het kamsalamanderlied

niet de blik inwaarts (het gat is te diep)
niet naar het buiten (de ruimte is koud)
niet oog in oog (de droom is een moord)

niet naar het vage (het vage is nergens)
niet in het al (het al is illusie)
niet in het niets (het niets ontkent niets)

kwaak kwaak kwaak
ik waak niet ik droom niet ik slaap niet ik wil


varen in sara

onaanraakbaar
onhandelbaar
ondenkbaar
onuitspreekbaar

kwaak kwaak kwaak
weg van de maja


varen in sara

na de zee van het ene
in het ene gestrand
op het zand van de leegte
het niets in je hand

vreedzaam
heilzaam
grenzeloos

pracencopashama shiva
advaita

(kom maar ja kom maar
wij gaan allen nu)

varen in sara


varen in sara


varen in sara

varen in sara

varen in sara

uit ‘liederen van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends‘,
Booischot 2041 (geen auteur – geen ISBN-nummer – geen hoofdletters)

dv 2005 – “meret met bellen” – gevernist en verkocht aquarel

“bij het melkvlammen
bij de grafadem
in  purperen zweefmonden:

  het tonggolven

o bulkende zaadstulp

breek in ons los”

(zulke heilzangen gaan al snel in de stemspleten knellen, mevrouw!)

het mauve hert HMS Spanningsberger in de ondergangszon
– te jong achter de sterfspijlen
– indien afwaarts murmelt de tranenvloed :

  • de dijen bekoren de dijen
  • de dijen bekronen de dijen
  • de dijen bekreunen de spil

je wist: wit tonaal is de kus
en je lippen lusten het ruisen vooral

als een teen krult jouw leegte om haar
leegte en je tepels schuren zich rood
en zo, gewond en verwonden, jij met het hare,
lacht zij
lacht zij nog

  • haar stemkraken bloot
  • jouw stikschuimzilver op haar bruisplaatje pruttelt
  • het praatscherm de glans van heur haar in tressen te zingen legt
  • zij dompelt jullie lijfjes in de pek van haar nu

⇒ (nu je mij daarom weer de lucht afstroopt als een huid) alsof ik

inputtekst (2017 > 2008)

dv 2019 – “i’ll take this one” pen & pastel in een 21,5×18,5 tekenboekske

permanente crisis

1.

het centrale gedeelte is een immense zwarte berg graniet,
onaantastbaar, onverzettelijk. onze sessies zijn stormachtig  ¹

  • het snijden is ons ingeplant (gebed, gebod, gebit).
    de ergernis betreft:
    • verwarmingselementen met stoffige zuigobstructies
    • gekrakeel in brabbeltaal op 10x duurdere gsm’s
    • regenstrepen op de industriële wandbekleding
    • rokende marginalen
    • neusprut op de hst-zitjes
    • kalkaanslag in de senseo

onze glinsterende ogen in het duister.
plooivingers. afgestompt door het botte

beduimelen van fragiele materie.

  • haar  tafelgebed brak het stollende kader, een raakvlak met hellende dingen, en idd: het email bestaat uit gedropte schuifdwang, in het lossen druipt er het snellere druipen, het oorsmeer eigent zich de bloemkoolmetaforen toe, de deur, de borrelmaag, de korrel knispert tot neusbloedens toe  in het windaroma.
  • haar lach is de lach van een muze met de exuberante flora van het gelatene.

de deur, de deur laat de deur
toe het openen te oefenen.

  • plankgas, ejo? eejo ² 

in het ongewisse zoekt de krultang
haar en een krultang om het op te winden

vele krultangen tekenen verzet aan:
‘het is toch niet meer van deze tijd’ en
‘al die onkrultangelijkheden’

  • tutti der tuinslangen:

“ces élections consacreront notre sort de crise permanente“.

CES ELECTIONS
CONSACRERONT
NOTRE SORT
DE CRISE
PERMANENTE

2.

Als het bloed langdurig in een verwijde ader gestuwd is
kan een stolsel ontstaan, wat een soms zeer pijnlijke
ontstekingsreactie opwekt die enige weken kan duren.

inputtekst (2010)

lo 2008 12

———————–voetnoten————————————————————

Terug naar het schrijfsel

¹ cfr. Julia Kristeva, In the beginning was Love: Psychoanalysis and Faith (pdf -bestand 234kb), p.11.

Terug naar het schrijfsel

² ‘Ejo’ en ‘eejo’ zijn Kirundees voor gisteren en morgen. De beide woorden worden identiek uitgesproken, enkel in schrift maakt men middels de dubbele e een onderscheid.

LAIS I

aan C.V.B.

Ontdaan stond het er gans omrand en rank
leek het te reiken trillend tot de wand,
er witte woede vormend, stroef van klank.
Daar werd een droom van haar met daad bemand
en door dat groot verlangen overmand
kreeg het de opdracht haar tot licht te zijn
als op de maan de klare zonneschijn.
En ‘t werd bevolen weg te worden, weg
van Gabriël en Ree om weg te zijn.
En zo begon LAIS wiens naam ik zeg.

inputtekst 1 (2010) – inputtekst 2 (2017)

dv 2019 – AR van LAIS#1

het heeft geluk

het had de ogen en het gaf haar
de ogen en de ogen verveelden haar.
het zuchtte lucht uit die zij blies. het
had het einde vast maar het einde kwam
maar niet in haar. schromelijk. abuis.

zo ook alom de winden in de wereld
waaien: het had geluk zei zij en het geluk
bracht het deze dag en het zou beter dag
zeggen tegen het geluk (haar huid is
een einder, haar borsten zee en god

die haren). het

knikt. het heeft haar van heur blauw
ontdaan, afgestroopt, rechtsonder van de
haat. het bloeit nu elk moment
volop daar tot nu, elk jaar.
tiereliere. het had geluk.

moest het ik zijn,
ik zou het
opnieuw willen zijn.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘ansuz (voor a.)’ – A6

het danst

het ziet een paar en hoe ze draaien daar
voor het doek en het doek
heeft de plooi van de benen
voor een ware plooi genomen, een tijdsgewricht.

het ziet ze dansen en zo dansten wij,
denkt het, toen het nog toebehoorde.
traag, toen, trager nog zo lijkt het nu,
te schommelen haast, half staande daar

voor de toegenaaide naad van de einder, daar
waar het lachen de gezichten diep en dieper groeft, daar
waar het nu met de lucht aan het land is geniet,

zij week van het want zij gaf ruimte.
het week van haar want het gaf ruimte.
en dan werd het weer langzaam zij met haar.

kom nu maar jij schaar, en knip
het weg en uit elkaar het paar
dan komt het dansen vrij van

het en daar.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “algiz” – A6

kustwind


de wind streept de vrouw uit in lange lijnen
haar en jurk. een doorsnee engel ontvalt zo
nog het praatvlak. doodgewone doorkijkbeelden

aan de kust. zweefmeeuwen dagtekenen
hun plaats windopwaarts, mannen negeren
doorgaans het rechte van de langgerekte lijn.

het heft het glas vol wijn en zand, want dit is
het lichaam. kinderen meten hun zuivere
monden af aan het uitgevlakte blauw, blazen

de kromming van licht in het kinkhoornige
duister. de maan onthult het in golven: vol
is haar zang en als vanouds legt zij haar franje

af, de rafels wolk verjaagd uit het bestaan. hoe
kon het mooier van een van hen tot het vergaan?

inputtekst (2010)

dv 2019 – “gebo” – A6

zonsopgang voor ondoden

barst we regelen het
benoemen het als het maar in der minne:
het heft mij op als zon en jij wordt een naam
(ook al strijkt er af toe een vogel neer)
een strandenloos glanzende pingoruïne,

honderden lettergrepen op zoek naar hun zinnen
klanken in monden die niet weten hoe te beginnen
het drentelende zwerven van een vuilzak in het zwinne
geanimeerde muzetekeningen met vage vegen van kinnesinne

(het hoòrt nu ook al de dames van de straat hem nakijken)

in de bijeengeschraapte woordenschat der dagbladen
leg je het dan best geduldig uit dat het dus dan maar nu eens
een ander leven moet (gaan) beginnen

(het heeft daarvoor gebeld, men nam niet op, er,
en bovendien heeft het geen centen, van verdriet
ligt alles wel hier ja wat wil je de t-shirts, de lakens, de jekkers…)

(het wordt erg).

inputtekst (2010)

dv 2019 – “jera” – A6

(als mijn ma belt hang je haar maar op)

lijst met een aantekening

  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WO2010 wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “WUNJO

MU

de handen scannen bij herhaling
het onthullen. ziehier de plooien van
het afgerukte kleed in marmer. ziedaar
het houterige opbloeien van afgehakte tepels.

dat het haar land pardoes in het jouwe laat vallen
en dan het weke op jouw barre bodem streelt, is
jouw geluk. het brandt en rilt en leest
op de stranden, in het opwaaiende zeewier
haar immer eendere verhaal.

geschiedenis :: atlantis.

de meeuwenvleugel krijt de spiegel open,
haar keel klokt zwart weg met het blauwe,
het slikken slikt haar honger eerst
en dan de vogels en de zon.
de hese lach der muze maakt
de laatste dichters misselijk en moe.

in het fatale zingen van de m
slaat heel de hel tot hemel om
en naar het oordeel van de u
begint het einde beter
nu.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “MU” – pastel & potlood – A6

ekster


debris van stralen in de mal van laster,
zee-uiting van verstikt wit
in de blauwe spiegel van het zwart, gij,

ekster,

grote rimpelgrot van de aardmond, kwab
kwab rond de aars van de vorkende god,

bij zee de slokop klotst op de kade, die
met de sherrytong van Pessoa, die
met de klaplong van Velimir en die
met de wuivende plastic palmen
van de boekjespraters, de murmelende bloedhonden.

en bij de tesserae op Venus:  het lééft, het
is het jeukende eelt op de ogen O  tot en met A
het haalt het doek open tot het wit
bloedt, de zaal ingutst, het kijken wegspoelt,

dus grijp vlug de winkelhaak, zet de hond op,
haal de kat uit de garage, we moeten sofort
naar de bondgenotenlaan. 

het vet dreef boven, we dienden maar op te scheppen…

het is de dinoflagellates
het zweeft de muil in
van jullie oliewolf,  

wiefiel lowie, wiefiel
für diene deine diene

wiegeziel?

inputtekst (2010)

dv 2010 – “esker du’ – Acryl op papier – A2 (vernietigd in 2013)

esker: https://nl.wikipedia.org/wiki/Esker

opgave (7/7)

gevat in de brand zit de vonk
zich te vervelen. elk vijfde deel
is een uitgestoken vinger in het
alziende oog en zo gebeurde het

dat de zee naar sperma
begon te geuren;

in de nacht was het beland, de langste nacht.
het wachtte wel een jaar of zeven.

holst. holde,
tot het stond.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “son monde m’invite à créer des nouveaux mondes” – A6

opgave (6/7)

de mens is het geheim van het paraat.
schaamte, rieten kororo (o nano)!

tussen de begerige vingerogen worden
met brandende touwen de klemscharen
van de odal gespannen: ontembaar

is die pracht, rafels zijn het van g*ds hemd
en woester loeit het en grijpt en golft nu er van
mij verlangen om te sterven wordt verlangd.

die papzak zuigt haar nog een buidel zo
(geen staldeur blijft onaangeroerd).
wat rest is een roetlijn opgefikte lucifer.

schaamte, onanie (rococo) van rite!
de aap is het geheim van de mens.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “son Désir exulte en Dieu ayant l’ Esprit du dégoût de Soi-Même” – A6

opgave (5/7)

“De noodklok bengelde in ’t gehucht”

het theatrale van de eenzaamheid is het lege theater
waarin de tijd explodeert:

de armen vermenigvuldigen het moedeloze schokken
van neerhangende schouders;
de handen tonen bij duizenden het wit van de palmen
met hun hartstochtelijk gemis en het gat van de mieren;
de monden zijn een veelvoud van de mond die zich oefent
in het braken van veren;
de kussende monden verzoenen de minnaars met het sissen
van hun vurige tongen;
het kurkdroge knispert, de vezels verlangen, de maan licht het pad
op naar de zelfontbranding

ja goed, verder, een beetje dieper, daar,  ja

dorpers, de ogen verzonken in zwart kabaal.
gezangen die grimmig de pijn van de verlatenheid
uitbenen in de etterende oorschelpen
de klanken komen schrikbarend geklonken
uit de stramme stilte van de kraakspar, zijn
ontworteling bij de afscheurwand

nog nge h r

ja nog ja
doe maar wat harder nu

ong

n——— — ———————n
e——————-—————-o
o—————-——————g
n———————————–e
g———————————–e
n———————————-g

inputtekst (2010)

dv 2019 – “ses cuisses laborieuses expriment la volonté de porter”

opgave (4/7)

zij, geborgen gloed, het goed
dat ze onze ogen doet


– Maaike

IV

Anke slaat heur lange benen over elkaar, de diafane zijde
schuift geluidloos over het oker van haar dijen.

ze doet perfect wat er van haar verlangd wordt, volgt
tot de letter het protocol. ze is het protocol.

ze breekt met haar wijsvinger voorzichtig het zegel
ruikt even aan het topje van haar vinger
om de geur van was op te slaanontrolt
de rol. een slok water nog, een vlugge blik 
naar mij, het einde dat ik nog ben,
dit stompje van mijzelf.

en dan vangt ze vastberaden aan,
in klare stem, met de lezing van 


Anke Veld
of de Geschiedenissen van de Afloop, geschreven en schrijvende,
van en tijdens de Ondergang

sibille: haar stem reikt duizend jaren ver.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “sa touffe le cœur noir de la lumière” – A6

opgave (3/7)

III – De Stem en de Del

import baudelaire.lFdM;
import quignard.Délie;

kraak hem de schalen, breek hem de schubben
eet hem rauw, hef het roze vol in het licht,
ontdoe hem van dit euvel, ontdoe dit
stervende stof van uw hitsige trilzang,

aanhoor hem, brakke muze, voel hier en nu
zijn slapte bij het tasten van uw honger
hoor het schorre brullen van de ontkende,
de zich ontkennende stem die mest is, drek.

[het sletje zit in een lijfje sliploos
op een houten tafelhoek te wiegebenen,
krult een haarlok rond heur vinger,
klakketongt en tekent met een dikke teen

heur zuchten in de lucht.
de hoek glimt ]

inputtekst (2010)

dv 2019 – “my legs went limp, the heat was scorching”

opgave (2/7)

II

ik ben het nu, ik ben het hier

het is de dode, de blinde,
de schaduw van het zwijgen
in het luchtledige

in het beweegt het
het kruipt onder de slechtende roede

kleine gewervelde dieren, aas, afval
infecties, gewemel, het wroeten in het bolwerk
de container waar de stank walmt van het verleden
dezelfde vergasten die nu verzuipen
dezelfde gekeelden die rond u kreperen
dezelfde weigering spreekt in uw ogen
dezelfde weigering barst uit uw gelaat als reine, zwarte haat

ziet, Julia,
de meikever komt
union match ignite
glas in de arm,
het gutst het

het zwart
het geel
het rood

het zwart
het geel
het rood

botten boten boterham
(lo ki koei)
motten moten motoren
(lo ki soot)
koppen kopen koperen
(taaiger taaiger)
potten poten potelen
(beurning braait)

dans la forêt de la nuit
‘the fox condemns the trap, not himself’
uw trots is uw rots
uw rots wordt uw lava

lava schrijft java

al het denkbare is een beeld van het ware
en het beeld
beweegt

ik zeg het
en

het
gutst.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “face à l’ amour aux pieds nus l’ écrivain est perdu” – A6

opgave (1/7)

I

een binnenste handpen. onduidelijk of geheel
afwezig is de bandering

(ook de lichtval speelt een rol)

“we dienen de letters open  te breken
om de klanken te bevrijden”

inputtekst (2010)

dv 2019 – “my hand felt cold from reaching out into the void”

maanlief

branding, snelle wolkensliert
geur van scherpe dennen en de maan
heur felle schijn verbergt de maan.
het zijden licht bloeit ragfijn open in de open zee.

dodemaansdeken dooft het donkere golven,
zo vervluchtigt zij, nevel in de nevel
van het leven. ik zal haar likken
hoe zij daar te wiegen ligt. ik
slaap en slik.

komt fluks dageraad, naakte staat
met zilte zonnestraal die bloedrood rijst.
nu, zo brandt hij mij in jou met kraters daar volledig door.
wij, zo doet zij stonde nog met schemer, dauw en mist.

onze wanden spannen zich verwoed tot tremolo.

doe, zon, duw en prang maar maan
spring mee door het raam en echter laai,
spiegel mij in mij, straal jij, laat haar lippen
gulzig zwelgend los op mij.

invoertekst (2010)

dv 2019 – “sa cheville à chaque moment déplace la grâce solaire” -A6

methadon


de telefoon staat af : ik ben weg. het lacht. het
daalt en dwaalt in het wonder dat zij hebben wou. 
het neuzelt door rottende bestanden naar iets
dat lijkt op haar, een wulpse warreling, een schijn

van oude snedigheid, beelden in de hand gegrift.
selecteer alles en verwijder. ik paste, het past niet,
de nacht is te ondiep, de dag te duur de duur te vol.

het stuurse bekt dat het maar het is terwijl zij vreemd
te mokken ligt doorstoken van wat anders. beter? ‘wat je
maar wil schat, het is het goed zat’. hier is haar mozart

in een pink en in het herenslipje hangt heur hart
te bonzen. heroïne was het toen en zie haar lopen nu
haar marathon is gratis wel erg goedkope methadon.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “la bipède déplace la lumière” – A6

staaf

sprakeloos, van mond en tong is het ontdaan.
de armen en de benen zijn er afgepeld.

ze zucht. haar lichaam brult. het schuift het
kleed van stilte listig hoger op haar huid, breekt
met wrijven, nijpen, strelen de oudste
der geluiden aan. antifonen galmen

in de klinkers van haar naam. haar vingers
wrikken en ze woelt de letters om: het zand
is in de duin het zand, de duin het zand. de duin
is in het zand de duin, het zand de duin.

ze hamert nu en mij op het en toen en zij. gespierde

taal. kijk: kijkgaten in de handen. trekpleisters
aan de lust. in elke wonde kriebelt en krioelt
van ’t woeden meesterlijk de droefenis.

de zon bolt buiten om, de oogkas rondt haar bol.
de kust is vrij, ze ebt niet meer. ze heeft
de volle maan als sprookje afgedaan.
het slipje splasht kletsnat op witte tegels

er spartelt nog een visje bij de krabben
in een plas. het brakke water stinkt,
het stromen is van eeuwig wijlen
afgesneden en dus ook van golf en zee.

wierook, warmte, rotte slierten alg.
de meeuwen gieren kerk  en hoe
het ook slaakt zijn walg: god is hier
een staaf in haar en god is sterk.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “ses bras se déchirent mille fois en caresses trop lointes”

liefde is een dodentaal

het gehuil in mijn hoofd benadert het gehuil en
het schrikt en ik haal mijn handen af van mijn
vlees. in mijn adem komt nu toch een zwarte stilstand.
uw kop draait zich in mij en uw schouders wringen

zich door mijn anus. het bloedt niet eens. de vogels
vallen. het einde valt uit het einde. de menselijke
gestalte is een sleutel. de benen verletteren, de wind
komt, hij rukt je de tong uit. iedereen gaat zachtjes

liggen kermen, een dokter roert in ons met een plastic
spatel en zegt dat het nu niet lang meer hoeft te duren.
we knikken begrijpend, we trekken de stoppen gelaten

uit onze borsten, de insecten overspoelen de tafelen,
de zwarte brij overleeft ons allicht een dag of twee.
het krioelen maakt een tikgeluid als het over de randen

inputtekst (2010)

dv 2019 – “son pied explique le point et sense unique de la terre” -A6

HET
is de prequel op
LAIS,
de
Geschiedenis van een Verwording

sissen

[scène: een donkere nacht in het midden van de dingen]

zijn hijgen klotst tegen het hoorbare aan
zoals olie op zee tegen een krijtrots

de zonnebloemen hielden het geen twee maanden:
rot in de pitten, honderden maden van horzels erin
de vergulde leugens in de zak bij het gelogen goud,
elk moment een loting met eendere afloop

elke hand vermorzelt elke andere hand, iedereen is te laf om onbevangen in het ik van de andere te kijken, het harde, de ondoordringbare spiegel, de unieke dood van het bouwwerf ons in het verspeelde ons van mij, mij, mij waar  ieder zich  schuilhoudt bij het gebibber daar in het genietende vrouwtje, bij de bluf en het tieren in het doolmannetje achteraan  in de bekrompen plaats, de verdwijntijd, de diepe grot van het verprutste genot

“er moet toch nog ergens een haakje zijn om mijn jas aan op te hangen”

de rimpeltjes die ze zo mooi zegt te vinden blijken meshalen te zijn
die ze jaar na jaar, maand na maand, dag aan dag door zijn verwenste gelaat had getrokken, het druipen is het druipen van haar zuur dat tergend langzaam doorbrandt in zijn krijsende lijf. hij vroeg er om, maar wie was hij, wie zij?

Izeganz :

wij spraken en jij hoorde enkel jouw gewenste stilte
wij vlogen en jij keek met nekpijn naar de grijze lucht
wij kregen kinderen en jij leerde hen hoe je de leegte

vol met ledigheid moet spellen

ik heb jou gemaakt tot wat ik wou, jij maakt mij af.
onvoorstelbaar hoeveel woorden jij nodig denkt te hebben
om niet te zeggen hoe dood je mij wel wil
om te verhullen hoe erg jouw eigen angsten zijn

en ik was bang.

jij danste als een aangereden kat jouw spasmen uit
in het dampende pek van de betalende macht,
het
neuk uzelf van het kotslaagje beschaving
op de putten in de plee en ik kon je niet helpen,
ik zag jou niet eens.

in de gapende mond van de Worm sta jij
te kelen dat het wormen zijn die niet mee
kunnen en jij hebt het geld en de heilige taak
om ze met de vodjes gedrenkt in zuur

borrelend christusbloed en de stalen borstel
van de rede te verdelgen

en ik hielp jou niet.

“je kan maar beter geen medelijden hebben” zei je

en ik begreep jou niet.

het sissen is thans Izeganz
van een plasje inkt
in de handpalm 
van een heiligenbeeld.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “la tendresse de ses chevaux caresse son chaleur” -A6

jengel

wat zou het met dit lege lijf beminnen? met die handen
die hongeren naar handen? van al het licht ontwaarde
ogen staren in het zwart naar sporen van voorheen,
en armen bengelen aan beelden die van lijfjes druipen:

spookpijn huist in hen, het knettert onheilspellend
als het maar kijkt, het oker van een buik, een schouder
of een ranke hals in de vergrauwde blikken sluit. het
leeft in de vertrouwde leegte van de onmin nu en krijgt

niet langer soelaas dat het van haar kreeg: hoe zij zichzelf
en het ontkende, hoe nietig zij die liefde vond, hoe vlug
en dom zij dacht dat het wel het was dat daar stil stond

bij het einde van het wachten op het einde, de spil die het
in haar aan al het niets verbond, het draaien en de adem die
dan stokte. nee, daar kan geen kat een jengel van onthouden.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘plus mince l’épaule plus forte l’amour”

klonk

lelijkheid belaagt de zon met harde stralen,
licht wordt in de druipgoot naar een stalen duisternis
gevoerd: het vat. men tapt er schone schijn van af,
in bekers gelabeld maandag t.e.m. zondag, nat schuim

bij een kloek opgehouden lach. het kronkelt mak
in de bak, een blinde witte worm, te glad en toch
niet al te zichtbaar, geen kat die er iets van merkt.
soms haalt zij in haar hoofd een volle maan, het vat

is in beroering dan, de schubben schilferen schichtig
hun zilver af en in het razen van het vuur op dode
steen neemt men het waar als een krater in de bil,

een wrat van toen men nog verlangen had en leefde
met een niet verpakte wind die soms onder in het kleed
schoot, stroopvel snokte aan het lijf, pompte, klonk.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “le pied de la silencieuse est messager, sa grâce message” – A6

onvoltooid verlopen tijd

i.m. johan develder

jouw frêle knoken staken en jouw stem
te diep verzweeg de marteling door vuur,
de brand op aarde, die enkel op qui vive 
en tijdelijk bewoonbaar was. uit dat diepe

breekt jouw lach de vlakke tijd volledig open
naar het wormgat van dit jou ontzegde heden.
o jaren dat jij lachte, kuste, bralde en verzwakte
met het doodskleed aan. een heroïek gewaad

omdat je al het quotum kende van wat er hier
aan aards vertier en hemels leed was toebedeeld:
dagen die wij kregen van al jouw liefde vol

en mededogen dat alvast bij eigen smart begon;
uren die ik mis waarin jouw troost mijn ritme was,
zuchten in het razen van de lijnen door seconden.

inputtekst (2010)

johan in Ruigoord, mei 2010.

ouverture

Zo koolt men kool met kool, terwyl het volk gekoolt,
Zyn Paapen raapen laat, en in den koolhof doolt.”
Willem van Swaanenburg, Op de gierigheit der geestelyken, Of raapen, de Ziel van
de Paapsche kool.

de messteken A en C glijden thans perfect
in de wonden B en D, de perforatie loopt
gesmeerd, de ouverture wordt door
menig machtig mens geapprecieerd.

zangers worden uit hun zingen dan verlost:
wat vlinderachtig is wordt van wiek ontdaan,
de vorst zaagt kordaat het staande teken af
(dat gaat met condimenten heel de tafel rond).

het juichen is van belgen die hun land verlaten:
‘het leven is zo mooi, we hebben het geflikt.
nu enkel nog wat zon die ons de aarzen likt’.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘les dieux mineurs aiment s’ inscrire sur la peau des anges’ -A6

HET
is de prequel op
LAIS,
de
Geschiedenis van een Verwording

verspilling

“Het eind van alle stof, is in ’t begin te leeren”
Willem van Swaanenburg, De Herboore Oudheid

“eet niet van uw eieren”, zo sprak hij eerst,
“want wat hier beneden ligt, bestaat
zoals het boven keert en draait
uit slierten walg en dode drab
van slecht gestolde tranen. ach,
verblind zijn wij door gouden glimpen huid
maar onder ’t natte kleed lonkt louter spijt.”

“span uw zaag”, zo sprak zij dan,” in uw geschriften,
ik heb slechts oog voor wat ik voelen kan.
blus dus met uw kromme takkenpen
mijn hemels vuur en helse driften:
de wereld nu is deze weidse plek
die ik u strek van bil en spil tot spiegelbil.”
en daarop viel geheel het spreken stil.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘épaule vide de taches et plein de lumière’ – A6

karkas

rot. toen het nog maar plan was, verschoof het al –
march in paris, toeterde de belazerde sax –
en nu: de lijnen lijken aan geen vlakken
meer te lijmen, de punten dwalen en het dwalen

vormt de vormen om tot brij. in het karkas
dat rest van jou en mij, van mij in de jij-vogel,
van jou in het wij-dier, van ons in de door
onze angsten opengespalkte razernij,

spelen de maden theater,
spelen de wormen cinema,
valt de stroom uit met een doffe plof.

inputtekst (2010)

dv 2019 – épaule enfermée

eender

de wereld is een lafhartige lus
die losjes rond de roze baby ligt.

de jongen ziet het rijzen in de verte niet
van grijze muren rond het spel, het bos.

de man plamuurt gedurig zijn ballon,
die door gebrek aan lucht nooit stijgen zal.

de grijsaard kerft de stenen uit zijn lijf
en klopt met bot zijn liefde benig stijf.

de vrouw zingt vaak een eender lied
maar voelt daarbij ook wat zij hoort en ziet.

invoertekst (2010)

dv 2019 – an ear fitting like a glove made for sounds of love



weigering

de onmacht is de verwoording van de onmacht
het spreken snijdt niet aan, de stilte bloedt in stilte.
het spatten van de zinnen op de zuilen van het zwijgen
maakt laag na laag van rot met brokken smurrie aan;
kilometers hoog verheft zich reeds het slijmerige schuim.

er is geen oor dat de gebeden nog aanhoren kan;
er is geen oord waarnaar het van zichzelf nog vluchten kan;
en nu begint alweer de marteling van de herinnering.

het heeft de zang gehoord van vogels in het paradijs,
het heeft het krijsen doorstaan van mormels in het grauw;
het deed haar het rokje om. het trok haar het broekje uit:
zij had nog nooit zo luid het snokken van genot beschreeuwd.

haar nacht is stil. hier is woest, vernieling, brand en kil.
het wil haar weg uit zich, en dood, maar het verlangen
wil het niet verlaten. het ziet haar ogen nu, hun zwart in ’t eigen git,

het glazige bestaan van de pupil. het kerft het uit het licht.
de sneden snijden diep en dwars doorheen elk scherm.
het reikt naar u, het ware breekt er uit. het kermt. zij nam niet eens
de uitgestoken hand meer aan. dit is geheel van mens en taal
ontdaan volstrekt een waardeloos bestaan. het, hier,

in dit leven is het van het leven slechts de weigering.

inputtekst (2010)


dv 2019  – l’ oreille parfait comme fait pour la voix de dieu

contracties

download contracties.mp3

Mixage & productie: Grapes of Art
Tekst & voordracht: dvt

Contracties, spasmen van het ik

Jij hebt de harde kern van het reine waarbinnen zich het niets schuilhoudt, gestolen van de bewaker van de harde kern van het reine  toen ik zei dat ik van je hield en vervolgens  heb je de harde kern van het reine verborgen in het niets dat je mij toeschrijft, de leegte die je mij liefdevol aanbiedt, de stilte die je mij als een paar bloederige watjes ter ore aanreikt.

De bewaker van de harde kern van het reine hield meteen op bewaker te zijn, hij  vervluchtigde tot niets in het niets dat je mij geeft, de leegte die je mij ter liefkozing toeschrijft, de stilte met de gekende watjes. Het is op zulke ogenblikken dat ik plotseling wakker schiet en brul.

Jij hebt de pluisbol van het wijze waartussen zich het niets in niets en niets verdeelt, ontvreemd van de hoeders van het wijze toen ik zei dat ik alles voor je zou doen wat binnen mijn mogelijkheden lag en vervolgens heb je de pluisbol van het wijze in de fik gestoken. Het brandde snel en hevig maar je kreeg het niets niet helemaal het niets meer in, want aan je vingers kleeft de asse van het pluis.

De hoeders van het wijze hielden meteen op hoeder te zijn, zij ontsponnen zich tot een rechte lijn die vervolgens kromp en kromp tot in een punt dat het laaiende vuur van mijn hart  belandde met een droge kchch. Het is op zulke ogenblikken dat ik ter aarde stort en al het licht mij als een gloeilamp wordt uitgedraaid.

Jij hebt de slingers en guirlandes van het schone waarlangs het niets verglijdt, uit de handen gerukt van de naakte godinnen van het schone toen ik zei dat ik je ziel van een eendere schoonheid vervuld wist en vervolgens heb je de slingers en guirlandes van het schone in volle zee gestort alwaar zij verzwolgen werden en als rimpels op de stranden van Normandië aanspoelden.

De naakte godinnen van het schone trokken enige kleren aan en namen plaats achter ramen die verlicht waren met zulke felle neonlichten dat je de rimpels die het verdriet in hun reine huid hadden getrokken, kon volgen met een natte vinger op het bewasemde raam. Het is op zulke ogenblikken dat ik ophoud te bestaan.

het

in mijn ogen wellen de tranen om de dode zoon.
in mijn ogen staat gegrift het leed om de gestorven dochter.
in mijn ogen breken open koude zakken vol met bloed.
in mijn ogen helt het zinkende schip naar zinken.
in mijn ogen klaagt en kraait en lacht de kraai om ons.

in mijn ogen danst een lijk dat liefde heette.
in mijn ogen zitten ogen die de genocide lezen.
in mijn handen bloeit de kennis en methode van het moorden op.
in mijn mond schreeuwt er een schreeuwen ‘er’ en schuurt de stem uit mij.
in mijn vingers knaagt de onmacht als een reumakramp.

door mijn armen trekt het leven weg en uit de lijven.
in mijn aders schuimt en snottert zwakte vol van zelfverachting.
in de nood kent men inderdaad zichzelf en daardoor ook zijn vrienden.

ik ben het.
ik ben het echt.
ik ben het helemaal.

het lacht. het weent. het danst en drinkt. het doet wat u en ik zouden doen.
het wil deeltjes vangen van mijn roet in de bewegingen die ik hen leerde.
het zoekt restanten van verlangen in het rot waar ooit mijn tulpen stoeiden.
het breekt de aarde open in een geile hunker naar wat rust en peis.
het vindt daar helder slechts het felle blinken van een zeis.
het is de grimas op een dood en zwaar verminkt gelaat.

het schrijft dat ik het ben,
en het bestaat.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘la main se ferme: elle aime le rien que je suis’ -A6

HET
is de prequel op
LAIS,
de
Geschiedenis van een Verwording

er

‘er’ in de RADIO KLEBNIKOV versie van 19/01/2019

voor k.j.

er zijn de dode handen in mijn handen die haar handen waren
er is het ros dat rest van de chrysanten,
er zijn de wiegeliedjes die verwaaien in de wind
er is de stilte als de vogels zwijgen, er is het donker midden in de zon

er komt een trein voorbij, ik hoor gebeente kraken
er is de dag die huizen tekent, straten aflijnt naar het lege plein
er is de hoop die het heden als uit een asla in een sneeuwstorm ledigt
er is de hoop die uit de jaren alle dagen schrapt,

ik kom er, denk ik, ik kom er niet,
ik kom er nooit voorbij.

er is daarvan het slot, moment, het lot, verlaten voor de eeuwigheid
er is het trage tellen tot het niets van tijd
er is mijn wachten zonder wil of strijd

en dan gebeurt van nergens ooit een ranke anjer
en dan gebeurt er uit het reinste zwijgen
dan gebeurt er in dit niets van mij
dan scheurt het echte uit de vliezen van de spijt
dan gebeurt er als een teêr bewegen op geprevel
als een wrede wenteling van leed
tot nieuw heringedeelde wereld

jij.

inputtekst (2010)

dv 2019 – AR van ‘er’ – A6

noodzaak

Hij, de zak aardappelen hoog boven zijn hoofd, dreigend: 
“En als ge nu niet maakt dat ge wegkomt…”.
De oude venter schrok, zijn furie tóch in hem.

Hij had al gauw een hekel aan het eigen mormel:
flaporen, schichten vuur schietend door de brilbokalen,
ros van woede. Hij zag zichzelf maar niet zijn liefde.

Initiatie van het initialenstelsel: maak een poule
van 11 x p met 261<p<520, de grondtoon V krijgt 6 x p,
de J slechts vijf en reken maar: de noodzaak is

geen zaak, de noodzaak nijpt. Ting. Hij is al lang
niet meer waar ik nu ben, maar ’t is zijn liefde wel.

inputtekst (2010)