eentje van het huis


“Hij had alles verteld. De andere, die ouder was, hadden we maar meteen afgeknald, die zou toch niks lossen. Die zijn kop hing te bloeden op zijn schouder, dat maakt indruk, dan nijpt ge ze al, hoor.”

Den Bère vertelt over zijn legioen-jaren. Hij is vandaag vader geworden, komt het vieren aan mijn toog. “Na alles wat ik meegemaakt heb, weet ik nu pas wat het leven is”. Hij meent het.

“Hij lag daar, vastgebonden aan die dode, en we gingen met een gloeiende stok over zijn voetzolen, en hij verklapte alles, en toen heb ik mijn Uzi op hem leeg geschoten.

Bert is glazenwasser nu. Hij doet zijn werk zorgvuldig, geen vlekken, geen strepen, vakwerk. Hij deserteerde, is getrouwd dan. Hij is dronken, maar niet te erg. Hij weent.

Ik vul zijn glas. En het mijne. We drinken op het wonder van de geboorte.

inputtekst (1992):

Advertenties

lijst met een aantekening


  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WO2010 wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “WUNJO

opgave (4/7)


IV

Anke slaat heur lange benen over elkaar, de diafane zijde
schuift geluidloos over het oker van haar dijen.

jij, die geborgen gloed, het goed
dat je onze ogen doet


– Maaike

ze doet perfect wat er van haar verlangd wordt, volgt
tot de letter het protocol. ze is het protocol.

ze breekt met haar wijsvinger voorzichtig het zegel
ruikt even aan het topje van haar vinger
om de geur van was op te slaanontrolt
de rol. een slok water nog, een vlugge blik 
naar mij, het einde dat ik nog ben,
dit stompje van mijzelf.

en dan vangt ze vastberaden aan,
in klare stem, met de lezing van 


Anke Veld
of
de 8 Geschiedenissen van de Afloop, geschreven en schrijvende,

van en tijdens
de Ondergang

inputtekst (2010)

dv 2019 – “sa touffe le cœur noir de la lumière” – A6

verwezenlijken


Een van meer voorname functies binnen het geheel van de NKdeE-programmatuur is de aanmaak van programma’s die kunnen bijdragen tot het ‘verwezenlijken van het onmogelijke’.

Maar voor we tot het onmogelijke komen moeten we eerst ff een eitje pellen met dat woord ‘verwezenlijken’. Dat zullen we hier en nu doen. Lepeltje : lepel!

De gangbare betekenis van ‘verwezenlijken’ is bijna dezelfde als die van ‘realiseren’ maar zoals zovele woorden in onze prachtige Nederlandse taal kan je het eeuwenoude vernis op deze sublieme vertaling van het scholastieke potjeslatijn er ewa afkrabben en dan komt de Ware Worm van de natte al te Lage Landen weer vrij. De onvatbare Worm van het Gebeuren was ditmaal ingelegd in de beweging die hij maakte in afschuw weg van de kerker van het Zijn naar het wezen waar hij dan pardoes gefixeerd werd in het monstrum ‘wezenlijk’: gelijk een wezen. Het rook wat muf naar lijk, dat vond ook de als immer slecht betaalde vertaler van dienst maar bon, soit, het weze zo: het God’s heelal was pas volledig met deze nieuwbakken wezenlijkheden!

Nu het meest ongelooflijke aan dat aldus gefixeerde woord ‘wezenlijk’ is dat je het niet of ternauwernood kan gebruiken zonder een extra scheutje ‘zijn’.

Probeer het maar ‘s. Verzin een zin met ‘wezenlijk’ zonder toegevoegde ‘is’ of andere vorm van het werkwoord ‘zijn’.
Niet simpel è? Ik vond er niet dadelijk één, maar ik ben maar een dom dichtertje dus pleur de voorbeelden maar in de comments…

Dat heeft te maken, durf ik hier zomaar te stellen, met de onvermijdelijke pleonastische structuur van het Zijn zelf, hoe wij dat denken.

Het zijn komt pas met het zijn van het zijn tot zijn waarheid. Het zijn moet zijn of het is niet. Iets is pas wezenlijk als het wezenlijk is.

Als je bovenstaande drie zinnen enkele keren durft luidop lezen hoor je letterlijk het zijn gebeuren en daarmee zichzelf ontkennen, maar ja, dan moet je daar naar willen luisteren è, en het Zijn luistert niet, het zijn is: het is wat het is, zegt het Zijn .

Maar het is pas in toegepaste vorm dat het Zijn werkelijk haar kwaadaardige karakter toont. Bijvoorbeeld.

“De Liefde zeg je? Wacht ik zal jou wel ’s zeggen wat de Liefde is…de Liefde is ” en dan volgen menige andere woorden die totaal anders gebeuren dan hoe de Liefde gebeurt. Want zodra je woorden verbindt met het Zijn slorpt het onvermijdelijke pleonasme van het Zijn alles op en het enige wat rest is wat er is. Wat is de Liefde dan? Seg, hoort gij mij niet mss: het is wat het is è…

En van daaruit begint het Zijn dan al het gebeuren rond zich te vermoorden, te offeren aan de almacht van het Zijn, dat uiteraard ook enkel maar God kan zijn, of Iemand Anders die Het Zijn in Zich heeft.

Olla vogola! Doe die vernis er maar gauw terug op, of de Worm kruipt weer!

De eerste stap in de Neo-Kathedraalse ‘verwezenlijking van het onmogelijke’ is derhalve de sanering van die functie. We ontdoen ze van haar infectie met het Zijn, we de-ontologiseren haar. Voortaan noemen we deze functie het ‘Verwijzen van het Onmogelijke’. Al die wezen en die lijken gooien we ergens onder de dijk en we gaan voortaan het Onmogelijke Verwijzen (ja ik gebruik hoofdletters voor functies, in Java doet men dat ook, sorry è).

Verwijzen naar waar dan? Ah wat dacht u? Naar het Verleden natuurlijk, parbleu!

het


‘het’ in de RADIO KLEBNIKOV

in mijn ogen wellen de tranen om de dode zoon.
in mijn ogen staat gegrift het leed om de gestorven dochter.
in mijn ogen breken open koude zakken vol met bloed.
in mijn ogen helt het zinkende schip naar zinken.
in mijn ogen klaagt en kraait en lacht de kraai om ons.

in mijn ogen danst een lijk dat liefde heette.
in mijn ogen zitten ogen die de genocide leest.
in mijn handen bloeit de kennis en methode van het moorden op.
in mijn mond schreeuwt er een schreeuwen ‘er’ en schuurt de stem uit mij.
in mijn vingers knaagt de onmacht als een felle reumakramp.

door mijn armen trekt het leven weg en uit de lijven.
in mijn aders schuimt en snottert zwakte vol van zelfverachting.
in de nood kent men inderdaad zichzelf en daardoor ook zijn vrienden.

ik ben het.
ik ben het echt.
ik ben het helemaal.

het lacht. het weent. het danst en drinkt. het doet wat u en ik zouden doen.
het wil deeltjes vangen van mijn as in de bewegingen die ik hen leerde.
het zoekt restanten van verlangen in het rot waar ooit mijn tulpen stoeiden.
het breekt de aarde open in een geile hunker naar wat rust en peis.
het vindt daar helder slechts het felle blinken van een zeis.
het is de grimas op een dood en zwaar verminkt gelaat.

het schrijft dat ik het ben en het bestaat.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘la main se ferme: elle aime le rien que je suis’ -A6

mithra


dv 2018 – “mithra” – ink & pencil A5

het is donker geworden.
je staat er al uren, in de sneeuw, veel te dun gekleed. verkleumd moet je zijn, maar je geeft geen krimp.
je wacht. en wacht.

je wacht op mij. maar als ik kom, verbaast het je niet. verheugt het je niet.
ik zie dat je merkt dat ik er ben, eindelijk, maar dat verandert niets want je lijkt te weten wat er komt.

de sneeuwvlokken zijn vallende blokken zwart in het licht van de straatlantaarn. ik begin tegen je te praten. waarom sta je daar? waar wacht je op? denk je dat ik het ben die je gaat verlossen? denk je dat echt?
je bent een stomme trut weet je dat, een onnozele teef, een waardeloze lor, een vod.

haar gezicht is bespat al met mijn speeksel, mijn razernij glimt in het licht.
ze zegt niets. ze maakt mij bang.

“schat kom je nou? wat sta je nou in die spiegel te loeren, knapper word je er niet van hoor!”

om dienaar te worden van mithras diende je volgens sommige bronnen aanvankelijk in een soort nauwe arena, een put in de tempel een stier te overvallen om die met één haal de keel over te snijden. deskundigen gaan ervan uit dat het een variant is op de (auto-)castratierituelen in andere mysteriediensten.

thuiskomen in het schrift


wat duiding bij de verhouding tussen beeld en tekst in de NKdeE schrijfprogramma’s

Het woord ‘embleem’ komt van het Grieks ‘emballein’ (iets ergens in of tussen gooien/plaatsen); het was oorspronkelijk de benaming van decoratief inlegwerk in vloeren, op vazen en meubels..
De emblemen, vooraleer zij als tekst-beeld combinatie echte autonome functies kregen in de emblematamode (na het overweldigende succes van het Emblematum Libellus van  de Italiaanse jurist Andrea Alciato vanaf 1531) waren dus eerst gewoon versieringen, decoratieve prentjes bij de tekst. Pas toen de toverformule eerder toevallig aansloeg werd het genre geboren.
Bij de productie van die embleemboeken waren de prenten duidelijk veel duurder in aanmaak dan de teksten. De houtgravures waren zeer kostelijk in aanmaak en ze  werden opgebouwd uit herbruikbare onderdelen om de kosten te drukken. Sommige prenten werden ook meermaals gebruikt met totaal verschillende teksten. Hélène Diebold geeft in haar boek ‘Maurice Scève et la poésie de l’ emblème’ een zeer degelijk verslag van de verhoudingen tussen de mensen die bij zulk een productie betrokken werden en het was zeker niet altijd de auteur die het laatste woord had over het uiteindelijke product.

https://classiques-garnier.com/maurice-sceve-et-la-poesie-de-l-embleme.html

Waarom vertel ik dat allemaal? wel met name in het Harusmuzeprogramma is die oude embleemvorm een duidelijke inspiratie, een hertaling zelfs van (hopelijk) de betovering die er destijds uitging van die nieuwe publicatievorm en het doelbewust aanwenden van beeld-tekst combinaties bij de ontwikkeling van een schrijfpraktijk in de overgesatureerde online informatiestroom.
Nu, de analogie tussen die oude emblemen en mijn huidige programma’s is enkel vol te houden/relevant als je de verhoudingen tussen de objecten in de boekcultuur omzet in verhoudingen tussen activiteiten, processen, programmaverloop in mijn I/O schrijf- en leescultuur.
Je moet die vastzittende concepten wat dynamiseren zoals de Kathedraalse Gignomenologie het Zijn vaarwel zegt en de ontologie in beweging zet. Een object is in mijn denken altijd slechts een leeg kader, een noodzakelijk kwaad, een louter technisch benodigde ‘handle’ om een levend proces programmatorisch te benaderen, om het in een beheersbaar handelingsverloop te leggen en het daar ook meteen weer los te laten.

Aldus, bij het Harusmuzeprogramma wordt niet het product, de tekening maar de tekenactiviteit ingepast in de schrijfactiviteit en gaat het specifieke van de activiteit haar stempel drukken op het verloop van het schrijfprogramma (de auteur als testcase, in casu ik) 

Bij het Harusmuzeprogramma  is het tekenen duidelijk de hoofdroutine : ’s avonds wordt er een digitale ‘sketch’ op de Adobe app op het android-tablet gemaakt en ’s morgens neemt de ‘ouderwetse’ tekening het avondwerk als input. Pas dan wordt er middels een I Tching meditatie gezocht naar een ‘titel’ voor de tekening, een tekstueel ‘besluit’ dus aan heel het proces. De digitale sketch krijgt ook wel steevast een ‘comment’ mee (in Java-stijl, met twee schuine strepen) wanneer die gepost wordt op de sociale media, maar het is duidelijk dat ook in deze huishouding de hoofdmoot van de investering in tijd naar het tekenen gaat.

Bij verdere vergelijking met de functie van de emblemen in het lopende Neo-Kathedraalse Scèveonderzoek zal later blijken dat het specifieke  embleemgebruik bij Scève soortgelijk is met die in het Harusmuzeprogramma: er is in beide gevallen sprake van een ‘grafische’ denktrant die doorgetrokken wordt in de semantiek van de teksten en (in mindere mate) ook omgekeerd.
Het meditatieve aspect van beide praktijken zal hierin van doorslaggevend belang zijn (zie daarvoor het boek van Michael Giordano) want ook bij Scève zijn de emblemen vaak het vertrekpunt voor een tekstueel verder gezette meditatie en is Délie zelf als muze ook voornamelijk een richtpunt in de contemplatie, zoals de ondertitel van het werk al aangeeft, een idool. De visualisering staat dus in dienst van de contemplatie en de tekst poogt deze contemplatie op navolgbare wijze te representeren.

https://books.google.be/books?id=yyLcbGLWi6YC

Bij het Gedicht van de Dag programma en ook op LYRIEK heeft de noodzaak aan een dagelijks prentje (teksten worden in de hectische netomgeving niet meer gelezen of aangeklikt als er geen prentje bij staat) gezorgd voor meer afstand tussen het schrijf- en het tekenproces, in die mate dat er soms/meestal geheel geen verband meer lijkt te bestaan tussen wat geschreven wordt en wat op welke wijze dan ook al prentje geproduceerd wordt.

Het is vrij evident ( in de tekeningen) dat het asemische schrift in deze praktijken een cruciale brugfunctie heeft omdat enkel daar het gesturale als ontmoetingsplaats tussen schrijven en tekenen kan worden ingericht, de asemische praktijk is niet minder dan een import- en exportmodule in het geheel van het programmaverloop, een module die dusdanig zal moeten worden ontwikkeld dat ze garant kan staan voor een overdracht zonder gegevensverlies (een quasi onmogelijke opdracht).

Te technisch allemaal voor u? Wel taal=techniek, dat is nu eenmaal nooit anders geweest en het is voor de Neo-Kathedraalse praktijk een evidentie dat een hedendaagse schrijfpraktijk streeft naar een actuele techniek en dat je dus als auteur je handen moet vuilmaken in die techniek. 
Dat geldt niet alleen wat betreft de noodzakelijke kennis van actuele media, vlot werken met CMS-systemen zoals WordPress en de zelfredzame uitbouw van een promotiestroom in de sociale media, die hedendaagse schrijftechniek is en blijft (verrassend genoeg) in de eerste plaats ook verbonden met het handschrift.
Het zal menige wenkbrauwen doen fronsen, maar het belangrijkste gevolg van de IT-revolutie blijkt voor het (literaire) schrijven niet de toepassing van allerlei high tech op haar praktijk te zijn, maar het vrijkomen van haar primaire ontwikkelingsstadia voor het creatieve domein: het handschrift dat bevrijd wordt van haar plicht om te ‘betekenen’ zoals indertijd de schilderkunst door de fotografie bevrijd werd van haar noodzakelijke mimesisfunctie.
Bij de ontwikkeling van deze nieuwe autonomie van het handschrift zoeken we dan weer wel onmiddellijk aansluiting bij het IT-gegeven: naar equivalentie met de code als gemeenschappelijke locus voor alle ‘artes’ (alles wordt bestand, muziek, grafiek, de letteren, film alles =code) ontdekken we dat we het handschrift ook kunnen inrichten als ‘coderingsplatform’ voor het lyrische, de ‘vrije’ gedachte, waarbij de vrijheid slaat op de benadering van het denken als beweging, als gebeuren, zonder dat het in (tekst)objecten dient gemortificeerd te worden in de stasis van het Zijn.
De NKdeE voorspelt hier met hopelijk veel wantrouwen wekkende poeha dat de oude droom van het gesamtkunstwerk zich, alle multi-mediale inzetten ten spijt en  op geheel onverwachte wijze via het schrift zal manifesteren. NKdeE voorspellingen, weet u,  zijn eigenlijk doodsaaie statements van het onvermijdelijke in een reeds geheel voltrokken evolutie, maar we dienen hier te voorspellen dat het nog wel effen zal duren vooraleer men de onvermijdelijkheid daarvan kan plaatsen in een minstens rationeel ogend betoog…

Okè, dat volstaat wel zo.

Van deze ontwikkeling maken we nu het experimentele stadium mee, maar de eerste onderzoeksresultaten wijzen er al op dat de praktijk van de asemische schriftcodering  zorgt voor een serieuze boost in het esthetisch genot en in het algemeen een heilzame werking heeft op de geestesgesteldheid van de beoefenaar. Al schrijvende komen we thuis, we vinden onze roots terug in onze handen.

Het menselijk bewustzijn is immers in onze visie niet enkel te localiseren in het brein, het menselijk bewustzijn is ook vooral een ‘handig’ bewustzijn en de taal zal daardoor altijd met het schrift, het kribbelen, verbonden blijven, hoe clean of complex onze omgang met de lopende code ook verder wordt uitgebouwd. als we voorbijgaan aan dat manuele, aan het intuïtieve van de gestiek, verliezen we ook het verschil dat het verschil maakt t.o.v. de artificiële intelligentie en maken we wellicht op termijn al onze activiteit overbodig, enfin dat is mijn mening daarin, maar het weze gezegd, dat is een gelijk waar ik maar al te graag vanaf zou willen omdat de kans nu eenmaal zeer klein is dat mijn onderzoek en de ingenomen standpunten ooit serieus zullen worden genomen. Ik kan het, samen met u dan weliswaar, hoe dan ook schudden met mijn gelijk.

Wij denken te kunnen leven in wat wij planmatig kunnen vatten maar we vergeten daarbij dat het vatten een gebaar is van onze handen. we kunnen de onontkoombaarheid van onze besluiten bewijzen maar wie wijst er naar wie? Ach, de ideologische retoriek ligt hier erg verleidelijk en letterlijk voor de hand, maar wat haalt dat uit? Ik denk dat enkel het tonen van een werkende praktijk enige overtuigingskracht kan bezitten en aangezien de praktijk sowieso uiterst aangenaam is zou ik enkel mijn tijd verdoen met u op schalks beredeneerde wijze te willen overtuigen van het potentiële belang van deze zaken.

Het NKdeE schrijfprogramma probeert op die manier haar zeer bescheiden bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van sensibiliserende vormen van creativiteit, sensibiliserend in die zin dat het een praktijk betreft die bevorderlijk is voor de mens in geheel zijn zintuiglijke verbondenheid met en in de wereld, voor zijn geestelijke gezondheid dus, want overal waar die verbondenheid zoekt, raakt zien we sinds de eerste aliënerende effecten van de werking van het geïndustrialiseerde kapitalisme tot in onze hyper gemediatiseerde tumulten het geestelijk lijden van de mens als een trieste constante, samen met de daaruit bijna rechtstreeks voortvloeiende extreme vormen van agressie en geweld, verdrukking en veronachtzaming van de zwakkeren, enfin alles wat wij ‘onmenselijk‘ plegen te noem in ons al te menselijk gedrag.