het kamsalamanderlied


niet de blik inwaarts (het gat is te diep)
niet naar het buiten (de ruimte is koud)
niet oog in oog (de droom is een moord)

niet naar het vage (het vage is nergens)
niet in het al (het al is illusie)
niet in het niets (het niets ontkent niets)

kwaak kwaak kwaak
ik waak niet ik droom niet ik slaap niet ik wil


varen in sara

onaanraakbaar
onhandelbaar
ondenkbaar
onuitspreekbaar

kwaak kwaak kwaak
weg van de maja


varen in sara

na de zee van het ene
in het ene gestrand
op het zand van de leegte
het niets in je hand

vreedzaam
heilzaam
grenzeloos

pracencopashama shiva
advaita

(kom maar ja kom maar
wij gaan allen nu)

varen in sara


varen in sara


varen in sara

varen in sara

varen in sara

uit ‘liederen van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends‘,
Booischot 2041 (geen ISBN-nummer)

dv 2005 – “meret met bellen” – gevernist en verkocht aquarel
Advertenties


“bij het melkvlammen
bij de grafadem
in  purperen zweefmonden  het tonggolven
o bulkende zaadstulp breek in ons los”

(zulke heilzangen gaan al snel in de stemspleten knellen, mevrouw!)

het mauve hert HMS Spanningsberger in de ondergangszon
– te jong achter de sterfspijlen
– indien afwaarts murmelt de tranenvloed :

  • de dijen bekoren de dijen
  • de dijen bekronen de dijen
  • de dijen bekreunen de spil

je wist: wit tonaal is de kus
en je lippen lusten het ruisen vooral

als een teen krult jouw leegte om haar
leegte en je tepels schuren zich rood
en zo verwond en verwonden jij met het hare
lacht zij nog

  • haar stemkraken bloot
  • jouw stikschuimzilver op haar bruisplaatje pruttelt
  • het praatscherm de glans van heur haar in tressen te zingen legt
  • zij dompelt jullie lijfjes in de pek van haar nu

⇒ nu je mij daarom weer de lucht afstroopt als een huid alsof ik

inputtekst (2017 > 2008)

dv 2019 – “i’ll take this one” pen & pastel in een 21,5×18,5 tekenboekske

permanente crisis


1.

het centrale gedeelte is een immense zwarte berg graniet,
onaantastbaar, onverzettelijk. onze sessies zijn stormachtig  ¹

  • het snijden is ons ingeplant (gebed, gebod, gebit).
    de ergernis betreft:
    • verwarmingselementen met stoffige zuigobstructies
    • gekrakeel in brabbeltaal op 10x duurdere gsm’s
    • regenstrepen op de industriële wandbekleding
    • rokende marginalen
    • neusprut op de hst-zitjes
    • kalkaanslag in de senseo

onze glinsterende ogen in het duister.
plooivingers. afgestompt door het botte

beduimelen van fragiele materie.

  • haar  tafelgebed brak het stollende kader, een raakvlak met hellende dingen, en idd: het email bestaat uit gedropte schuifdwang, in het lossen druipt er het snellere druipen, het oorsmeer eigent zich de bloemkoolmetaforen toe, de deur, de borrelmaag, de korrel knispert tot neusbloedens toe  in het windaroma.
  • haar lach is de lach van een muze met de exuberante flora van het gelatene.

de deur, de deur laat de deur
toe het openen te oefenen.

  • plankgas, ejo? eejo ² 

in het ongewisse zoekt de krultang
haar en een krultang om het op te winden

vele krultangen tekenen verzet aan:
‘het is toch niet meer van deze tijd’ en
‘al die onkrultangelijkheden’

  • tutti der tuinslangen:

“ces élections consacreront notre sort de crise permanente“.

CES ELECTIONS
CONSACRERONT
NOTRE SORT
DE CRISE
PERMANENTE

2.

Als het bloed langdurig in een verwijde ader gestuwd is
kan een stolsel ontstaan, wat een soms zeer pijnlijke
ontstekingsreactie opwekt die enige weken kan duren.

inputtekst (2010)

lo 2008 12

———————–voetnoten————————————————————

Terug naar het schrijfsel

¹ cfr. Julia Kristeva, In the beginning was Love: Psychoanalysis and Faith (pdf -bestand 234kb), p.11.

Terug naar het schrijfsel

² ‘Ejo’ en ‘eejo’ zijn Kirundees voor gisteren en morgen. De beide woorden worden identiek uitgesproken, enkel in schrift maakt men middels de dubbele e een onderscheid.

LAIS I



Ontdaan stond hij er gans omrand en rank
leek hij te reiken trillend tot de wand,
er droeve woorden vormend, stroef van klank.
   Daar werd haar Karagol met raad bemand
en hij totaal van zinnen overmand
en hem bevolen bron van licht te zijn
als op de maan de kale zonneschijn;
en hem bevolen weg te worden, weg
van hier en weg voor haar om weg te zijn.
   En zo ontstond LAIS wiens naam ik zeg.

inputtekst 1 (2010) – inputtekst 2 (2017)

dv 2019 – AR van LAIS#1

het heeft geluk


het had de ogen en het gaf haar
de ogen en de ogen verveelden haar.
het zuchtte lucht uit die zij blies. het
had het einde vast maar het einde kwam
maar niet in haar. schromelijk. abuis.

zo ook alom de winden in de wereld
waaien: het had geluk zei zij en het geluk
bracht het deze dag en het zou beter dag
zeggen tegen het geluk (haar huid is
een einder, haar borsten zee en god

die haren). het

knikt. het heeft haar van heur blauw
ontdaan, afgestroopt, rechtsonder van de
haat. het bloeit nu elk moment
volop daar tot nu, elk jaar.
tiereliere. het had geluk.

moest het ik zijn,
ik zou het
opnieuw willen zijn.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘ansuz (voor a.)’ – A6

het danst


het ziet een paar en hoe ze draaien daar
voor het doek en het doek
heeft de plooi van de benen
voor een ware plooi genomen, een tijdsgewricht.

het ziet ze dansen en zo dansten wij,
denkt het, toen het nog toebehoorde.
traag, toen, trager nog zo lijkt het nu,
te schommelen haast, half staande daar

voor de toegenaaide naad van de einder, daar
waar het lachen de gezichten diep en dieper groeft, daar
waar het nu met de lucht aan het land is geniet,

zij week van het want zij gaf ruimte.
het week van haar want het gaf ruimte.
en dan werd het weer langzaam zij met haar.

kom nu maar jij schaar, en knip
het weg en uit elkaar het paar
dan komt het dansen vrij van

het en daar.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “algiz” – A6