Lode’s doel


mirrorburn
dv 2005, photoshop montage

‘Die lieve coele mei, die is ons ontdaen’
Anon. 15de eeuw

mei is mijn maya & doet mij geloven
dat het absoluut vele, het schone
in mijn enige niets is verscholen

hoe zoetelijk zingt het & wil het de nachtegaal
hoe hoog & hoe lustig zoekt ook de leeuwerik
hoe wild & onzinnig graven mijn honden
hoe dicht in zichzelf heeft mijn ik zich gesloten

mei is mijn maya & wil mij doen zeggen
dat ontieglijk het vele, het ware
in mijn nietige ik ligt verscholen

met ruimte de lucht wil mij wurgen
met halmen het gras mij doorklieven
de mensen zijn monden met blijtende bleinen
de goden zijn spasmen, ventielen & klieren

mei is mijn maya dus drink van mijn hart
mijn gutsende geven, mijn woord
is uw weg, mijn hel is uw leven

Tante’s Lovecraft


(as eaten by her snakes)

“Goed” , sprak hij, “want gij zijt groeiende in mij
& in de vergruizelde gebouwen rondom ons
steekt gij de kop op als in golvend stof een orkaan.

Uw Bode gonst:

gij bereidt een einde aan dit oeverloos bestaan
ik zucht & zie het licht al om ons heen vergaan
de riolen gorgelen traag de letters van uw naam

de maan verscherpt

de eenvoud in uw zacht gelaat: u straalt beaat
wijl onder ons het beeld van mensen in de straat
geheel uit barstend glas & luid geschreeuw bestaat

uw ademgloed

die mij behaaglijk vol omarmt, slaat weldra om in barre kou
Ik slik uw slijm & knoop mij op in u, gij zijt mijn levend touw.
Ik ken geen walg of vrees noch tederheid ik heb nu immers U,

een god als vrouw.

het is doorheen de horror ook dat ik u ken: gij zijt mijn dood
omdat ik enkel in u ben. De uren dat ik nader, nader bij u kwam
verliepen trager, trager & mijn leden werden lid & lam. Ik zit

nu diep in u

& vloei volledig in de weelde van uw kille leegte uit
mijn lust verhardt tot in mijn oog de volle gruwel glanst:
uw woord is steen, de stille vorm van nooit geuit geluid”.

Sizzle knikt & fluit:

“Gij zuigt niet slecht de verzen uit uw duim. Helaas
zijt gij daarvan nu enkel nog het glinsterende kopje,
slap & zwalpend als een roerloos schip, de grijzige

kern van mijn fluim.”

—————————————

Het zomert in de Kesselse bergen. Met een volle tongzoen laten we de zuivere lyriek effen voor wat ie is: langoureus, intens & tegen het einde aan broeierig van diverse koortsen, dus ook wel een beetje vermoeiend.

Na Anke Veld, een gevaarlijk actuele vorm van proza, duikt nu ook het hedendaagse epos (in stanza’s van drie tot vier langdradige verzen met een vierlettergrepige stekker) van Tante Sizzle en het Verzetshoofd” – geschikt voor November 2006 en hoger – hier en elders sporadisch weer op.

In dit fragment, waarvoor onze oprechte excuses, verwerkt zij vlug op onnavolgbaar modieuze wijze niet het oeuvre maar het eigenlijke corpus dividivius van H.P. Lovecraft. Het Corpus Dividivius is een artificieel in het leven geroepen codeklomp, verwant aan de befaamde Kesselse Slengerklumpf.

De harde kern van deze codeklomp wordt gevormd door het creatieve genie van Lovecraft zelf dat tot grote ontstentenis van het programma in kwestie de man zelf, door een bende losgeslagen filosofen in het Oxford van begin deze eeuw uit de doden is opgeroepen ( een vreemd ritueel involving lots of brandy and a limited set of emanations of the Unspeakable It, wondering about in the woods of the Knights who say Ni.

With strange aeons even death may die!

Sizzle den dichter op tant’-echte wijze het niets uitzoog ’s nachts &


vleeswoord.jpg

met haar slaafs veryoutubete muzen hem de schedelpan belaserlichtte. Liet hij die nacht
door de gitaarbegidste bezoeking van het hitsig-tengerschouderderige muzeding

bijna ’t leven,

– & gevlaagd vervolgens zij zei hem dezelfde nacht nog vol
& leegplukte hem het voorbeeld bij de daglichtvleugel ontstal – bij
de zon-aangedragen beelden evenwel als nachtoverlopige zijzelf kou

vatte, de kilte

stiekem inkroop haar : de verwerkende verwerking in het verwerken
het werk verhakende alsof zij haar hand een al te duidelijke duister in
had gewaagd, een te hoge verbinding beroerde, de Oude Spansnaar* zelf raakte,

wellicht, daar waar

het woord hand werd & ogenblikkelijk tot klankstof vervroor, boek maakte
& de te declameren verzen bewees met een statistisch aantoonbare stofneiging
tot vingervorming na de feiten. Alle pinken, O, averij opliep daar Tante

& als in sla

de slakken het mededogen bijna haar het rosse haar inkroop, spuugde vlug
zij dat het klaterde, dat het op de zielig hongerende kinderhoofdjes siste &
suizend haar zwerfkop, haar geilbil, haar in dertienduizend slangen uitlopende

sirenerige

goudlijf uit die oorden vlug verhief, vervloog van de woorddode looflanden
het lave & redde instoof van het verknetterende Sizzle-zijn, het zoet venijn
van niet een 1 & niet een geen maar enkel zij ’t singuliere Tante-zijn te zijn

zezezeze

zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzze
zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzze
zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzo

dat was beter.

Laat ons nu rusten o muze de dichter dacht & veilig zich waande die nacht.
Rijpte bij Tante het duivelse plan de dichter zijn muze te nijpen tot moes
ondertussen & de lezer met hangende kliffen speekselbedraad dit flutvers

achterliet suf.

———-

* OS – niet microsoft natuurlijk maar de MacroHard, aka de keikop van het Miss-Universum (Belgische zelfstandigen weten wel voor welke winkel hier in verdoken termen reklame wordt gemaakt…).