugen.

nu

nu het straatlicht dooft
vertrekt zij stapvoets uit mijn
dromen bij daglicht.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

dorp

dorp: blauwdruk van mijn
denktrant, pretpark, doodsprent.
de waarheid heeft zich diep
in deze waanzin ingevreten.

bouwsels slepen de weg. ver
kijken is verboden: elke gevel,
elk stratenplan staat of valt
bij de treurwilg wier takken
naakte schouders streelden.

zo één dorpskern kan gans een land,
een continent in slaafse zang van haar
doen zingen, bevend, tot het ploft.

zo dool ik blijvend in afwezigheid,
in het reine kwaad van het banale.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

oktober

Over de vijver van het park
roept de reiger, rekt zijn kreet.
Niets bevestigt verder nog
dit landschap.

Zo ontloopt het zand ons nog,
zo breekt de liefde hoog uit
één nacht ijs, stort in klater-
beken spiegelscherven scherp
op wat daar dieper naar een
schuiloord zwom.

Zwart op zwart zink ik in inkt.
Geen steen die ik bekras heeft
plaats voor wat ik grijpen wil.
Wind verijlt de roep: troost mij,
wil mij niet ontkennen, om-
roos mij vast.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

nachtwake

roerloos lag ik daar, stof en as,
wachtend op een wereldwende.

waarheid kende ik als niemand,
waarheid was de recht aanbeden zon
die zwart mijn ogen sloeg en mij
en al het zand tot spiegel brandde
waarvan ik alleen het beeld verdroeg.

episch, stichtend, monumentaal
voor niemand kraakte mijn zang
bij het kermende kerkklavier
dat vissersgeesten wekte: lied
vol zon en zee en zand gedacht.

ach, ochtend dat de regen kwam,
sproeide mijn roet tot ik rilde,
bloedde, weer met vel en vlees
verzweerde, keerde, wentelde
weerloos weer in het weefsel

wij waarin ik woorden loos
die mij als niemand kennen.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

4 Barokspiegels (4/4)

4. véte como te vas, no dejes floja… (Gongora)

o stroom, die stroomt zoals jij stroomt:
veel bekijks beklijft jouw stromen niet.
maar noem ik daar die steen mijn god
dan zie ik ook mijzelf in steen en droom
dat zij daar eeuwig in mij staat in steen,
dan is de steen ook steen zoals jij stroomt,
mijn god, die stroomt zoals jij stroomt.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

4 Barokspiegels (3/4)

3. Stand still, you floods, do not deface (Carew)

’t streefdoel stilte streept de mond kaduuk
hij zweet en rilt zich nog de tanden stuk.
kijklust donkert ’t plexiglas inktzwart
niemand ziet haar woeker in zijn hart.
maak voor deze lafaard vlug een graf
niemand weet iets van zijn liefde af.

’t streefdoel stilte streept de mond kaduuk
en hij jaagt zich dieper in het ongeluk
mormelmonster is hij, wonder gods
zo botst hij op de rots van eigen trots.
zo klein is hij dat hij niet zeggen durft
hoe groots haar schoonheid in hem turft.

ik zie mij nu en hoor hem zwijgen.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

4 Barokspiegels (2/4)

2. Au milieu de ce bois un liquide cristal (Habert de Cérisy)

verknoopt in de keelkribbe
stokt bij nacht de adem. kurk.
de ratel wil mij achterlaten
in de droom waarin mijn buik
zweeft en ‘t wateroppervlak
zodra versplintert. de tijd jeukt
er van etterende stilstand.

ik krab er blauwe ruimte uit.

woorden glijden glippen weg
van mij, het zand moet branden,
ik knijp de leegte tot kristal:
spiegel die mijn pijn opslokt,
glas dat dalen keert tot klim,
zwart waarin het licht verzinkt.

ik wil in haar verdwijnen.

de morgenster tot stof in ‘t oog
verstrooid wrijf ik mijn donker
uitgevlakt verlangen droog.
dieper kruip ik in omarmen
en kras haar naam waar ik
van blauwe leegte droomde.

niemand ziet wat ik haar zeg.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

4 Barokspiegels (1/4)

  1. Specchio fallace, ingrato (Marino)

Taalknoet, dwangvers, tres
van larie die zichzelf benijdt.
Rooster dat het zonlicht splijt,
mijn adem hort en korrels perst :
letteretter in mijn wonden;

bedrieglijke spiegel, lieflijke
schijn van schone waan, lege
lijst met bladgoud belegd,
niets dat aast op eeuwigheid:
zwijg tot ik zie wat je zegt.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

ochtend

zie: witte wolken.
sta op en melk de woorden:
hemelsblauwe zon.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

VNFM2: veroesteren

verworpen neologismen voor het ‘Fin de Millenium’

het vel dat het tere omspant verhardt:
de spanning kalkt in lagen uit.

onder maskers op maskerende maskers
wordt het vergeten gelaat een week en rozig vlak
en in de dichtvallende tunnels de zintuigen doven.
het gelaat is gelaten, het profiel profileert.

de lichamen parelen uit, pureren zich
het been uit het lijf. tot deemoed geslagen
het slappe geslacht slurpt zich op en vergaat.

‘het hing al eeuwen in de lucht’
vergeet zich snel nog in golven
de laatste gedachte en de schelp
rond het rot sijpelt leeg.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

VNFM1: seculantie

verworpen neologismen voor het ‘Fin de Millenium’

seculantie

kruipen op ’t strak gespannen spekvel
in de uitgebrande bedding met het
hagedissenzwart, het distelgroen waar
rood steekstof en schuurstenen oude
wonden openrijten, waar klauwen
tasten in flarden opbloei van vleesrot, waar
feestelijk blauw gierkeelt de aasschreeuw :
de laatste mens die zich het eerste woord
herinnert en het brullen van de minotaur.

kijk om naar wat vooruit was, jouw
hogere oorsprong: staar achteruit, daar
was de bestemming, nee, niet daar
iets lager, hoger, boven
de opgespannen waterlijn daar
waar de zon hangt aan jouw einder.

in de bedding ruist de witte stilte.
jij moet wat dieper kruipen, jij.
hier heb je de draad al
van de seculantie.

inputtekst (1992)





uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

alp

Het staat van steen in mij en ’s nachts
stoot het door het vlees tot in het bot.
Het marmert mij de ogen en in het rot
van mijn gebit het stort de kiezel pijn.

Het droogt mijn keel, het striemt mijn tong.
Het vraagt de lippen in de spiegel of ik het
persen zie. Het perst mij uit tot ik het ben.
Ik schrijf het neer opdat het zwijgen zou.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

praten is het woord

Praten is het woord ophangen.
Toegesproken stopt de sneltrein niet. Men
bespreekt waar je was.

Schrijvend hang je traag te snakken
naar de halte van de eigenwaan. Je
leest jouw naam verkeerd.

Ik ben immers al verdwenen
in het spoorwegnet. De aankomsturen
daar zijn niet voor mij.

Dichten doet ons ’t woord verhangen
van de plaats waar niets al hing naar daar waar
niets nog hangen kan.

inputtekst (1992):

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

de dichter des zomers

Kleur is hem in de kleren gekropen
dit hoogseizoen dat dons op zijn verzen doet
en danig zijn oren tuiten met toeters en trommen.

Bloemen te waaien staan op zijn hemd
dat longen omvat met een vuurzee van aardlucht
en gele geuren van haren en rode en lachjes die krullen.

Zwart met gaten zo diep als ’t heelal
blijft hij aan de aarde geklonken en niet erg in trek
is zijn stek in het pretpark van sterven en taal.

uit de vroege geschriften (1992-93)

de teksten uit dit boekje zijn mee opgenomen in Rigorisme:

inputtekst (1992):

eentje van het huis

“Hij had alles verteld. De andere, die ouder was, hadden we maar meteen afgeknald, die zou toch niks lossen. Die zijn kop hing te bloeden op zijn schouder, dat maakt indruk, dan nijpt ge ze al, hoor.”

Den Bère vertelt over zijn legioen-jaren. Hij is vandaag vader geworden, komt het vieren aan mijn toog. “Na alles wat ik meegemaakt heb, weet ik nu pas wat het leven is”. Hij meent het.

“Hij lag daar, vastgebonden aan die dode, en we gingen met een gloeiende stok over zijn voetzolen, en hij verklapte alles, en toen heb ik mijn Uzi op hem leeg geschoten.

Bert is glazenwasser nu. Hij doet zijn werk zorgvuldig, geen vlekken, geen strepen, vakwerk. Hij deserteerde, is getrouwd dan. Hij is dronken, maar niet te erg. Hij weent.

Ik vul zijn glas. En het mijne. We drinken op het wonder van de geboorte.

inputtekst (1992):