krak


In een prieeltje uitgeharkt in de onaflatende opwelling van g*ds grote gemoed, een scheet waarvan de stank geen namen heeft, zit een naarstig wijf bot te vloeken. De wanden druipen glanzend van het ijzige niets & vermenigvuldigen de kleine okeren ruimte eindeloos.

Je hoort haar afwisselend zuchten, tieren, met rauwe keelklanken alles & iedereen  onverstaanbaar vervloeken. Bezwerend fluisteren & onaanhoorbaar schreeuwen. Elke klankenreeks in weer een geheel nieuwe taal. Het doet wat denken aan het vocale werk van Giacinto Scelsi, maar haar geluid is nogal vrijblijvend bovenop de aanhoudende  bromtoon geplakt die zich in het kamertje ophoudt als een gevangen mot. G*d’s grote liefde, ontpopt in een grot.

Op haar dijen hangt haar rok halfstok lusteloos te fladderen. De blouse die van het priemen van haar schoudertjes golft, is van een eendere rode stof die van doorschotenheid eerder roze oogt & hier & daar zelfs het blauwig-oranje schijnsel  van de voering vertoont of een onrustwekkend duister waarin je haar tanige huid weet glanzen.

Zij is bezig met het aanspannen van snaren, veel te strak op een krakend stuk gebogen hout. Het rozige hout waarvan de soort mij totaal onbekend is,  kan elk moment gaan barsten & breken. In de hoek ligt er al een aardige hoop van die afgestorven materie, generfd nog met de looplijnen van het leven er kriskras in. Ze glanzen gelig, alsof ze nog vocht afgeven. Twee knoesten zijn het telkens,  met de centrale spiraal uitgebogen van de wortel weg tot een stompe pijl.

Seffens komt weer die droge krak.

schets van een gedachtengang in grote terts



Bon. Neemt allen de vieze brij bij het uitgaanspunt.

Als uitgaanspunt pakken we effie de hypothese dat de analogie van de programmatie die ‘doorslaat’ naar het reële, de ontologie van de nerd, zeg maar, daadwerkelijk steek houdt. De wereld in de zak van de theoreticus gestoken als een lopend programma.

Niet eens zo gek, zo’n briljant aandoende reductie: Er zijn daar boeken over geschreven, filmpjes rond gemaakt. Denk maar aan de Matrix-trilogie, het woelen van de theoretische onderbouw daarvan in het oeverloos uitdeinende proza van de tekstspuwer Baudrillard, een monstrosum dat nu stilaan uitdroogt tot een obstinaat lava-eilandje in het corpus van de Franse theorie.

Verder, als u het zo niet op deze Franse breedspraak begrepen hebt, spreekt op een iets meer nuchtere toon, maar met een soortgelijke neiging naar het drammerige van ik-heb-hier-iets-gevonden-en-je-zal-het-geweten-hebben, iemand als Lev Manovich van de transcodering van het programmatorische paradigma in de realiteit, een uitslaan van de code en de coderingspraktijk naar het reële.

Lees verder op grotext.blogspot.com

nero & het uitblijven van de grote wafelenbak


oponthoud wellicht te wijten aan opstoppingen in de anus mundi

Bakhtin over de overdrijvingen van het grotesk realisme (v. Rabelais):

This exaggeration has a positive, assertive character, The leading themes of these images of bodily life are fertility, growth, and a brimming-over abundance. Manifestations of this life refer not to the isolated biological individual, not to the private, egotistic “economic man”, but to the collective ancestral body of all the people.

Abundance and the all-people’s element also determine the gay and festive character of all images of bodily life: they do not reflect the drabness of everyday existence. The material bodily principle is a triumphant, festive principle, it is a “banquet for all the world’.

Mikhael Bakhtin, Rabelais and his world, ISBN 978-0-253-20341-0, p.19

Waarover gaat dit toch allemaal, waar gaat dit henen? Wel, ik weet het gans eerlijk zelf in het geheel niet, ik typ maar wat, in de hoop ergens uit te komen, & dat lukt nooit want ik zit ook niet echt ergens in waar ik überhaupt uit wil.

Maar het beweegt, & dat is al een begin.

Want we zitten opgescheept met een Toestand en die toestand laat zich het best omschrijven als een soort verstarring in het aeternele Heden.

Iets Ergs dus, nogal.

De verstarring heet in Kathedraalse Dramtaal, met Hoofdletters dus, een Tunnelvision op de Decantine van het Heden , en ook wel ’s : De Migraine van Magere Hein, of zelfs gekruid met enkele klinknagels uit het beeldrijke Marc Sleens: Nero en het Uitblijven van de Grote Wafelenbak.

Het programma, de broncode of alleszins een min of meer begrijpelijke verhaspeling ervan, loopt ongeveer als volgt:

“Het [de Migraine] laat zich het best omschrijven als een schizoïde verstarring in de buitentijdse orde van het Woord, met het zichtsvermogen geheel gefixeerd op het onafwendbare einde, [dat] de vruchtbare voortgang vertekent tot een bloedloze neergang, een droeve decantine: de decaloge orde wordt als een tiensliertige kwal in het spiralen van de tijd gekwakt & de hemelen verduisteren op een wijze waarmede vergeleken de special effects fabrieksbestierders van Hollywood, Bollywood & het Londense Soho samen een bedroevend stelletje armtierige prutsers blijken.

We zitten in de filmvertoning van het leven op de voorste rij.
Op het ogenblik dat je denkt het ergste wel gehad te hebben, krijg je de ware plaag van Egypte over je heen. Je laatste schepen vergaan, je huid schroeit, je zieltje flitst & flikkert in het onmetelijke duister van het suizende Niets. De dolby laat het afweten & het/de surround floept weg in het natte, ongefilterde neerkletsen op je oortrommel van staalharde witte ruis.

Stalen pinnen schieten met helse pijnen door de flarden van uw laatste bedenksels.

Een lachband begeleidt het wegritsen 1 per 1 van al het u dierbare want u was het bij nader inzien toch niet waard.

Iemand heeft medelijden met uw aandoenlijk gekronkel maar weigert u de verlossende naaldhak in te draaien omdat het kostbare glimleder dan wormrestenspatjes zou kunnen krijgen.

Het einde is op alle grafieken nu slechts een hairline verwijderd, het zwarte wolken van de dood snelt zichtbaar door de aders rond het diafaan vertoonde kloppen van uw broze hart.

& Dan, vervolgens,
alsof het zo nu eenmaal geconfigureerd moet zijn, alsof iemand bij de Poorten nu eenmaal dát soort humor heeft, verschijnt er een nimf uit het Niets, of, desgevallend, zo’n lekker ouwerwetse, gespierd-heroïsche witte schimmelberijder, wiens stem, in ieder geval, als een veelkleurige vlinder uit het droeve drab uitslaat, U roepende, de letters van uw naam, in een warmrode sliertenschittering van innige droefenisverbondenheid zich uit de zwarte gaten van uw kankeren losmaakt & het schier reddeloze alsnog richting gelukzaligheid katapulteert.

Alles klaart plots uit & er wordt je een onnoemelijk intense vreugde deelachtig waarvan je het bestaan geheel onmogelijk achtte, een schoonheid die in haar perfectie niet anders kan dan het verpletterde individu tot een aan het waanzinnige grenzende hilariteit drijven.

Een goddelijke galm weerklinkt waarbij zij janken moet, het individuele wicht waartoe u dan verworden bent, waarbij zij bibbert, beeft, & lacht & smeekt vervolgens bij alle denkbare goden alsmede ook bij de ondenkbare op heur blote knieen, om dit ogenblik van ontstellende schoonheid a.u.b. te mogen noteren, vastleggen, rekken in het ene medium dat haar voorhanden is: de schizoïde verstarring in de buitentijdse orde van het Woord.”

Na enige dagen van geduldig debuggen, tweaken & naar het eigene van de beschikbare lezer customizen , vermag deze broncode allicht bij een bewustzijn met minimale systeemvereisten het inzicht te wekken dat deze wereld hoedanook niet aan de dichters maar aan de vogels is.

De vogels immers: zij vliegen aan, zij vliegen af.

& Ginds onder, waar wij gaan, herschrijven zij moeiteloos in de gebaren van hun vlucht, het slechts schijnbaar onnoemelijk complexe van dit aards bestel.

Het onberekenbare geheel wordt kristalhelder in vogeltaal gevangen, dwz. in de eenvoud van een hoger perspectief.

Daarin klinken dan als evidenties woordenloos & geheel ontdaan van de humane ontluistering, het hieronder schaamteloos tot in het bouwvallige lyrieks gedegradeerde & verkreukelde: de simpele constanten van het U, de vanzelfsprekende functies van het ik, & het jij er middenin, methodisch, klaar & aan elke lucht in zachte vleugelslag mededeelbaar.

Kink in de code-kabel


Deze blog ontdaan van betekenis (eindelijk!) (oef!)

Op http://www.crummy.com/software/ vind je bij het lijstje ‘Software Calculated to Drive You Mad‘ o.a. de hoogst vermakelijke “The Eater of Meaning (2003-present) – Destroys content without affecting form”, verantwoordelijk voor de verhaspeling die u hierboven ziet (klik op de afbeelding voor een volledige demonstratie).

Au fond kan je stellen dat het hier een soortgelijk procedé betreft als wat in de groteske video van de ‘Muliera Mystica’ gebeurd- zoals ik trachtte te verhelderen in de tekst erbij op GROTEXT, zie dit artikeltje, maar dan toegepast in het domein van het strikt talige: een tijdelijke opheffing van de vergroeide relatie van het tekensysteem met de betekenis.

Een kink in de code-kabel. Een interventie van het gevreesde nerdendom in de kabbelende wateren der redelijkheid.

Je krijgt dan, net als bij flarf, een verrassend geheel dat op één of andere onvatbare manier toch nog steek lijkt te houden, een ambigue non-ding tussen taal en loutere willekeur in, dat op haar beurt bevrijdend kan werken voor de creatieve geest.

Getuige bijvoorbeeld kesselpoet Angela Genusa’s samenwerkingsverband Nuzzled Sentence’ : een blog van prettig gestoorde auteurs waaronder uw verziekte dienaar, waar het gebruik van dergelijke programmatorische hulpmiddeltjes schering en inslag is.

Eén en ander vraagt, nee het schreeuwt om toepassingen bij ons, maar hier zitten we wegens het kleine taalgebied met de bijkomende moeilijkheid (naast het gebruikelijke gebibber ) dat alle lexicografische bronnen vooralsnog stevig achter het commerciële slot en grendel zitten. Engelstaligen hebben al massa’s kwalitatief hoogstaande alternatieven in het Publieke Domein, ik denk bv. aan Wordnet, van de pientere meisjes & jongens van Princeton .

In het Nederlands mag je nauwelijks wijzen naar een corpus of het vreet je vinger op uit hoofde van de commerciële belangen, iets wat moeilijk te rijmen valt met de lexicografische idealen van de 19de eeuwse initiatiefnemers, overigens.

Met de educatieve doelstellingen van de universiteiten ook al niet.

Waarmee eigenlijk wel?

Soit. Het is maar de vraag of er zonder overheidssteun ruimte is voor het openlijk ontwikkelen van vrije lexicografische bronnen. Misschien moeten we het ’s vragen, gewoon.

Van Dale, merci, het zijn schoon boekskens, maar wij willen onze taal terug.

Hm, iets zegt mij dat dit niet veel gaat uithalen.

———————————-

Nuzzled Sentence: http://nuzzledsentence.blogspot.com

Angela Genusa op PK-LP: http://www.vilt.net/kessello/?cat=23

Groteske Trialoog als een Net in het Veld


een kathedraals uit-reksel van de Muliera Mystica (gevat in een passé décomposant)
met een stelletje anonieme Eigenfaces en
de Onvoltooiden van Henri Michaux,
gespreid over tijd, taal & versplinterende piksels
in diverse naamruimtes

1. Henri Michaux – Les Inachevés

LES INACHEVÉS

Visage qui ne dit qui ne rit
qui ne dit oui ni non.
Monstre.
ombre.
Visage qui tend,
qui va,
qui passe,
qui lentement vers nous bourgeonne…
Visage perdu.

DE ONVOLTOOIDEN
Gezicht dat niet praat dat niet lacht
dat niet ja zegt en niet nee
Monster.
Schaduw.
Gezicht dat reikt,
dat gaat,
dat overgaat,
dat langzaam naar ons uitbot…
Verloren gezicht.

2. Eigenfaces et al:

http://vilt.skynetblogs.be/archive-month/2006-10

Maar het archief weigert zich te reduceren tot de data (de gegevens revitaliseren & worden een nieuwe opgave) (untsoweiter): het archief eindigt immers als dusdanig, waar er in de data zelf het onvermijdelijke gebeurt, het leggen van de lus, de gebeurlijke singulariteit waardoor de schriftuur komt te oscilleren in het oneindige.

Het bestaande vindt haar mogelijkheid daarom enkel in de Tijdsrek, de Kathedraalse herschrijving van de looptijd van het programma, zie http://www.google.be/search?q=Tijdsrek+Vilt.

Metaforen die pretentieus worden, zich beginnen gedragen als een mock-up van de werkelijkheid.

Reality tv met het pikante detail dat de tv intelligent wordt & zelf de scenario’s uitwerkt.

We draven op. We ratelen. We hossen van hut naar haar.

Er wordt getrild.

Onze basis is een weke masse, met de flou artistique van het onbepaalde.
Onze gezichten sidderen tot in de plooien van ons ik.

Het ik loopt (uit).

(af).

Bij zoveel onvatbaarheid doet iedereen het in de broek.

Het angstaanjagende betreft dan plots niet meer de potentie van de Apokalyps, maar de onherroepelijkheid van de initiëring: what is left unfinished cannot be undone


3. De Ontbrekende Muliera in het Hierboven

De toekomst is dus hoger dan het verleden? Beweegt het statische in het toekomende? Krijgt het daar vorm? Maar wat als het net een afsterven is? Als de vorm verdwijnt, of beter, als de vorm zich middels het verdwijnen afzet in het materiële, en er in de toekomst enkel een groteske restant te vinden zal zijn, een gebeente, een schijnbare verstening waarop we verlangend de hand zullen trachten te leggen maar dat bij de minste aanraking vergruist, in stofwolken opdampt?

“Verder ben en was ik me natuurlijk bewust van de moeilijkheid met die chaos en die volheid, het niets en elke tijdsgebonden constructie, de decadentie ervan – maar wat ik er toch van overhoud is die dichotomie verstarring/leven (als ik het zo goed uitdruk), die maakt dat ook een statisch beeld, een foto, kan trillen en bewegen, zachtjes van het leven waarmee het is geïnfuseerd.”

Rutger H. Cornets de Groot in onze kabbelende conversatie (zie http://groteksels.blogspot.com/ ) bij het Gezamelijke Grotextenwerk (http://grotext.blogspot.com/) een poging tot onderzoek die zichzelf publiceert terwijl wij haar ondernemen.

Grotext – morfologie van het misplaatste


grotgenerator.gif

Wanneer men zo eens rond kijkt in de wereld, dan is er veel dat wij pas bereid zijn te aanvaarden, wanneer ons het verband tussen de verschillende gebeurtenissen duidelijk wordt – wanneer we zien hoe verschijnselen voortkomen uit een enkel principe, een Idee die een hele reeks van gevolgen achter zich aansleept. Voorbeeld: ‘Ik heb het allemaal voor jou gedaan’. Of: ‘Het is de schuld van de buitenlanders’. Of zelfs: ‘Dat is grotesk’.

Hoe moeilijk is het niet verschijnselen met rust te laten! Ze eenvoudig te laten zijn, te mediteren op hun onderlinge verschillen, waardoor ze pas zichzelf kúnnen zijn! Pogingen daartoe zijn wel ondernomen, door empiristen en fenomenologen, allicht ook door zenboedisten, maar wanneer het erom gaat bressen te slaan in het ideeën vormende denken – ideeën als magneten, en verschijnselen als ijzervijlsel – dient er allicht uit een ander vaatje te worden getapt. Dan moeten wij de continuïteit van de Idee onderbreken, door elementen in te voegen die zich geheel niet tot die Idee wensen te verhouden, – tenzij om haar belachelijk te maken, wat in zekere zin nog een eredienst is.

Zo vatten wij de/het groteske (het lidwoord varieert) op als een manier – uiteraard niet om het misplaatste zijn plaats te geven, maar om het gevestigde zijn plaats te laten opgeven. In dat opzicht niets nieuws onder de zon. Wat hier wordt gedaan heeft dus géén zin; het is non sense, – onzin dus, die zijn legitimatie vindt in wat zich alleen ten koste van de vrijheid van anderen kon legitimeren, en door een brute machtsgreep zijn eigen onzin wist te maskeren. Wij maken reeksen waarmee het denken zich volstrekt geen raad weet. Hopelijk wordt het daardoor tot nieuwe creativiteit aangespoord, op straffe van zich terstond in de afgrond te storten.

Snijden we hierdoor niet bij voorbaat iedere kritiek de pas af? Neen. Want geheel onttrekken aan de Idee die een bepaalde reeks domineert kan men zich niet, wanneer het erom gaat die reeks te bevrijden. Er is dus altijd sprake van een relatie. Interessant zal zijn te zien hoe het gevecht zich afspeelt tussen die Idee en het stukje werkelijkheid dat er tegenover wordt geplaatst, en dat toch ook altijd voor een deel door die Idee zal worden geproduceerd.

Omdat de groteske zijn oorsprong dankt aan Romeinse grotten – zogenaamde ‘grotteschi’, waarin de bekende grillige, fantastische figuren voor het eerst werden aangetroffen – noemen we deze locatie Grotext: het is ons Altamira, uit de tijd van vóór het denken, dus ruim voordat Plato in onze grot zijn idee voor zijn Idee vond. Het deel ‘text’ dient verder in de ruimste zin te worden verstaan: van essay en poëem tot beeld en klank.

Wij menen een instrument te hebben gevonden dat op vele plaatsen kan worden ingezet, soms met de intentie te bouwen, soms om te vernietigen. Maar u – u bent allen van harte welkom!

Vanuit België en Nederland,

Dirk Vekemans
Rutger H. Cornets de Groot

Allen naar: Grotext – morfologie van het misplaatste

grotext_logo.jpg