kermis


een verjaardagstractatie

het is kermis.

de pleinen van Stad zijn één woelen van schelle geluiden, schreeuwerige kleuren en vette vreet-en drankwalmen.
hoog in de najaarslucht aarzelt Zon tussen het uitbranden van de viezigheid daar beneden en het zich hullen in dikke natte wolken. maar voor het branden heeft Zon zo laat op het jaar niet meer de kracht en de wolken vluchten weg van zijn afschuw. ‘als je zo doet, helpen we je niet’, zeggen de wolken die zich maar snel verder het land in laten waaien.

tussen de ontzette huizengevels die al hun luiken toeknijpen en de opdringerige kramen en attracties stroomt er een sliertige brij mensen, een weke deining die zich door de engten murwt als een slang. de brij zet een stevige laag af tegen de stoepranden van bevuilde vochtige plastics, voos papier en besmeurd karton.

Brij stroomt in drie snelheden.

één heel trage die zich, hongerig naar sensatie, vertakt heeft tot diep in de lunaparcs, de spiegelpaleizen, de spookkastelen en dat glijdend over de drankterrassen rondom gedrapeerd ligt als een ranzig kleed.

een tweede, iets snellere in tegengestelde zin, waarvan de lijven geil willen schuren tegen de tragere lijven maar die zich daarvan weten te weerhouden. de hoofden wijzen wel voortdurend als vectoren de plekken aan waar zich jongere, naaktere lijven bevinden. Zon vlamt in vlagen hevig op dat naakt zodat ze nog heftiger oplichten in het gewoel.

en daar schieten dan ook de schichtige elementen op af in Brij, haar derde snelheid die zich a-lineair, kriskras doorheen de andere twee deelstromen beweegt, ze kortstondig bespikkelt als schuimkoppen in openluchtriolen.

Brij houdt van deinen en schuren en schuiven, maar ze zou gans ongelukkig zijn zonder haar oplichtende schichtjes.

niet stil blijven staan is de boodschap, denkt Geest, in beweging blijven. zonder beweging word je aangegrepen.

door het half-rotte hout van het opstapje naar de kassa van de tredmolen met schurftige pony’s bijvoorbeeld, waar een zweterig type met een scheve neus en ingevallen wangen hem begluurt als een prooi, een bron van inkomsten. de houtnerven der plankjes verlaten, door hem daartoe bevolen, hun rottende hardheid en trekken zich als geanimeerde arabesken door tot in zijn schoenzolen, in het leder, op zijn enkel, langs de voering van zijn broek op zoek naar een holte, een kans op doorbraak.

of door de glinstering in de diep-blauwe ogen van de slanke blondine die geen tanden blijkt te hebben, en wiens tong in de afschrikwekkende leegte van haar mond een smakkend zuigen laat afwisselen met een heftige klak, een moorddadige trek- en kraakbeweging die je perfect hoorbaar kan volgen, in slowmo ziet gebeuren ook, hoewel ze een tiental meters verderop tussen de loeiende boxen van het lunapark heftig gesticulerend tussen haar vriendjes staat te lonken. nu ze denkt dat ze beet heeft begint het strakke roze rokje donker tussen haar benen te verkleuren en vliegen er al stukjes plastic en papier van de stoep op naar het nieuwe wormgat daar.

Geest wendt vlug de gedachten en knijpt in de hand van Elan en beiden verzuchten eendrachtig de wens op een ogenblikkelijke locatiewissel.
thuis in Grot ligt de kleine Afschuw in eigen drek te snikken omdat het niet mee mag naar Museum de volgende achttienduizend keer.

‘als je zo doet, helpen we je niet’ zegt Geest, en Elan plooit dubbel van het lachen terwijl Geest haar penetreert en ze joelend opgaat in driften.

Advertenties

eentje van het huis


“Hij had alles verteld. De andere, die ouder was, hadden we maar meteen afgeknald, die zou toch niks lossen. Die zijn kop hing te bloeden op zijn schouder, dat maakt indruk, dan nijpt ge ze al, hoor.”

Den Bère vertelt over zijn legioen-jaren. Hij is vandaag vader geworden, komt het vieren aan mijn toog. “Na alles wat ik meegemaakt heb, weet ik nu pas wat het leven is”. Hij meent het.

“Hij lag daar, vastgebonden aan die dode, en we gingen met een gloeiende stok over zijn voetzolen, en hij verklapte alles, en toen heb ik mijn Uzi op hem leeg geschoten.

Bert is glazenwasser nu. Hij doet zijn werk zorgvuldig, geen vlekken, geen strepen, vakwerk. Hij deserteerde, is getrouwd dan. Hij is dronken, maar niet te erg. Hij weent.

Ik vul zijn glas. En het mijne. We drinken op het wonder van de geboorte.

inputtekst (1992):

lijst met een aantekening


  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WO2010 wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “WUNJO

opgave (4/7)


IV

Anke slaat heur lange benen over elkaar, de diafane zijde
schuift geluidloos over het oker van haar dijen.

jij, die geborgen gloed, het goed
dat je onze ogen doet


– Maaike

ze doet perfect wat er van haar verlangd wordt, volgt
tot de letter het protocol. ze is het protocol.

ze breekt met haar wijsvinger voorzichtig het zegel
ruikt even aan het topje van haar vinger
om de geur van was op te slaanontrolt
de rol. een slok water nog, een vlugge blik 
naar mij, het einde dat ik nog ben,
dit stompje van mijzelf.

en dan vangt ze vastberaden aan,
in klare stem, met de lezing van 


Anke Veld
of
de 8 Geschiedenissen van de Afloop, geschreven en schrijvende,

van en tijdens
de Ondergang

inputtekst (2010)

dv 2019 – “sa touffe le cœur noir de la lumière” – A6

verwezenlijken


Een van meer voorname functies binnen het geheel van de NKdeE-programmatuur is de aanmaak van programma’s die kunnen bijdragen tot het ‘verwezenlijken van het onmogelijke’.

Maar voor we tot het onmogelijke komen moeten we eerst ff een eitje pellen met dat woord ‘verwezenlijken’. Dat zullen we hier en nu doen. Lepeltje : lepel!

De gangbare betekenis van ‘verwezenlijken’ is bijna dezelfde als die van ‘realiseren’ maar zoals zovele woorden in onze prachtige Nederlandse taal kan je het eeuwenoude vernis op deze sublieme vertaling van het scholastieke potjeslatijn er ewa afkrabben en dan komt de Ware Worm van de natte al te Lage Landen weer vrij. De onvatbare Worm van het Gebeuren was ditmaal ingelegd in de beweging die hij maakte in afschuw weg van de kerker van het Zijn naar het wezen waar hij dan pardoes gefixeerd werd in het monstrum ‘wezenlijk’: gelijk een wezen. Het rook wat muf naar lijk, dat vond ook de als immer slecht betaalde vertaler van dienst maar bon, soit, het weze zo: het God’s heelal was pas volledig met deze nieuwbakken wezenlijkheden!

Nu het meest ongelooflijke aan dat aldus gefixeerde woord ‘wezenlijk’ is dat je het niet of ternauwernood kan gebruiken zonder een extra scheutje ‘zijn’.

Probeer het maar ‘s. Verzin een zin met ‘wezenlijk’ zonder toegevoegde ‘is’ of andere vorm van het werkwoord ‘zijn’.
Niet simpel è? Ik vond er niet dadelijk één, maar ik ben maar een dom dichtertje dus pleur de voorbeelden maar in de comments…

Dat heeft te maken, durf ik hier zomaar te stellen, met de onvermijdelijke pleonastische structuur van het Zijn zelf, hoe wij dat denken.

Het zijn komt pas met het zijn van het zijn tot zijn waarheid. Het zijn moet zijn of het is niet. Iets is pas wezenlijk als het wezenlijk is.

Als je bovenstaande drie zinnen enkele keren durft luidop lezen hoor je letterlijk het zijn gebeuren en daarmee zichzelf ontkennen, maar ja, dan moet je daar naar willen luisteren è, en het Zijn luistert niet, het zijn is: het is wat het is, zegt het Zijn .

Maar het is pas in toegepaste vorm dat het Zijn werkelijk haar kwaadaardige karakter toont. Bijvoorbeeld.

“De Liefde zeg je? Wacht ik zal jou wel ’s zeggen wat de Liefde is…de Liefde is ” en dan volgen menige andere woorden die totaal anders gebeuren dan hoe de Liefde gebeurt. Want zodra je woorden verbindt met het Zijn slorpt het onvermijdelijke pleonasme van het Zijn alles op en het enige wat rest is wat er is. Wat is de Liefde dan? Seg, hoort gij mij niet mss: het is wat het is è…

En van daaruit begint het Zijn dan al het gebeuren rond zich te vermoorden, te offeren aan de almacht van het Zijn, dat uiteraard ook enkel maar God kan zijn, of Iemand Anders die Het Zijn in Zich heeft.

Olla vogola! Doe die vernis er maar gauw terug op, of de Worm kruipt weer!

De eerste stap in de Neo-Kathedraalse ‘verwezenlijking van het onmogelijke’ is derhalve de sanering van die functie. We ontdoen ze van haar infectie met het Zijn, we de-ontologiseren haar. Voortaan noemen we deze functie het ‘Verwijzen van het Onmogelijke’. Al die wezen en die lijken gooien we ergens onder de dijk en we gaan voortaan het Onmogelijke Verwijzen (ja ik gebruik hoofdletters voor functies, in Java doet men dat ook, sorry è).

Verwijzen naar waar dan? Ah wat dacht u? Naar het Verleden natuurlijk, parbleu!

het


‘het’ in de RADIO KLEBNIKOV

in mijn ogen wellen de tranen om de dode zoon.
in mijn ogen staat gegrift het leed om de gestorven dochter.
in mijn ogen breken open koude zakken vol met bloed.
in mijn ogen helt het zinkende schip naar zinken.
in mijn ogen klaagt en kraait en lacht de kraai om ons.

in mijn ogen danst een lijk dat liefde heette.
in mijn ogen zitten ogen die de genocide leest.
in mijn handen bloeit de kennis en methode van het moorden op.
in mijn mond schreeuwt er een schreeuwen ‘er’ en schuurt de stem uit mij.
in mijn vingers knaagt de onmacht als een felle reumakramp.

door mijn armen trekt het leven weg en uit de lijven.
in mijn aders schuimt en snottert zwakte vol van zelfverachting.
in de nood kent men inderdaad zichzelf en daardoor ook zijn vrienden.

ik ben het.
ik ben het echt.
ik ben het helemaal.

het lacht. het weent. het danst en drinkt. het doet wat u en ik zouden doen.
het wil deeltjes vangen van mijn as in de bewegingen die ik hen leerde.
het zoekt restanten van verlangen in het rot waar ooit mijn tulpen stoeiden.
het breekt de aarde open in een geile hunker naar wat rust en peis.
het vindt daar helder slechts het felle blinken van een zeis.
het is de grimas op een dood en zwaar verminkt gelaat.

het schrijft dat ik het ben en het bestaat.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘la main se ferme: elle aime le rien que je suis’ -A6

mithra


dv 2018 – “mithra” – ink & pencil A5

het is donker geworden.
je staat er al uren, in de sneeuw, veel te dun gekleed. verkleumd moet je zijn, maar je geeft geen krimp.
je wacht. en wacht.

je wacht op mij. maar als ik kom, verbaast het je niet. verheugt het je niet.
ik zie dat je merkt dat ik er ben, eindelijk, maar dat verandert niets want je lijkt te weten wat er komt.

de sneeuwvlokken zijn vallende blokken zwart in het licht van de straatlantaarn. ik begin tegen je te praten. waarom sta je daar? waar wacht je op? denk je dat ik het ben die je gaat verlossen? denk je dat echt?
je bent een stomme trut weet je dat, een onnozele teef, een waardeloze lor, een vod.

haar gezicht is bespat al met mijn speeksel, mijn razernij glimt in het licht.
ze zegt niets. ze maakt mij bang.

“schat kom je nou? wat sta je nou in die spiegel te loeren, knapper word je er niet van hoor!”

om dienaar te worden van mithras diende je volgens sommige bronnen aanvankelijk in een soort nauwe arena, een put in de tempel een stier te overvallen om die met één haal de keel over te snijden. deskundigen gaan ervan uit dat het een variant is op de (auto-)castratierituelen in andere mysteriediensten.