thuiskomen in het schrift


wat duiding bij de verhouding tussen beeld en tekst in de NKdeE schrijfprogramma’s

Het woord ‘embleem’ komt van het Grieks ‘emballein’ (iets ergens in of tussen gooien/plaatsen); het was oorspronkelijk de benaming van decoratief inlegwerk in vloeren, op vazen en meubels..
De emblemen, vooraleer zij als tekst-beeld combinatie echte autonome functies kregen in de emblematamode (na het overweldigende succes van het Emblematum Libellus van  de Italiaanse jurist Andrea Alciato vanaf 1531) waren dus eerst gewoon versieringen, decoratieve prentjes bij de tekst. Pas toen de toverformule eerder toevallig aansloeg werd het genre geboren.
Bij de productie van die embleemboeken waren de prenten duidelijk veel duurder in aanmaak dan de teksten. De houtgravures waren zeer kostelijk in aanmaak en ze  werden opgebouwd uit herbruikbare onderdelen om de kosten te drukken. Sommige prenten werden ook meermaals gebruikt met totaal verschillende teksten. Hélène Diebold geeft in haar boek ‘Maurice Scève et la poésie de l’ emblème’ een zeer degelijk verslag van de verhoudingen tussen de mensen die bij zulk een productie betrokken werden en het was zeker niet altijd de auteur die het laatste woord had over het uiteindelijke product.

https://classiques-garnier.com/maurice-sceve-et-la-poesie-de-l-embleme.html

Waarom vertel ik dat allemaal? wel met name in het Harusmuzeprogramma is die oude embleemvorm een duidelijke inspiratie, een hertaling zelfs van (hopelijk) de betovering die er destijds uitging van die nieuwe publicatievorm en het doelbewust aanwenden van beeld-tekst combinaties bij de ontwikkeling van een schrijfpraktijk in de overgesatureerde online informatiestroom.
Nu, de analogie tussen die oude emblemen en mijn huidige programma’s is enkel vol te houden/relevant als je de verhoudingen tussen de objecten in de boekcultuur omzet in verhoudingen tussen activiteiten, processen, programmaverloop in mijn I/O schrijf- en leescultuur.
Je moet die vastzittende concepten wat dynamiseren zoals de Kathedraalse Gignomenologie het Zijn vaarwel zegt en de ontologie in beweging zet. Een object is in mijn denken altijd slechts een leeg kader, een noodzakelijk kwaad, een louter technisch benodigde ‘handle’ om een levend proces programmatorisch te benaderen, om het in een beheersbaar handelingsverloop te leggen en het daar ook meteen weer los te laten.

Aldus, bij het Harusmuzeprogramma wordt niet het product, de tekening maar de tekenactiviteit ingepast in de schrijfactiviteit en gaat het specifieke van de activiteit haar stempel drukken op het verloop van het schrijfprogramma (de auteur als testcase, in casu ik) 

Bij het Harusmuzeprogramma  is het tekenen duidelijk de hoofdroutine : ’s avonds wordt er een digitale ‘sketch’ op de Adobe app op het android-tablet gemaakt en ’s morgens neemt de ‘ouderwetse’ tekening het avondwerk als input. Pas dan wordt er middels een I Tching meditatie gezocht naar een ‘titel’ voor de tekening, een tekstueel ‘besluit’ dus aan heel het proces. De digitale sketch krijgt ook wel steevast een ‘comment’ mee (in Java-stijl, met twee schuine strepen) wanneer die gepost wordt op de sociale media, maar het is duidelijk dat ook in deze huishouding de hoofdmoot van de investering in tijd naar het tekenen gaat.

Bij verdere vergelijking met de functie van de emblemen in het lopende Neo-Kathedraalse Scèveonderzoek zal later blijken dat het specifieke  embleemgebruik bij Scève soortgelijk is met die in het Harusmuzeprogramma: er is in beide gevallen sprake van een ‘grafische’ denktrant die doorgetrokken wordt in de semantiek van de teksten en (in mindere mate) ook omgekeerd.
Het meditatieve aspect van beide praktijken zal hierin van doorslaggevend belang zijn (zie daarvoor het boek van Michael Giordano) want ook bij Scève zijn de emblemen vaak het vertrekpunt voor een tekstueel verder gezette meditatie en is Délie zelf als muze ook voornamelijk een richtpunt in de contemplatie, zoals de ondertitel van het werk al aangeeft, een idool. De visualisering staat dus in dienst van de contemplatie en de tekst poogt deze contemplatie op navolgbare wijze te representeren.

https://books.google.be/books?id=yyLcbGLWi6YC

Bij het Gedicht van de Dag programma en ook op LYRIEK heeft de noodzaak aan een dagelijks prentje (teksten worden in de hectische netomgeving niet meer gelezen of aangeklikt als er geen prentje bij staat) gezorgd voor meer afstand tussen het schrijf- en het tekenproces, in die mate dat er soms/meestal geheel geen verband meer lijkt te bestaan tussen wat geschreven wordt en wat op welke wijze dan ook al prentje geproduceerd wordt.

Het is vrij evident ( in de tekeningen) dat het asemische schrift in deze praktijken een cruciale brugfunctie heeft omdat enkel daar het gesturale als ontmoetingsplaats tussen schrijven en tekenen kan worden ingericht, de asemische praktijk is niet minder dan een import- en exportmodule in het geheel van het programmaverloop, een module die dusdanig zal moeten worden ontwikkeld dat ze garant kan staan voor een overdracht zonder gegevensverlies (een quasi onmogelijke opdracht).

Te technisch allemaal voor u? Wel taal=techniek, dat is nu eenmaal nooit anders geweest en het is voor de Neo-Kathedraalse praktijk een evidentie dat een hedendaagse schrijfpraktijk streeft naar een actuele techniek en dat je dus als auteur je handen moet vuilmaken in die techniek. 
Dat geldt niet alleen wat betreft de noodzakelijke kennis van actuele media, vlot werken met CMS-systemen zoals WordPress en de zelfredzame uitbouw van een promotiestroom in de sociale media, die hedendaagse schrijftechniek is en blijft (verrassend genoeg) in de eerste plaats ook verbonden met het handschrift.
Het zal menige wenkbrauwen doen fronsen, maar het belangrijkste gevolg van de IT-revolutie blijkt voor het (literaire) schrijven niet de toepassing van allerlei high tech op haar praktijk te zijn, maar het vrijkomen van haar primaire ontwikkelingsstadia voor het creatieve domein: het handschrift dat bevrijd wordt van haar plicht om te ‘betekenen’ zoals indertijd de schilderkunst door de fotografie bevrijd werd van haar noodzakelijke mimesisfunctie.
Bij de ontwikkeling van deze nieuwe autonomie van het handschrift zoeken we dan weer wel onmiddellijk aansluiting bij het IT-gegeven: naar equivalentie met de code als gemeenschappelijke locus voor alle ‘artes’ (alles wordt bestand, muziek, grafiek, de letteren, film alles =code) ontdekken we dat we het handschrift ook kunnen inrichten als ‘coderingsplatform’ voor het lyrische, de ‘vrije’ gedachte, waarbij de vrijheid slaat op de benadering van het denken als beweging, als gebeuren, zonder dat het in (tekst)objecten dient gemortificeerd te worden in de stasis van het Zijn.
De NKdeE voorspelt hier met hopelijk veel wantrouwen wekkende poeha dat de oude droom van het gesamtkunstwerk zich, alle multi-mediale inzetten ten spijt en  op geheel onverwachte wijze via het schrift zal manifesteren. NKdeE voorspellingen, weet u,  zijn eigenlijk doodsaaie statements van het onvermijdelijke in een reeds geheel voltrokken evolutie, maar we dienen hier te voorspellen dat het nog wel effen zal duren vooraleer men de onvermijdelijkheid daarvan kan plaatsen in een minstens rationeel ogend betoog…

Okè, dat volstaat wel zo.

Van deze ontwikkeling maken we nu het experimentele stadium mee, maar de eerste onderzoeksresultaten wijzen er al op dat de praktijk van de asemische schriftcodering  zorgt voor een serieuze boost in het esthetisch genot en in het algemeen een heilzame werking heeft op de geestesgesteldheid van de beoefenaar. Al schrijvende komen we thuis, we vinden onze roots terug in onze handen.

Het menselijk bewustzijn is immers in onze visie niet enkel te localiseren in het brein, het menselijk bewustzijn is ook vooral een ‘handig’ bewustzijn en de taal zal daardoor altijd met het schrift, het kribbelen, verbonden blijven, hoe clean of complex onze omgang met de lopende code ook verder wordt uitgebouwd. als we voorbijgaan aan dat manuele, aan het intuïtieve van de gestiek, verliezen we ook het verschil dat het verschil maakt t.o.v. de artificiële intelligentie en maken we wellicht op termijn al onze activiteit overbodig, enfin dat is mijn mening daarin, maar het weze gezegd, dat is een gelijk waar ik maar al te graag vanaf zou willen omdat de kans nu eenmaal zeer klein is dat mijn onderzoek en de ingenomen standpunten ooit serieus zullen worden genomen. Ik kan het, samen met u dan weliswaar, hoe dan ook schudden met mijn gelijk.

Wij denken te kunnen leven in wat wij planmatig kunnen vatten maar we vergeten daarbij dat het vatten een gebaar is van onze handen. we kunnen de onontkoombaarheid van onze besluiten bewijzen maar wie wijst er naar wie? Ach, de ideologische retoriek ligt hier erg verleidelijk en letterlijk voor de hand, maar wat haalt dat uit? Ik denk dat enkel het tonen van een werkende praktijk enige overtuigingskracht kan bezitten en aangezien de praktijk sowieso uiterst aangenaam is zou ik enkel mijn tijd verdoen met u op schalks beredeneerde wijze te willen overtuigen van het potentiële belang van deze zaken.

Het NKdeE schrijfprogramma probeert op die manier haar zeer bescheiden bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van sensibiliserende vormen van creativiteit, sensibiliserend in die zin dat het een praktijk betreft die bevorderlijk is voor de mens in geheel zijn zintuiglijke verbondenheid met en in de wereld, voor zijn geestelijke gezondheid dus, want overal waar die verbondenheid zoekt, raakt zien we sinds de eerste aliënerende effecten van de werking van het geïndustrialiseerde kapitalisme tot in onze hyper gemediatiseerde tumulten het geestelijk lijden van de mens als een trieste constante, samen met de daaruit bijna rechtstreeks voortvloeiende extreme vormen van agressie en geweld, verdrukking en veronachtzaming van de zwakkeren, enfin alles wat wij ‘onmenselijk‘ plegen te noem in ons al te menselijk gedrag.

Vertel mij, Tijd…(Lode Kok 2009)


“Vrijheid. Wat is vrijheid ? Vrijheid is niet wat wij als vrijheid vereren, vrijheid is niet die veelbelovende lege ruimte in onze gedachten, vrijheid is geen peis en vrede, vrijheid is de wilde woekering van het zelfzuchtige binnen de grenzen van het toelaatbare. En er over. Ver er over”. Lode Kok scandeerde de woorden en stond zijn publiek niet toe de aandacht te verliezen in gemopper of gemompel.

12 april 2009, 20u00 MET. Hij was uitgenodigd door het Humanistisch Verbond van A., het provinciestadje waar hij nog school had gelopen omdat hij in sommige kringen gold als een ‘experimenteel schrijver’ met ‘vooruitstrevende ideeën’. Het zou hun beste dag niet zijn. Hij was stipt begonnen en keek nu vernietigend naar een bruinogige met een gitzwarte paardenstaart achteraan die te laat en dus nerveus en nu onhandig ook nog naar haar zitplaats stommelde.

[gestommel]

Paardenstaartje zit, ze strijkt haar rokje glad, het gezichtje hoogrood aangeschoten. Lode kijkt, Lode ziet haar, voorbij de sluiers van haar bruine ogen en ze weet het.  Hij gaat verder:

« Vrijheid is geen uitnodigende leegte, geen geruststellende ruimte, geen comfortzone, geen huiselijk ding. Vrijheid is zelfs geen vatbaar begrip. Met het woord ‘vrijheid’ benoemen we een gewelddadig, excessief  proces van overheersing, vernietiging vanuit een blind, naar binnen gekeerd midden, een alles opslokkende vreetkern die wat het niet verteren kan onmiddellijk weer afscheidt in een woeden rond zich. Vrijheid ontsnapt aan het benoembare omdat het een verlangen is dat zichzelf ontvlucht. Je kan niet zeggen wat jij onder vrijheid verstaat want dan is het geen vrijheid meer, dan kan het niet meer razen. Vrijheid is een vloedgolf, een storm, een onlesbare dorst, een tsunami  die wat het niet slikken of vernietigen kan verwerpt langs de weg van de minste weerstand ». Paardenstaartje slikt zichtbaar en maakt een knoopje van haar blouse los. Het wipneusje trilt.

 

Myriam had hem verleden week gedumpt voor Roland, een gespierde, cokesnuivende motard met een voorliefde voor exotische reizen en Dark Ambient Drone, het soort muziek waarvan de liedjes minimaal 12 minuten lang dezelfde volle wav-grafiek geven in Audacity. Dat soort genie.
Lode gaf daarbij geen krimp. Hij sliep niet, at nauwelijks maar hij gaf geen krimp. De Lode in de spiegel  ’s ochtends was een scharrelende kakkerlak op de met brandijs geplaveide bodem van de échte hel, die ònder die van Dante. Lode keek niet meer in de spiegel. De gebenedijde Myriam had haar wonderlijke werk perfect gedaan: hij had begrepen dat het zijn lot was, dat hij altijd alleen zou blijven, ongeliefd en onbegrepen ook, hoe kon het anders? Er was de vloek al, die hem nooit verlaten zou. En dan, wie houdt het langer dan enkele maanden uit bij een monomane sociopaat  die dag na dag 15 uur met het ‘Werk’ bezig is? Het ‘Werk’ was immers zijn ‘vrijheid’, zijn alles bepalende …vloek.

 

Het Werk kiest en het Werk beschikt. Soit, voorlopig kon hij nog wel seks en affectie scharrelen op gelegenheden als deze, maar de toekomst lag als een bloot bot in de woestijn voor hem te bleken: hij zou eindigen zoals Nietzsche, zoals Baudelaire, zoals Joyce, Goethe, zoals iedere uitverkorene : neurotisch, lijdende aan duizend kwalen en kwaaltjes, absoluut vereenzaamd, verslaafd aan drank, medicijnen en wat dan ook er dan op de markt nog betaalbaar is voor een uitgeslotene, een ongewenste, een vervloekte. Soit.


Maar zo ver waren we nog niet. Eerst dit nog.

“Vrijheid is niet het doel van het individu, vrijheid maakt het individu. Vrijheid is voor het nog vormloze individu een onbereikbaar Buiten, een onmogelijkheid die het Binnen van het Zijn aanmaakt en bepaalt. Het Zijn immers, en het ‘ik’ dat is daarin, is immers niet een ‘gegeven’ maar het product van een humaan verlangen waarvan het vrijheidsstreven een modaliteit is. Vrijheid bootstrapt het stuurloze bewustzijn in een loop van rauw, objectloos verlangen en lanceert  het in de waanzin van de identiteit. De identiteit is een grotesk monster, een staketsel van grijpen en graaien rond een obscene leegte, een mormel vol maden en wormen en stinkende  lompen rond een stalen geraamte met vlijmscherpe stekels en huid-afschurend braam. Een buitenaards het dat schreeuwt om bevestiging, spiegels, omarming en verwerping, liefkozing en kwelling zodat het zich kan uitklaren tot een lieflijk klontertje kwikzilver, een ongrijpbaar maar supersterk ik, de  Nengelse Moeder van elke Abonimatie”

 

paardenstaartje

Zo ging het toen. Ergens midden in het duffe zaaltje begonnen kille horrorbeelden van Myriam met de glazen blik van het murwe slachtoffer onder een acefale bloedbestreepte neukstier te versmelten met een warm-gouden gloed waarin Paardenstaartje heur blouse uitdagend aan heur pinkje liet bengelen en heur staartje ontbond tot een wervelende cascade van zachte diepzwarte glans.  ‘3D projectie van visuele associaties als hulpmiddel bij het verwerken en memoriseren van hoog-informatieve lezingen’: Lode borg het ideetje weg en schoof de fantasieën opzij tot het tijd was voor de realiteit die uiteindelijk vrij goed aan de verwachtingen voldeed. De kleine burgerij van A. applaudisseerde driftig, het virus van het fascisme 2.0 was afgeleverd in de daartoe voorbestemde kweekpoel. Maar vooral: het zuchtje dat Paardenstaartje liet bij het klaarkomen was misschien vrijwel onhoorbaar maar o zo verslavend. Hij is nog steeds op zoek naar een manier om de hoogst frêle maar immens rijke luister daarvan op een gepaste manier in zijn theorie te verwerken. Een nieuwe ero-module in het VELD-programma, misschien?

De Tijd vertelt het wel.

de eeuw van vekemans


O de dagen voor de vlaamsche verkiezingen! de oostakkerse kraaien lekkerbekken en de hagelandse heksen kirren!

hoogdagen zijn het voor de zweepzuchtigen der anti-politiek want niet alleen worden er de meest laag-bij-de-grondse roddels over de tegenstanders uitgespit en uitvergroot tot misbaar van de antichrist, elke politica met wat teint van vreemde origine toont zich dan ook ongegeneerd bloot in al haar machtswellust, de make-up van de image-building ligt er immers bij elke beweging zo dik op dat het heur barst in het onverbiddelijke licht van de media. imposant zij spartelt op de schermen als een uit haar schaal en harnas bevrijdde Alien en het gif uit heur tentakels brandt gaten in het wegdek onder de Reyerstoren en in het Neder-Vilvoordse. maar ook de autochtone mannen in hun scheve reservezitjes laten niks aan de verbeelding over en kinnebakken gezapig, grijnzen zich grijs in het gevolg van hun pionnen.

nochtans zijn velen ooit gestorven voor het stemrecht dat wij haten. de desillusie is er vooral ook onder de jongeren niet minder om. we leven niet alleen in de tijd van het fake news, de politici van onze lage landen zijn ook allen ten prooi gevallen aan het monster van de fake policy. Jaja, lieve duimelkinders: niet voor niets noemt men onze decennia in de leergangen later de eeuw van Vekemans! Een overschatting natuurlijk want langer dan de toestand  nu al duurt kan het echt wel niet blijven duren!

waaruit bestaat dan dit fenomeen van de fake policy? wel, in essentie gaat het om de re-engineering van een gebeurende gebeurtenis met als doel het eigendomsrecht van de betreffende gebeurtenis op te eisen als maaksel van eigen werf.

sta mij toe deze gevatte definitie even ‘uit te pakken’ zoals de bloggende filosofen het heden zo treffend weten te formuleren in hun met ICT-termen versneden crap of the day: zo’n zin is dan een zip-bestand in dat taaltje, een densiteit die ik dan naar uw harde schijf zal decomprimeren zodat u ze in alle klaarte kan lezen.

het is simpel genoeg, want wat doet een politicus van de fake policy? wel zij focust op een ‘heet item’ in de sociale media, een zich afspelende gebeurtenis die velen beroert. neem als voorbeeld de vluchtelingencrisis* of de economische conjunctuur
de bedreven fake policy-adepte gaat nu een analyze maken, het gebeuren dusdanig uit elkaar halen dat ze het in haar eigen logica terug kan samenstellen en presenteren als een gevolg van haar beleid. het feit dat er sinds haar aanstelling zoveel minder illegalen in het land zijn wordt omgezet naar ‘door haar beleid zijn er zoveel minder illegalen in ons land’. of zij beweert staalhard dat haar beleid voor een heropleving van de economie heeft gezorgd terwijl het in feite lamentabel is dat er met de huidige hoogconjunctuur geen sikkepit is gedaan om ons toch een beetje minder afhankelijk te maken van vreemde olievretende monopolisten voor onze energievoorzieningen.

de analogie met de fake media-strategie is duidelijk: voor de fake-media maak je gewoon gebruik van het volstrekt scheefgegroeide mechanisme in de media die zich kost wat kost moeten verkopen aan hun publiek en dus enkel brengen wat dat publiek wil horen. iedereen weet dat men leugens slikt omdat men leugens wil, maar jij ‘durft het tenminste te zeggen, dat het allemaal fake is,  jij bent ‘nog eerlijk’ ook al heb je dan soms wat ‘alternatieve feiten’ nodig

bij het fake-policy maneuver maak je dankbaar gebruik van de evidente machteloosheid van elk beleid om nog beleidsdaden te stellen die enige werkelijke impact hebben op het globale gebeuren. iedereen weet dat de aangekondigde maatregelen niks gaan uithalen (de complexiteit daarvan gaat ons humane petje gewoon te boven omdat we er zelf als agens en als product in zitten verweven), dat de beloftes niet realiseerbaar zijn maar jij kan middels je lichtjes omgebogen feiten (het zgn. ‘fact tweaking’, er is een verschil met ‘alternative facts’) tenminste bogen op echte feiten, dingen die echt gebeuren.

de combinatie van beide strategieën zorgt voor een eclatant succes. Leve de fake-technologie!

 

zwam
‘het ‘Programme’ van Georges Bataille voor zijn Societé des Acéphales, een  secte van intellectuelen die nog net geen (of net wel?) een ritueel mensenoffer brachten om ‘de onderlinge verbondenheid te stimuleren’. Sylvia is gaan lopen van Georges toen, in de blijde armen van Lacan. We zien hier Bataille als voorloper van de ‘Nick Land strain’ in het Accelerationisme, de intellectuelen variant van het fake policy denken: alsof al die theorie één zak gaat veranderen aan hoe de dingen om ons evolueren…het Accelerationisme in die variant is zo makkelijk ontmaskerd als een ‘collaboratie met de apocalyps’

 

* plotse stijging in de jaren ’10 van het aantal immigranten uit Afrika in Europa voornamelijk veroorzaakt door de toenemende zelforganisatie van de Afrikaanse bevolking onder invloed van de ook daar betaalbaar geworden smartphones, de desillusie bij het mislukken van de Arabische Lente en ook nog wel door wat andere factoren maar het zou ons te ver voeren etc. enfin ge hebt ook wikipedia è

vochten voor anke


pornolettristenode* aan de gemeente Doel en haar restbewoners (mei 2009)

het is fijn om een doel te hebben in het leven. doel. d d doe
oe oe oe oe_el lll lelele.l l l lee ee hee éééééévvvv v e n n nn.
laat tongen klank hakken uit het bloeden van letters. spuw. anke
is het veld waar ik sta opgespannen rond de gaatjes in mijn lijf.

het ik aarzelt niet, het kent geen twijfel, het sist haar naam als
hoofdverdachte in oorverdovend zwijgen. annnngggke. nke. vleuh
vld. vleuh de. veult. het fijnere ik frutselt aan behahaakjes. het
dringt in, dipt de vingers diep in zomp van de waarheid. slik

mij in als oester, en als je korrel voelt, verwek ik je een parel. snij.
lepra treft mijn handen, vingerkootjes dansen weg van mij. jij
draait beheerst een hoofddoek rond je nekslag,  je zweet een mij uit,

je voelt mij glijden op je rug als in nat gras een gezapige slang. buit
zit er in de grijphuid, je voelt kadaver van nood en wending, besluit
echter laat op zich wachten, vochten komen uit als schandalen. het

 

4/5/2009  rev. 29/09/2018

 

 

*een pornolettristenode geeft traditioneel geen ene moer om  haar onderwerp maar schept een bijna mechanisch-zinnelijk genoegen in het contingente samenklonteren van haar letters. het pornolettrisme is geen literatuur. 

 

vochten
dv 2018  – ‘vochten’ – pastel – A5

over ‘La Vie Sexuelle…’


Het kan, op een onverhoeds moment, misschien verbazing wekken dat enerzijds alle takken van het alom florerende kunstbedrijf zich genoeglijk bedienen van de geneugten en voordelen van de hedendaagse informatietechnologie en dat zij zelfs pogen al de nieuwe mogelijkheden daarvan optimaal te integreren in hun praktijk om zich niet langer als Grote Kunst maar nu als Grote Digitale Kunst verkocht te krijgen, een soort plusmama in het nieuw samengestelde gezin van de commercie en de cultuur, maar dat anderzijds het schrijven, en in het algemeen wat zich onder het tegen afdoende betaling vrijelijk verstrekte en zich verder op ondoorgrondelijke criteria beroepende label van de ‘Literatuur’ om de gunsten van de fel belaagde consument aanbiedt, dat die kunstbedrijfstak zich als enige vooralsnog nergens lijkt te bedienen van wat toch een algemeen erkende vorm van Vooruitgang is en zich voordoet als geheel onaangeroerd door  alle technologische vernieuwingen.

Het schrijven zou nog steeds het aloude vertrouwde authentieke Schrijven zijn, een moeizaam bevochten Meesterschap dat door intense cultivatie van een hoogst mysterieus fenomeen genaamd ‘schrijftalent’ verworven werd door de unieke Schrijver, een haast onwereldlijk Genie dat zich enkel met de Grootsten der Aarde hoeft te meten, zozeer buiten Kijf staat zijn voornoemde Talent. En al zeker buiten de Keffers die niet door de marketingsgestuurde stofzuigers van de mediaconcerns zijn opgevist om als Manusje van dienst te figureren dat de door hen vakkundig ge-exploiteerde Gouden Pen mag vasthouden voor op de foto’s en de filmpjes op You Tube.

Evenwel, correctie, ik hoor het u zelf al denken,  het moet zijn: haar talent, want sinds kort zijn de Hevig Getalenteerden om weeral diezelfde mysterieuze Redenen statistisch niet langer onder de lelijke venten van 50 en ouder te vinden, maar vooral en eerder onder de bloedmooie meiden tot 30 (na deze leeftijd bereikt te hebben stromen de dames probleemloos door naar het Bekende Personencircuit waar zij enkel om de vijf jaar nog ’s een zoveelste Meesterwerk moeten (laten) publiceren om zo hun BP-status te bestendigen).

Maar goed, in deze Grote Koenstbedrijvigheid zou er nagenoeg niksnadazilch sprake zijn van enige verandering in de schrijfpraktijk onder invloed van het IT-fenomeen. Net zo min als dat, zoals collega Benders ook al vast kon stellen, commerciële belangen ook maar Iets zouden te maken kùnnen hebben met het al dan niet publiekelijk verstrekken van het label ‘Literair’. Geen Sprake Van!

Ondertussen zit sinds de tijd dat Wordperfect nog de industry standard onder de tekstprocessoren was natuurlijk elk geil naar de aanstormende dames uitkijkende heerschap dat met de commando’s cut en paste ietwat uit de voeten kon  zich een pleuris te samplen om toch maar iets leesbaars, oh sorry: verkoopbaars aan de allengs minder happige uitgevers te slijten. Die uitgevers leggen ondertussen jaar na jaar meer en meer gedetailleerd de ‘formats’ van de aan te leveren schrijverij vast en verwijzen kandidaten gaarne door naar de vele workshops waar de reeds productiebekwame exemplaren mogen gaan bekomen van het extreem lage aandeel in de winst dat hen van het geleverde vertaal- of schrijfwerk werd aangeboden, take it of de hoepel.

De mythe evenwel, de grote mythe van het ‘Schrijverschap’ waarbij niets dan Talent en Meesterschap aan te pas kwam, die moest uiteraard ten alle prijzen worden in stand gehouden. De mythe van het auteurschap was immers de voornaamste ROI-garantie van het zich aanschaffen van het literatuurlabel door de alsmaar gehaaider wordende uitgevers. De boekjes zelve ondertussen worden alsmaar minder tijdsbestendig, niet enkel onverkrijgbaar na een maand of twee maar ook letterlijk: durf ze niet echt ook ’s te gaan lezen of het low-budget geprinte spul valt moegebladerd en uiteengereten ter aarde…

De overheden wouden en willen die arme uitgevertjes bij hun ROI-zorgen anders maar al te graag bijstaan, dat was immers goed voor het hoog in het politieke vaandel gedragen gemeengoed van de Culturele Industrie, die Participatief was en Vrij! Mijn gedacht!

Zo schiet het Vlaamse Fonds voor de Letteren bij het opstellen van hun auteurslijsten nog steevast de financieel  belanghebbenden te hulp door ieder die niet bij een der aangesloten bedrijven heeft ‘gepubliceerd’ ( lees: zijn/haar lijf, leden en al dan niet vakkundig neergepote gedachten ter exploitatie aan desbetreffende firma heeft aangeboden), er niet moet op rekenen om in hun ‘auteurslijst’ te worden opgenomen en zo aanspraak te kunnen maken op subsidie bij het zich als auteur aan het publiek voor lezingen e.d. aan te bieden. Het criterium voor (literair) auteurschap is dus het criterium voor (literair) auteurschap zoals dat als dusdanig wordt verkocht bij volgende bedrijven…aja want die betalen daarvoor jaarlijks hun lidgeld bij de ‘boekenclub’.

In Vlaanderen winden ze er dus geen doekjes om: als het niet commercieel is, is het voor het VFL ook geen literatuur. Het is wat het is è, simpele selder!

***

Bon, soit en inderdaad: laat het maar zijn wat het was. Ik kies voor wat het kan worden nog en schrijf sinds 1996 in weerwil van die ‘stand van zaken’ en ook wel om die zakelijke stand in een wat breder kader transparant te maken en tegen het licht van de geschiedenis te houden aan gratis online raadpleegbaar spul zoals het programma genaamd ‘La Vie Sexuelle de Charles Baudelaire’. Want voor de distributie van sinds jaar en dag gemarginaliseerde teksten zoals wat aansluiting zoekt bij de literaire traditie hoef je niksnadazilch nog te betalen, dat kan zomaar, hier op internet.

De vraag die ik met mijn sinds 1998 lopende praktijk van de online-schrijverij, een nu toch al 20 jaar volgehouden vorm van exemplarisch activisme,  poog te beantwoorden is niet waarom ge online zou schrijven. Ik wil helemaal geen vragen beantwoorden, ik stel ze liever zo goed mogelijk, en dan straks nog wat beter en duidelijker, want alleen met goede vragen komen we een stap verder weg van de immer opdoemende ondergang. Ik stel die vragen eerst aan mijzelf en dan pas aan de anderen, ik wil niemand persè embeteren è, alleen maar als het echt niet anders kan.

Dè vraag die mijn ‘voorbeeldige’ praktijk natuurlijk en na twintig jaar bijna schreeuwerig stelt is waarom doen de anderen het ook niet. Maar dat zijn mijn zaken niet è, dat is niet mijn probleem. Ondertussen genereert mijn volgehouden praktijk wel met vaak alles behalve ‘simpele’ of populistische inhoud regelmatig een pak meer lezers dan eender welke ‘normaal’ gepubliceerde ‘bundel’. En vind ik, ik mag daar alleen in zijn, ik wet het niet want men zwijgt overal rond mij in alle talen, vind ik dat ik er in slaag om op geheel vrijblijvende wijze (“ge zou bv. dit kunnen doen’) heel erg relevante dingen naar voren te schuiven als het gaat om mogelijke invullingen van de online-schrijverij. De idee dat iedereen auteur is en dat lezen en schrijven twee modaliteiten zijn van een en dezelfde activiteit is een van de inzichten die je enkel online kan verwerven, waar de share cultuur toch nog wat naspartelt na de het uitzetten van de rigide exploitatienetten van de ‘sociale’ netwerkapps.

Men noemt mij ‘radicaal’ maar wat is er in hemelsnaam radicaal aan het pogen hedendaagse techniek te verzoenen met hedendaagse concepten rond auteurschap?
Soit, slaapt maar voort, denk ik dan.

Die ‘La Vie…’ zoals ik het kortweg ben beginnen noemen, wel het is letterlijk een schrijfprogramma zoals heel mijn Neue Kathedrale des erotischen Elends een programma is, dat een gecodeerde handelingverloop dat  haar eigen algoritmen volgt en verder doorloopt, zich poogt uit de drukken in eender welk expressieveld dat het in haar loop ontmoet en dat zulke ‘expressievelden’ poogt te populeren met ‘offspring’, levensvatbaar nageslacht in de vorm van afgesplitste programma’s,  verder autonoom doorlopende routines en zelfs onverholen haar omgeving wil besmetten door de doelbewuste distributie van virale packages die andere agent-auteurs kunnen besmetten met haar eigen ‘praktijk’ of tenminste enkele ‘Klassen’ daarvan. Ik poog daarbij bewust het onderscheid tussen een machinale agent en een humane auteur te laten vervagen in de autonomie van het algoritme, omdat die grens in mijn wereldje op dit ogenblik het meest interessante breukvlak is waardoor het vernietigende magma van het Reële opspuit en onze fantasietjes en reducerende ficties verpulvert: dat is waar in mijn ogen de actie is, dezer dagen, maar in die overtuiging ben ik natuurlijk ook maar het kindje van mijn tijd, geheel tandeloos ondertussen terug en nog immer zonder glazen bol, dedju!

Ziet ge, mijn schrijfpraktijk is een echte praktijk, onverkoopbaar en onafscheidelijk aan mijn persoontje gelinkt, dus als ik die verlies dan heb ik niks meer, dus ik verdedig die praktijk letterlijk met mijn leven want, o wonder:  die praktijk ontkent niet de verworvenheden van het digitale tijdperk of de informatietechnologie, die praktijk IS een deel van die technologie en die situatie waarin al het menselijke zich bevindt en  als een echte codewerker (een concept van de onvolprezen Alan Sondheim) gebruik ik mijn lopende code bij mijn doorgedreven onderzoek naar de hedendaagse functies en mogelijkheden van het aloude concept ‘Auteur’, omdat ik geloof dat zulk een fundamenteel onderzoek waarbij je alles op het spel zet de enige vorm van hedendaags schrijverschap is waarin enige zin te ontwaren zou kunnen zijn, en omdat ik onnoemelijk triest word om te moeten meemaken en zien hoe erg het gesteld is met wat ooit de zo glorieuze gedeelde praktijk van het Schrijven was in onze contreien en daarbuiten, want wat ik in mijn jeugd las en bewonderde was geschreven met net die ingesteldheid en sprak in elke bewaarde letter die gedrevenheid uit.

Maar goed, zoiets moogt ge blijkbaar zelfs niet luidop meer denken want het is wat het is è…KMK en KMP, begot, niets zal nog zijn wat het was, ooit. Soit.

Morgen  29/08/2018  om 02:03 verschijnt van dat programma alvast de uitdraai van de ‘advertentie’, een soort aankondigende manifest-editie van de routine die het in de volgende zes tekstfragmenten ‘denkt’ te gaan doorlopen, enfin ‘denkt’ omdat ik het zo al geprogrammeerd heb. Deze keer mengt het enten gesneden uit het tekstcorpussen van de ‘Tableaux Parisiens’ uit ‘Les Fleurs du Mal’ en van ‘Le Spleen de Paris’ met stukskens van een gedicht van godbetert Georg Trakl en wordt het in het simultaan lopende afbeeldingsprogramma datAsemic readings’ van de teksten produceert bijgestaan met o.m. plaksels gesneden uit een handboek voor geestelijke gezondheidszorg uit de jaren ’50 en ‘blote madammen’ geaquarelleerd met boerewormenkruidextract, een zelf gefabriceerde bio-kleurstof die wat op bister lijkt maar stroever is en meer kleurvast (en vliegen verjaagt in plaats van aantrekt want als ge met bister bezig zijt komen de vliegen ervan eten, echt waar!)

Ik zal het eerste prentje er hier al bijdoen, dan moet ge morgen maar denken ‘eh tiens dat ken ik precies van ergens’ en d’r ’s op klikken om het te ‘checken’…

Allez Vooruit!

LVdCB_ad04

bibNotes #1 – Theo van Doesburg


bibNotes?

nieuw NKdeE- programma, in testfaze. het gaat als volgt:

STAP 1:

  • ga naar een redelijk grote stadsbib [ik ga naar Leuven]
  • kies een dode ‘kunstenaar’ K
  • pak alles dat van K beschikbaar is naar een leestafel en spendeer daar min. een uur mee
  • maak wat nota’s/tekening op A6 tekenpapier

STAP 2 :

  • ‘verwerk’ uw notities:
    • werk de tekeningen af, kleur ze in
    • zoek bijkomende info op internet
    • scan alles in en zwier het op een blog, ev. met wat uitleg, extra tekstuele output, appreciatie, vertel wat er gebeurde, geef opmerkingen…. link ‘interessante namen naar extra info (wikipedia, musea e.d.)
    • zorg ervoor dat je minsten 1 andere naam hebt om te researchen de volgende keer (= output ‘kunstenaar’ L) (check de beschikbaarheid van de output in de online bib-catalogus!)
    • mep tijdig de binnen geslopen vliegen tot spijs

bibNotes #1

INPUT: ‘kunstenaar’ Theo van Doesburg

Theo van Doesburg (1883-1931)

arpeen

Theo is not my cup of tea. Die paragraaf alleen al, hij gebruikt het maar 1 keer hoor. Iemand die vooral kunstenaar wil zijn. Wil het Maken.

Met slierten Hegel nog. De these is de Kunst tot Theo. De antithese is Dada met I.K. Bonset. De synthese is het Constructivisme met Theo.

Hollandse vakjes. Vakjes Holland. De Duitsers vinden het chewèldug. Nu ja, het ligt aan mij: het concept ‘architectuur’ zoals de meeste Modernisten dat hadden gaat er bij mij al niet in, die top-down ingrepen. De enige vorm van architectuur die bij mij genade vindt is die van de Middeleeuwen of de ‘geologische’ van Louis G. Le Roy: stenen stapelen en tien jaar laten verwilderen.

Bij het bladeren rust ik uit bij de gezichten van Hans Arp. “Sjonge, wat heeft die het hoog zitten”, zeggen ze, zonder monden.

 

petronella

De wereld is een kleine spermamolen. In het Frans verkoopt dat wel.

De blaaskaken met de grootste teut hebben steevast de meest adorabele vrouwen. Ze zijn, dat is de regel,  aan hem gebonden met en door hun enige zwakte, voor de rest zijn ze welhaast perfect. Intelligent, kwiek, bodemloos getalenteerd, mooi, wellustig en tjokvol Liefde met een L die alle K’s van tafel kegelt.

Vaak zouden het duizend keer betere ‘kunstenaars’ geweest zijn, maar ze weten wel beter: met die piemeltrekkerij om de Grootste Jan bijeen te joekelen, maak je geen nest voor wat  geluk, laat staan een dageind vol tevredenheid.

Petronella heet ze en ze laat zich de vermannelijkingen lachend welgevallen. Ze stuurt haar Doesje als een volleerde pimp de beste straten op;

Op het ene werk van haar dat in het Grote Boek mocht staat een ‘wit kannetje’ op zo’n kleurvakkentoestand. Een paar krullen verf, meer is het niet. Ze signeert de krullen ‘cupera’ met een flinke zwier onder de c en verwijst daarmee al de rest naar de prullenmand.

Naamloos-1

In de ‘catalogus’ van het werk staan ook de literaire exploten van Theo afgedrukt. De aandoenlijke jeugdmijmeringen gaan naadloos over in de van Schwitters gepikte hoge ironie (genre ‘Anna Blume’, dezelfde overtrokken toon waarmee Wim Helzen net te goed is om helemaal om te gieren te zijn).

Hij toert ermee rond, Dada is entertainment, vooral, je kan er munt uit slaan.

De enige tekst waar ik mij niet meteen aan blauw ergerde is in het Frans, alweer: ‘Madapolan’ uit het derde Mecano-nummer (de NKdeE ‘cluster’ MECANOLODIAMAURO van 2006 heeft de resten van die publicatie ingebakken in haar letterdwang).

I.K._Bonset_Madapolan

Ik noteer nog vlug wat namen (het netwerk van onze van Doesburg zit echt wel knatsvol met het Ware Werk) zodat ik op weg kan, weg van deze Schotse Lippen en terug mijn geliefkoosde Niets in, om Cupera te vergeten:

Peter Rôhl
Victor Servranckx
Leon Tutundjian
Raoul Hausmann
Marthe (Tour) Donas

mecano-3-voor-download_

De Theosofie en Einstein komen bij Duchamp con suis samen in de Vierde Dimensie, dat heeft Linda Dalrimple Henderson ons geleerd, we gaan het nooit vergeten. Vergeef mij dat ik andere mixturen van hetzelfde brouwsel verkies boven de Doesburgse variant…

 

OUTPUT: Marthe ‘Tour’ DONAS en Hans (Jean) ARP

 

of/of (5)


Roept luide allen dat ik schuldig ben aan arrogantie, zelfoverschatting en blinde verwaandheid! Tag mij in elk netwerk met die termen en als een mager damhert met rake pijlen in de kont zal ik mij kermend nedervlijen en deze, mijn allezieligste bekentenissen afkondigen aan de mij dan schielijk ontvriendende massa.

 

fernande1.jpg
dv 2018 – “Fernande #1”

Het is maar al te waar! In mijn wolk van glinsterende waan heb ik het gewaagd de weerloos dode Kierkegaard in staat te achten om een overbodig stuk tekst in zijn werk te hebben achtergelaten, een deeltje waarvan ik dacht ach ja dit is dit en dat en zus en zo en omdat nou eenmaal toen en indertijd…ach, kom dit slaan we over want het is om niet.

Wel euh….

Mooi niet. Nauwelijks 20 bladzijden verder dan het punt waar ik het opstel ‘De Weerspiegeling van het Antieke Tragische’ had gelaten voor wat ik dacht (sic) dat het was, een epaterende boutade die de heersende klasse der academische estheten met glans in eigen vet deed sudderen (dat doet het ook, maar ach, leest verder), nog geen twintig bladzijden verder na die onvergeeflijke miskenning van het dwingende in de voortgang van de schriftuur van – ik moet het nu wel grif toegeven- mijn meerdere, word ik terug gefloten als een koel poëet in boxershort, een blonde workshopkiek met blitse dijen, een op de subsidieweiden grazend stuk onbenul met lange oren en een tot veelgatige Goudakaas geknipte staart.

Het volgende stuk, ‘Schaduwbeelden’ is een gefingeerde toespraak aan het al even fictieve gezelschap van de ‘Symparavekromenoi’, de ‘mede-afgestorvenen’, de ‘vrienden van het leed’. In een recursie van de ironie vindt de ironicus het meest ironische als de diepste ernst terug die er de oorzaak van was dat hij, en de ironie met hem, op zichzelf terugviel, niet anders kon dan lachend verworden tot een pose van het lachen om de pose die zij en hij met haar aan de zoeker van het ware en het schone had opgedrongen omdat deze te laf was om de sprong te wagen van het geloof dat hem oversteeg, letterlijk zijn verstand te boven ging. De auteur wil dit aantonen door met de hem eigen trefzekerheid bij herhaling te landen op een eerder gemaakt punt, ik lees en zie het punt, weet en besef tot in mijn meest gebezigde tikvinger dat het niet anders zijn kan dan een herneming in het zorgvuldig opgebouwde gemeengoed van de schrijver en de lezer, de gedeelde leesherinnering,  de tweede meest vertrouwde intimiteit die er tussen twee mensen kan bestaan, een meer geestelijke vorm die misschien minder tot genot van een van beiden strekt maar ten minste een der partijen toch de verzekering van de mogelijkheid tot herhaling kan bieden, iets waar je in bed schrijvenderhand wel kan prat op gaan, maar waarvan niemand enige garantie in de ontvankelijkheid van de ander kan leggen, laat staan hard maken.

Is het niet ironisch dat ik als een blinde trap in deze val? Dat het voorafgaande ‘betoog’ niet meer, maar vooral niet minder was dan voorspel tot de sublieme entre-acte met de toverlantaarn? Dat deze regisserende auteur zijn doortrapt publiek door en door kent, zodat hij hun afdruipen en met de staart tussen de benen terugkrabbelen al ontvangt door te wijzen op alle andere mogelijke verschillen tussen het antieke en het moderne drama, buiten het ene evidente dat het moderne drama een leesdrama is, dat dus ook herlezen kan en herlezen moet worden?

Hou ik niet om soortgelijke redenen, ook jullie jarenlang in spanning al omtrent de avonturen van de genaamde Anke Veld? Wil ik niet al schrijvende betogen dat ik niet het werk en jullie maak, maar jullie mij en mijn werk een vorm van mij die geheel de uwe is? Sterf ik niet een eendere dood als gij mij steekt,  if you poison us, do we not die? 

Ach lieve lezeressen, wees niet te streng voor mij: dezelfde hitte die de immer schone rondingen van uwe lichamen gevangen houden in een naargeestig web van geïrriteerde onaantastbaarheid en hoogst hinderlijk geurend zweet, drijft mij ook in mijn lectuur tot een haast die niet conform is met de grandeur van uw verlangens, het diepe koele meer dat in uw sterrenogen lonkt.

Ik faalde jammerlijk en wou te snel vooruit wanneer terughoudendheid en trage reflectie aangewezen was. Hoe zou het dat een meester als Kierkegaard zijn lezeressen, die waarlijk niet voor jullie, niet in schranderheid of geestsouplesse, noch in lichaamstover en gratie moesten onderdoen, hoe zou hij het hen willen aandoen om een betoog van 23 gedrukte vellen ter lezing te presenteren als het was om niet?

Mooi niet. Ik grijp, met uw goedvinden, lieve dames, dus terug in wat ik stout een stiekem gedeelde handeling met u wou noemen nu, onze lezing van Of/Of, een onbesproken samenzijn van u en ik, de arme verwaande die dingt om uw gratie, uw betonglipt lachje en uw like: ik grijp uw handje dat sierlijk al op de verre pagina 203 te midden ‘Schaduwbeelden’ de geneugten streelde van het gereflecteerde leed en leg het zachtjes neer terug op pagina 153 waar een diepe mannenstem, niet geheel ongelijk aan het ooit doorrookte en met lust bezwangerde ruisen uit mijn larynx het betoog waarin wij zo publiekelijk geheim samen verwijlen, verderzet met de woorden “Als iemand zou zeggen: het tragische blijft toch altijd het tragische,…”

Evenwel, om toch enigszins deze ellendig jammerende amende te amenderen en vermits ik toch al onverhoeds een blik mocht werpen, vooruit op een uit de bossen rond het Spaanse klooster nederdalende totaal ontredderde Donna Elvira, slachtoffer nummer 823 van 1003 van de harteloze Don Juan op het nu daarbuiten verzengende Iberische schiereiland, wil ik jullie toch al enige koelte reiken op de tong, met deze frisse haal in een haiku naar het beeld dat de meester uitvoerig schetst van deze scène op de pagina’s 202-203 (ja leg maar effen al jullie vingertjes op de boeksnede daar, het is ondraaglijk heet nog steeds en dus nu vast wel ook door jullie echtgenoten toegestaan)

DONNA ELVIRA

De bomen schudden.
Het bos ontwaakt. Elvira
snikt, en daalt, en daalt.

lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”