journal intime #125

jt125 – Tous les rêves sont vrais – ZAKGELD

WIE HEEFT NIET, … (voetnoot)

Ik bevestig – en ik houd vast aan dit idee – dat de dood niet buiten het rijk van de geest is, dat hij binnen bepaalde grenzen kenbaar en benaderbaar is door een bepaalde gevoeligheid.

Alles wat in de orde der schriftuur het principe van ordelijke en heldere waarneming loslaat, alles wat tot doel heeft een omkering van de schijn te creëren, twijfel te introduceren over de positie van de beelden van de geest ten opzichte van elkaar, alles wat verwarring zaait zonder de kracht van de gedachte die opkomt te vernietigen, alles wat de dingen op hun kop zet door het ontredderde denken een nog groter aspect van waarheid en geweld aan te bieden, dat alles biedt een oplossing voor de dood, brengt ons in verbinding met de meer verfijnde gemoedstoestanden te midden waarin de dood zich uitdrukt.

Daarom zijn het zwijnen allemaal, zij die dromen zonder hun voorbije dromen te betreuren, zonder een gevoel van afschuwelijke nostalgie over te houden aan zulk onderduiken in vruchtbaar onbewustzijn. De droom is waar. Alle dromen zijn echt. Ik heb het gevoel van oneffenheden, van landschappen alsof ze gebeeldhouwd zijn, van golvende aardstukken die bedekt zijn met een soort vers zand, waarvan de betekenis is:

“spijt, teleurstelling, verlating, breuk, wanneer zien we elkaar weer?”.

Niets lijkt zozeer op liefde als de roep van bepaalde droomlandschappen, als het omlijnen van bepaalde heuvels, van een soort materiële leem waarvan de vorm als het ware op het denken is gegoten.

Wanneer zien we elkaar weer? Wanneer zal de aardse smaak van je lippen weer in de buurt komen van de angst van mijn geest? De aarde is als een werveling van dodelijke lippen. Het leven graaft voor ons de afgrond uit van alle vermiste strelingen.Wat hebben we te maken met deze engel die zich niet heeft weten te tonen? Zullen al onze gewaarwordingen voor altijd intellectueel blijven, en zullen onze dromen niet in staat zijn om vuur te vatten bij een ziel waarvan de emotie ons zal helpen om te sterven? Wat is deze dood waar we voor altijd alleen zijn, waar de liefde ons niet de weg wijst?

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

J’affirme – et je me raccroche à cette idée que la mort n’est pas hors du domaine de l’esprit, qu’elle est dans de certaines limites connaissable et approchable par une certaine sensibilité.

Tout ce qui dans l’ordre des choses écrites abandonne le domaine de la perception ordonnée et claire, tout ce qui vise à créer un renversement des apparences, à introduire un doute sur la position des images de l’esprit les unes par rapport aux autres, tout ce qui provoque la confusion sans détruire la force de la pensée jaillissante, tout ce qui renverse les rapports des choses en donnant à la pensée bouleversée un aspect encore plus grand de vérité et de violence, tout cela offre une issue à la mort, nous met en rapport avec des états plus affinés de l’esprit au sein desquels la mort s’exprime.

C’est pourquoi tous ceux qui rêvent sans regretter leurs rêves, sans emporter de ces plongées dans une inconscience féconde un sentiment d’atroce nostalgie, sont des porcs. Le rêve est vrai. Tous les rêves sont vrais. J’ai le sentiment d’aspérités, de paysages comme sculptés, de morceaux de terre ondoyants recouverts d’une sorte de sable frais, dont le sens veut dire :

« regret, déception, abandon, rupture, quand nous reverrons-nous ? »

Rien qui ressemble à l’amour comme l’appel de certains paysages vus en rêve, comme l’encerclement de certaines collines, d’une sorte d’argile matérielle dont la forme est comme moulée sur la pensée. Quand nous reverrons-nous ? Quand le goût terreux de tes lèvres viendra-t-il à nouveau frôler l’anxiété de mon esprit ? La terre est comme un tourbillon de lèvres mortelles. La vie creuse devant nous le gouffre de toutes les caresses qui ont manqué. Qu’avons-

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

journal intime #124

jt 124 – l’image d’un panique déjà éprouvée – GELDZAK

WIE HEEFT NIET, … (2)

Ik beschreef net een sensatie van angst en droom, van angst die in de droom binnen glijdt een beetje zoals ik mij voorstel dat de agonie moet binnenglijden en zich voltrekken in de dood.
In ieder geval, zulke dromen kunnen niet liegen. Ze liegen niet. En die aaneengeregen doodssensaties, die verstikkingen, die wanhoop, dat inslapen, die verlatenheid, die stilte, zie je die niet met de uitvergrote spanning van een droom, met het gevoel dat er een nieuwe zijde van de realiteit voor goed achter jou ligt?
Maar kijk, op de bodem van de dood of de droom herbegint de angst. Deze angst die zich als een elastiek opspant en je plots bij de keel grijpt, ze is noch onbekend, noch nieuw. De dood waar men is ingegleden zonder er zich rekenschap van te geven, de terugkeer als lichaamsklomp, dat hoofd – het moest zo nodig , dat hoofd dat het bewustzijn en het leven bevat en dus ook de ultieme verstikking – het moest zo nodig, ook dat hoofd, de kleinst mogelijke opening door. Maar het huivert tot in het diep der porieën, en het heeft door het heen en weer schudden in ontzetting het idee gekregen, het gevoel dat het opgeblazen is, dat zijn angst vorm heeft gekregen, dat die onder de huid ontsproten is.

En omdat uiteindelijk de dood toch niets nieuws is, maar integendeel maar al te bekend, zien we niet aan het eind van deze inwendige gisting het beeld van een reeds ervaren paniek? De kracht van de wanhoop lijkt bepaalde situaties uit de kindertijd te doen weerkeren, waarin de dood zich zo helder en als een eenduidige stroom van ontzetting aandiende. De kindertijd kent een bruusk ontwaken van de geest, van intense uitbreidingen van het denken dat de latere leeftijd verloren heeft. In sommige paniekangsten uit de kindertijd, bepaalde grootse en onredelijke verschrikkingen waarin het gevoel van een niet humane dreiging loert, is het onbetwistbaar dat de dood verschijnt
als het scheuren van een nabij membraan, als een optillen van de sluier van de wereld die nog vormloos en onzeker is.

Wie heeft niet de herinnering aan ongeziene uitbreidingen, van de orde van een geheel mentale werkelijkheid, en die hem vervolgens nauwelijks verbaasd hebben, die echt aan het woud van zijn kinderlijke zintuigen werden opgeleverd? Uitbreidingen geïmpregneerd met perfecte, alles doordrenkende kennis, uitgekristalliseerd, eeuwig.

Maar welke vreemde gedachten onderstreept die, van welke uiteengereten meteoor reconstrueert het de menselijke atomen?

Het kind ziet herkenbare theorieën van voorouders waarin het de oorsprong van alle van mens tot mens bekende gelijkenissen noteert. De wereld der verschijningen groeit en stroomt over naar het gevoelloze, het onbekende. Maar de verduistering van het leven komt eraan en van dan af zijn dergelijke staten alleen nog maar te bereiken door een absoluut abnormale luciditeit ten gevolge bijvoorbeeld van drugs.

Vandaar het immense nut van toxische stoffen om de geest te bevrijden, te verheffen. Leugens of niet vanuit het oogpunt van een werkelijkheid waar men meestal weinig mee aankan, een werkelijkheid die slechts een van de meest voorbijgaande en minst herkenbare gezichten van de oneindige realiteit is, een werkelijkheid die samenvalt met de materie en daarmee vergaat, vanuit het oogpunt van de geest herwinnen die substanties hun superieure waardigheid, waardoor ze als hulpmiddel het dichtst bij en het nuttigst bij de dood komen te staan*.

WORDT VERVOLGD

Antonin Artaud – uit L’ Art et la Mort (1929) [ARTAUD 1956, p.117-121]
vert. NKdeE 2020 – CC Free Culture License 4.0


*hier staat een lange voetnoot die je morgen vertaald krijgt…

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(https://ebooks-bnr.com/artaud-antonin-le-pese-nerfs-fragments-dun-journal-denfer-lart-et-la-mort/):

Je viens de décrire une sensation d’angoisse et de rêve, l’angoisse glissant dans le rêve, à peu près comme j’imagine que l’agonie doit glisser et s’achever finalement dans la mort.

En tout cas, de tels rêves ne peuvent pas mentir. Ils ne mentent pas. Et ces sensations de mort mises bout à bout, cette suffocation, ce désespoir, ces assoupissements, cette désolation, ce silence, les voit-on dans la suspension agrandie d’un rêve, avec ce sentiment qu’une des faces de la réalité nouvelle est perpétuellement derrière soi ?

Mais au fond de la mort ou du rêve, voici que l’angoisse reprend. Cette angoisse comme un élastique qui se retend et vous saute soudain à la gorge, elle n’est ni inconnue, ni nouvelle. La mort dans laquelle on a glissé sans s’en rendre compte, le retournement en boule du corps, cette tête – il a fallu qu’elle passe, elle qui portait la conscience et la vie et par conséquent la suffocation suprême, et par conséquent le déchirement supérieur – qu’elle passe, elle aussi, par la plus petite ouverture possible. Mais elle angoisse à la limite des pores, et cette tête qui à force de se secouer et de se retourner d’épouvante a comme l’idée, comme le sentiment qu’elle s’est boursouflée et que sa terreur a pris forme, qu’elle a bourgeonné sous la peau.

Et comme après tout ce n’est pas neuf la mort, mais au contraire trop connu, car, au bout de cette distillation de viscères, ne perçoit-on pas l’image d’une panique déjà éprouvée ? La force même du désespoir restitue, semble-t-il, certaines situations de l’enfance où la mort apparaissait si claire et comme une déroute à jet continu. L’enfance connaît de brusques réveils de l’esprit, d’intenses prolongements de la pensée qu’un âge plus avancé reperd. Dans certaines peurs paniques de l’enfance, certaines terreurs grandioses et irraisonnées où le sentiment d’une menace extra-humaine couve, il est incontestable que la mort apparaît

comme le déchirement d’une membrane proche, comme le soulèvement d’un voile qui est le monde, encore informe et mal assuré.

Qui n’a le souvenir d’agrandissements inouïs, de l’ordre d’une réalité toute mentale, et qui alors ne l’étonnaient guère, qui étaient donnés, livrés vraiment à la forêt de ses sens d’enfant ? Prolongements imprégnés d’une connaissance parfaite, imprégnant tout, cristallisée, éternelle.

Mais quelles étranges pensées elle souligne, de quel météore effrité elle reconstitue les atomes humains.

L’enfant voit des théories reconnaissables d’ancêtres dans lesquelles il note les origines de toutes les ressemblances connues d’homme à homme. Le monde des apparences gagne et déborde dans l’insensible, dans l’inconnu. Mais l’enténèbrement de la vie arrive et désormais des états pareils ne se retrouvent plus qu’à la faveur d’une lucidité absolument anormale due par exemple aux stupéfiants.

D’où l’immense utilité des toxiques pour libérer, pour surélever l’esprit. Mensonges ou non du point de vue d’un réel dont on a vu le peu de cas qu’on pouvait en faire, le réel n’étant qu’une des faces les plus transitoires et les moins reconnaissables de l’infinie réalité, le réel s’égalant à la matière et pourrissant avec elle, les toxiques regagnent du point de

vue de l’esprit leur dignité supérieure qui en fait les auxiliaires les plus proches et les plus utiles de la mort*.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

journal intime #122

jt 122 – l’ étalon d’un néant qui s’ignore – NEUSPUNT

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (slot)

De streng die ik priemen laat uit het intellect dat me bezighoudt en het onbewuste dat me voedt,  vertoont steeds fijnere draden in het hart van het vertakkende weefsel. En het is een nieuw leven dat herboren wordt, dieper en dieper, meer welbespraakt, dieper geworteld.

Nooit kan er door deze ziel die zich wurgt enige precisie worden gegeven, want de kwelling die haar doodt ontvleest haar vezel na vezel, beweegt zich onder het denken, dieper dan daar waar de taal kan reiken want het is de verbinding zelf van dat wat haar maakt en spiritueel samenhoudt, die afbreekt in de mate waarin het leven haar noodt tot voortdurende helderheid. Nooit enige helderheid op deze lijdensweg, op deze cyclische en fundamentele martelgang. En desondanks leeft ze, maar in een duren vol eclipsen waarbij het vluchtige zich immer mengt met het onbeweeglijke en het verwart met die doordringende taal van klaarte zonder duur. Deze vervloeking is in hoge mate leerzaam voor de diepten die zij beslaat, maar de wereld zal er de les van niet verstaan.

De emotie gewekt door het ontluiken van een vorm, de aanpassing van mijn stemmingen aan de mogelijkheid van een discours zonder duur, is mij een heel wat dierbaarder toestand dan de bevrediging van mijn activiteit.
Het is de toetssteen voor bepaalde geestelijke leugens.

Het is dit soort stappen achteruit die de geest maakt van onder het bewustzijn dat hem fixeert, om de emotie van het leven op te zoeken. Deze emotie die verder ligt dan het bepaalde punt waar de geest haar zoekt, en die opduikt in haar volle rijkdom van vormen en in een verse stroom, deze emotie die de geest het overweldigende geluid van de materie biedt, de hele ziel stroomt erheen en gaat op in haar brandend vuur. Maar meer nog dan van het vuur raakt de ziel in vervoering van de klaarte, het gemak, de natuurlijkheid en de ijzige oprechtheid van deze materie die te vers is en die koud en warm blaast.
Hij daar weet nu wat de verschijning van deze materie betekent en van welke onderaardse slachting dat ontluiken de prijs is. Deze materie is de maatstaf van een niets dat zich niet kent.

Als ik mij denk, zoekt mijn gedachte zich in de ether van een nieuwe ruimte. Ik sta op de maan zoals anderen op hun balkon. Ik neem in de breuklijnen van mijn geest deel aan de planetaire zwaartekracht.

Het leven zal gebeuren, de gebeurtenissen zich afspelen, de spirituele conflicten zich oplossen, en ik zal er geen deel aan hebben. Ik heb niets te verwachten, niet van de fysieke noch van de morele kant. Aan mij is de voortdurende smart en de schaduw, de nacht van de ziel, en ik heb geen stem om te schreeuwen.
Verkwansel uw rijkdommen ver van dit ongevoelige lichaam waar geen enkel seizoen, geestelijk noch zinnelijk, vat op heeft.

Ik heb het domein van de smart en de schaduw gekozen zoals anderen dat van de uitstraling en de ophoping van de materie.
Ik werk niet in de uitgestrektheid van welk domein dan ook.
Ik werk in de unieke duur.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956, p. 105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

La corde que je laisse percer de l’intelligence qui m’occupe et de l’inconscient qui m’alimente, découvre des fils de plus en plus subtils au sein de son tissu arborescent. Et c’est une vie nouvelle qui renaît, de plus en plus profonde, éloquente, enracinée.

Jamais aucune précision ne pourra être donnée par cette âme qui s’étrangle, car le tourment qui la tue, la décharne fibre à fibre, se passe au-dessous de la pensée, au-dessous d’où peut atteindre la langue, puisque c’est la liaison même de ce qui la fait et la tient spirituellement agglomérée, qui se rompt au fur et à mesure que la vie l’appelle à la constance de la clarté. Pas de clarté jamais sur cette passion, sur cette sorte de martyre cyclique et fondamental. Et cependant elle vit mais d’une durée à éclipses où le fuyant se mêle perpétuellement à l’immobile, et le confus à cette langue perçante d’une clarté sans durée. Cette malédiction est d’un haut enseignement pour les profondeurs qu’elle occupe, mais le monde n’en entendra pas la leçon.

L’émotion qu’entraîne l’éclosion d’une forme, l’adaptation de mes humeurs à la virtualité d’un discours sans durée m’est un état autrement précieux que l’assouvissement de mon activité. C’est la pierre de touche de certains mensonges spirituels.

Cette sorte de pas en arrière que fait l’esprit en deçà de la conscience qui le fixe, pour aller chercher l’émotion de la vie. Cette émotion sise hors du point particulier où l’esprit la recherche, et qui émerge avec sa densité riche de formes et d’une fraîche coulée, cette émotion qui rend à l’esprit le son bouleversant de la matière, toute l’âme s’y coule et passe dans son feu ardent. Mais plus que le feu, ce qui ravit l’âme c’est la limpidité, la facilité, le naturel et la glaciale candeur de cette matière trop fraîche et qui souffle le chaud et le froid. Celui-là sait ce que l’apparition de cette matière signifie et de quel souterrain massacre son éclosion est le prix. Cette matière est l’étalon d’un néant qui s’ignore.

Quand je me pense, ma pensée se cherche dans l’éther d’un nouvel espace. Je suis dans la lune comme d’autres sont à leur balcon. Je participe à la gravitation planétaire dans les failles de mon esprit.

La vie va se faire, les événement se dérouler, les conflits spirituels se résoudre, et je n’y participerai pas. Je n’ai rien à attendre ni du côté physique ni du côté moral. Pour moi c’est la douleur perpétuelle et l’ombre, la nuit de l’âme, et je n’ai pas une voix pour crier. Dilapidez vos richesses loin de ce corps insensible à qui aucune sais ni spirituelle, ni sensuelle ne fait rien.

J’ai choisi le domaine de la douleur et de l’ombre comme d’autres celui du rayonnement et de l’entassement de la matière.

Je ne travaille pas dans l’étendue d’un domaine quelconque.

Je travaille dans l’unique durée.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

journal intime #121

jt 121 – il s’agit de la durée de l’esprit – HAARDVUUR

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (3)

Ik voel de afbrokkelende grond onder mijn gedachten, en ik word ertoe gebracht om de termen die ik gebruik te overwegen zonder de steun van hun intieme betekenis, hun persoonlijke ondergrond. En beter nog, het punt waarop dit substraat zich lijkt te verbinden met mijn leven wordt mij ineens vreemd gevoelig, en virtueel. Ik heb het idee van een onvoorziene en vaste ruimte, waar normaal gesproken alles beweging, communicatie, interferentie, pad is.
Maar deze afbrokkeling die mijn denken in zijn grondslagen bereikt, in zijn meest urgente communicatie met de intelligentie en met het instinctmatige van de geest, vindt niet plaats op het gebied van een gevoelloos abstractum waaraan enkel de hogere delen van het intellekt zouden deelhebben. Niet zozeer de geest die intact blijft, bestekeld met punten, maar de zenuwbaan van het denken wordt door dit afbrokkelen bereikt en afgeleid. Het is in de ledematen en het bloed dat deze afwezigheid, deze onderbreking zich bijzonder sterk doet voelen.

Een grote koude,
Een wrede onthouding,
Het voorgeborchte van een nachtmerrie vol botten en spieren, met de gewaarwording van maagfuncties die klapperen als een vlag in het fosforesceren van de storm.

Embryonale beelden die elkaar als met de vinger verduwen en niet met enige materie in verbinding staan. 

Ik ben mens door mijn handen en mijn voeten, mijn buik, mijn vlezen hart, mijn maag waarvan de knooppunten mij verbinden met het bederf van het leven.

Men heeft het over woorden, maar het gaat niet om woorden, het gaat om de duur van de geest.
Deze afvallige woordenschors, men moet zich niet inbeelden dat de ziel er niet bij betrokken is. Naast de geest is er het leven, is er het menselijk leven in wiens cirkel die geest draait, met hem verbonden door een veelvoud van draden…

Nee, al dat lichamelijke ontwortelen, al die beknottingen van de lichamelijke activiteit en het ongemak van het zich afhankelijk voelen in het lichaam, en ook dat lichaam zelf, beladen met marmer en liggend op slecht hout, dat is niet gelijk aan de pijn van het beroofd zijn van de fysieke kennis en het gevoel van innerlijk evenwicht. Dat de ziel in gebreke blijft bij de taal en de tong bij de geest, en dat deze breuk door de velden der zinnen trekt als een grote voor van wanhoop en bloed, dat nu is de grote kwelling die niet de bast of het staketsel ondermijnt, maar de STOF der lichamen. Het is deze dwalende vonk die op het spel staat, waarvan men het gevoel heeft dat ZIJ HET WAS, een afgrond die op zichzelf de hele mogelijke omvang van de wereld wint, en het gevoel is dat van zodanige nutteloosheid dat het lijkt op de knoop van de dood. Deze nutteloosheid is als de morele kleur van deze afgrond en deze intense verbijstering, en de fysieke kleur ervan is de smaak van bloed dat in cascades door de openingen van de hersenen stroomt.

Men kan mij wel vertellen dat deze moordkuil in mijzelf ligt, ik neem deel aan het leven, ik vertegenwoordig de fataliteit die mij verkiest, en het bestaat niet dat al het leven van de wereld mij op een gegeven moment bij zich meetelt, want door haar aard zelf bedreigt zij het principe van het leven. Er is iets verheven boven iedere menselijke bezigheid: het is het voorbeeld van deze monotone kruisiging, van deze kruisiging waarbij de ziel zichzelf verliest en blijft verliezen.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst
(http://archives.skafka.net/alice69/doc/aa_fragdunjournaldenfer.htm):

Je sens sous ma pensée le terrain qui s’effrite, et j’en suis amené à envisager les termes que j’emploie sans l’appui de leur sens intime, de leur substratum personnel. Et même mieux que cela, le point par où ce substratum semble se relier à ma vie me devient tout à coup étrangement sensible, et virtuel. J’ai l’idée d’un espace imprévu et fixé, là où en temps normal tout est mouvements, communication, interférences, trajet. Mais cet effritement qui atteint ma pensée dans ses bases, dans ses communications les plus urgentes avec l’intelligence et avec l’instinctivité de l’esprit, ne se passe pas dans le domaine d’un abstrait insensible où seules les parties hautes de l’intelligence participeraient. Plus que l’esprit qui demeure intact, hérissé de pointes, c’est le trajet nerveux de la pensée que cet effritement atteint et détourne. C’est dans les membres et le sang que cette absence et ce stationnement se font particulièrement sentir.

Un grand froid, une atroce abstinence, les limbes d’un cauchemar d’os et de muscles, avec le sentiment des fonctions stomacales qui claquent comme un drapeau dans les phosphorescences de l’orage. Images larvaires qui se poussent comme avec le doigt et ne sont en relations avec aucune matière.

Je suis homme par mes mains et mes pieds, mon ventre, mon coeur de viande, mon estomac dont les noeuds me rejoignent à la putréfaction de la vie.

On me parle de mots, mais il ne s’agit pas de mots, il s’agit de la durée de l’esprit. Cette écorce de mots qui tombe, il ne faut pas s’imaginer que l’âme n’y soit pas impliquée. A côté de l’esprit il y a la vie, il y a l’être humain dans le cercle duquel cet esprit tourne, relié avec lui par une multitude de fils…

Non, tous les arrachements corporels, toutes les diminutions de l’activité physique et cette gêne qu’il y a à se sentir dépendant dans son corps, et ce corps même chargé de marbre et couché sur un mauvais bois, n’égalent pas la peine qu’il y a à être privé de la science physique et du sens de son équilibre intérieur. Que l’âme fasse défaut à la langue ou la langue à l’esprit, et que cette rupture trace dans les plaines des sens comme un vaste sillon de désespoir et de sang, voilà la grande peine qui mine non l’écorce ou la charpente, mais l’ETOFFE du corps. Il y a à perdre cette étincelle errante et dont on sent qu’ELLE ETAIT un abîme qui gagne en soi toute l’étendue du monde possible, et le sentiment d’une inutilité telle qu’elle est comme le noeud de la mort. Cette inutilité est comme la couleur morale de cet abîme et de cette intense stupéfaction, et la couleur physique en est le goût d’un sang jaillissant par cascades à travers les ouvertures du cerveau.

On a beau me dire que c’est moi ce coupe-gorge, je participe à la vie, je représente la fatalité qui m’élit et il ne se peut pas que toute la vie du monde me compte à un moment donné avec elle puisque par sa nature même elle menace le principe de la vie. Il y a quelque chose qui est au-dessus de toute activité humaine : c’est l’exemple de ce monotone crucifiement, de ce crucifiement où l’âme n’en finit plus de se perdre.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

BIJ EEN DODE DICHTER

Zijn dichtersziel helaas was heengegaan
In gotisch muzikale avondklank
En wonderbaarlijk te midden de zwarte tuien
boog dóór de zon zijn vaalgele kiel.

In mijn melancholie was ik dus gekomen
Om van die godgelijke het lijk te bekijken,
en ‘t Schone waar zich vormde bij het graf
Stralend en bloemrijk de Sublieme Idee;

Zeeorgels maakten een menigte lawaai
Getouwen kreunden onder het golven
Bij de goudvlam der kaarsen die weenden.

En stemmen stegen van goud en velours
Van ’t grote schip dat de processies versierden
Met heel zacht de blaastonen der doodsfluiten.

Antonin Artaud – 1914

SUR UN POÈTE MORT

Son âme de poète hélas était partie
Dans les sons musicaux et gothiques d’un soir
Et merveilleusement parmi les haubans noirs
Le soleil inclinait sa carène jaunie.

Alors j’étais venu dans ma mélancolie
De cet homme divin voir la dépouille et voir
La Beauté où se forme ainsi qu’un reposoir
La Sublime Pensée éclatante et fleurie.

Les orgues de la mer faisaient un bruit de foule,
Les cordages râlaient avec un bruit de houle
Parmi les flammes d’or des cierges qui pleuraient.

Et des voix s’élevaient du velours et de l’or
Du grand vaisseau que des processions décoraient
Aux sons très doux soufflant aux flûtes de la mort.

(1914)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf



A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

journal intime #120

jt 120 – la séparation à jamais – VUURHAARD

Fragmenten uit een Dagboek van de Hel (2)

Je hebt het goed mis om te zinspelen op deze verlamming die mij bedreigt. Ze bedreigt me wel degelijk, en het wordt elke dag erger. Ze bestaat al en het is een vreselijke realiteit. Natuurlijk doe ik nog steeds (maar hoe lang nog?) wat ik wil met mijn ledematen, maar het is al lang dat ik mijn geest niet meer beveel, en dat mijn onbewuste mij geheel beveelt met impulsen die uit de diepte van mijn nerveuze razernij komen en uit het kolken van mijn bloed. Schielijke en snelle beelden, en die in mijn gedachten alleen maar woorden van woede en blinde haat spreken, maar die als messteken of bliksem door een opgekropte hemel gaan.

Ik draag het stigma van een dood die mij dwingt tot waar de echte dood mij niet bevreest.

Deze angstaanjagende vormen die naar voren komen, ik voel dat de wanhoop die ze mij brengen, leeft. Hij kruipt tot aan die knoop van het leven waarna de wegen naar de eeuwigheid opengaan. Het is werkelijk de scheiding voor altijd. Zij schuiven hun mes in dat midden waar ik mij mens voel, zij snijden de vitale banden door die mij verenigen met de droom van mijn lucide realiteit.

Vormen van een kapitale wanhoop (waarlijk vitaal),
Viersprong der scheidingen
Viersprong van de sensatie van mijn vlees,
Verlaten door mijn lichaam,
Verlaten door elk mogelijk gevoel in de mens.
Ik kan het alleen maar vergelijken met de toestand waarin men zich bij een zware ziekte midden in een delirium bevindt, te wijten aan de koorts.

Uit de antinomie tussen het gemak diep in mij en mijn uiterlijke moeizaamheid ontstaat de foltering waaraan ik sterf.

Laat de tijd voorbijgaan en de sociale stuiptrekkingen in de wereld de gedachten van de mensen teisteren, ik ben vrij van elke gedachte die door de fenomenen is doorweekt. Laat mij maar in mijn uitgerekte nevel, bij mijn onsterfelijke onmacht, bij mijn onzinnige verwachtingen. Maar men dient goed te weten dat ik van geen enkele van mijn fouten afstand doe. Als ik het verkeerd heb ingeschat, is het de schuld van mijn vlees, maar die klaarten die mijn geest van uur tot uur laat uitfilteren, dat is mijn vlees waarvan het bloed zich hult in bliksemflitsen.

Hij spreekt van narcisme, ik antwoord hem dat het om mijn leven gaat. Ik aanbid niet mijzelf maar het vlees, vlees in de sensibele zin van het woord. Alle dingen raken mij slechts voor zover ze op mijn vlees inwerken, ermee samenvallen, en tot op dat punt dat ze het schokken, en verder niet. Niets raakt mij, interesseert mij dat zich niet onmiddellijk tot mijn vlees richt. En daar hij spreekt tot mij over het Zelf. Ik antwoord hem dat het Ik en het Zelf twee verschillende termen zijn en niet te verwarren, en het zijn heel exact die twee termen, die balanceren, die het evenwicht van het vlees uitmaken.

ANTONIN ARTAUD – 1926
uit: La Pèse-nerfs in [ARTAUD 1956,105-107)
vert. NKdeE 2020 met behulp van DeepL en deze vertaling van Hans Van Pinxteren

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

originele tekst:

Tu as bien tort de faire allusion à cette paralysie qui me menace. Elle me menace en effet et elle gagne de jour en jour. Elle existe déjà et comme une horrible réalité. Certes je fais encore (mais pour combien de temps ?) ce que je veux de mes membres, mais voilà longtemps que je ne commande plus à mon esprit, et que mon inconscient tout entier me commande avec des impulsions qui viennent du fond de mes rages nerveuses et du tourbillonnement de mon sang. Images pressées et rapides, et qui ne prononcent à mon esprit que des mots de colère et de haine aveugle, mais qui passent comme des coups de couteau ou des éclairs dans un ciel engorgé.

Je suis stigmatisé par une mort pressante où la mort véritable est pour moi sans terreur.

.Ces formes terrifiantes qui s’avancent, je sens que le désespoir qu’elles m’apportent est vivant. Il se glisse à ce noeud de la vie après lequel les routes de l’éternité s’ouvrent. C’est vraiment la séparation à jamais. Elles glissent leur couteau à ce ventre où je me sens homme, elles coupent les attaches vitales qui me rejoignent au songe de ma lucide réalité.

Formes d’un désespoir capital (vraiment vital), carrefour des séparations, carrefour de la sensation de ma chair, abandonné par mon corps, abandonné de tout sentiment possible dans l’homme. Je ne puis le comparer qu’à cet état dans lequel on se trouve au sein d’un délire dû à la fièvre, au cours d’une profonde maladie.

C’est cette antinomie entre ma facilité profonde et mon extérieure difficulté qui crée le tourment dont je meurs.

Le temps peut passer et les convulsions sociales du monde ravager les pensées des hommes, je suis sauf de toute pensée qui trempe dans les phénomènes. Qu’on me laisse à mes nuages éteints, à mon immortelle impuissance, à mes déraisonnables espoirs. Mais qu’on sache bien que je n’abdique aucune de mes erreurs. Si j’ai mal jugé, c’est la faute de ma chair, mais ces lumières que mon esprit laisse filtrer d’heure en heure, c’est ma chair dont le sang se recouvre d’éclairs.

Il me parle de Narcissisme, je lui rétorque qu’il s’agit de ma vie. J’ai le culte non pas du moi mais de la chair, dans le sens sensible du mot chair. Toutes les choses ne me touchent qu’en tant qu’elles affectent ma chair, qu’elles coïncident avec elle, et à ce point même où elles l’ébranlent, pas au-delà. Rien ne me touche, ne m’intéresse que ce qui s’adresse directement à ma chair. Et à ce moment il me parle du Soi. Je lui rétorque que le Moi et le Soi sont deux termes distincts et à ne pas confondre, et sont très exactement les deux termes qui se balancent de l’équilibre de la chair.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

HET MYSTIEKE ZEESCHIP

’t Archaische zeeschip zal zijn verloren gegaan
Op zeeën waar mijn dromen hopeloos baden
En de immense masten verwrongen geraakt
In de hemelse nevel van bijbel en hymne.

Een liedje klinkt maar niet het bucolisch antieke
Mysterieus tussen de kale bomen;
En ’t heilige schip zal zijn zeldzaamste waren
Nooit verkocht hebben ver in den vreemde

Hij kent de vuren niet der havens op aarde.
Hij kent slechts God en zonder solitair doel
Scheidt hij de gloriegolven der oneindigheid.

Het eind van zijn boegspriet duikt in mysterie.
Aan de top zijner masten trilt elke nacht
Het zuivere, mystieke zilver van de Poolster.

Antonin Artaud – 1913

LE NAVIRE MYSTIQUE

Il se sera perdu le navire archaïque
Aux mers où baigneront mes rêves éperdus ;
Et ses immenses mâts se seront confondus
Dans les brouillards d’un ciel de bible et de cantique.

Un air jouera, mais non d’antique bucolique,
Mystérieusement parmi les arbres nus ;
Et le navire saint n’aura jamais vendu
La très rare denrée aux pays exotiques.

Il ne sait pas les feux des havres de la terre.
Il ne connaît que Dieu et sans fin solitaire
Il sépare les flots glorieux de l’infini.

Le bout de son beaupré plonge dans le mystère.
Aux pointes de ses mâts tremble toutes les nuits
L’argent mystique et pur de l’étoile polaire.

(1913)
https://ebooks-bnr.com/ebooks/pdf4/artaud_poemes.pdf

NKdeE 2020 – LE NAVIRE MYSTIQUE – pastel & wasco -A5

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

EXTASE

Zilveren sintels, vuurkolenkroes
Met van zijn intieme macht de muziek
Geledigde vuurgloed, verlost, schors
Die doende haar werelden lost

Uitputtend onderzoek van het ik
Penetratie die zich te buiten gaat
Ha! de ijsbrandstapel op, samen
Met het brein dat het heeft bedacht.

De oude onpeilbare queeste
Extravaseert in genot
Voelbare zinnelijkheden, extase
In waarachtig zingend kristal.

O inktenmuziek, muziek
Muziek van bedolven kolen
Zacht, wegend, die ons verlost
Met zijn fosforgeheimen.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

EXTASE

Argentin brasier, braise creusée
Avec la musique de son intime force
Braise évidée, délivrée, écorce
Occupée à livrer ses mondes.

Recherche épuisante du moi
Pénétration qui se dépasse
Ah! joindre le bûcher de glace
Avec l’esprit qui le pensa.

La vieille poursuite insondable
En jouissance s’extravase
Sensualités sensibles, extase
Aux cristaux chantants véritables.

Ô musique d’encre, musique
Musique des charbons enterrés
Douce, pesante qui nous délivre
Avec ses phosphores secrets.

Antonin Artaud, uit: BILBOQUET in [ARTAUD 1956, p.191]

A.A. NDL

NOOT: de Kathedraal stelt al haar vertalingen gratis ter beschikking van haar lezers, je mag er wat ons betreft letterlijk alles mee doen wat je maar bedenken kan, maar vermeldt wel ergens dat je het goedje van de Neue Kathedrale des erotischen Elends kreeg. op die manier krijgen anderen ook wind van ons verder geheel belangeloos exemplarisch activisme. dank en klik u weg in vrede.

commentaar en suggesties bij de vertalingen graag naar dirkvekemans@yahoo.com

journal intime #116

jt116 – les tetes moins que les trous – HUISWERK

DE STRAAT

De seksuele straat leeft op
langs de ongepaste gevels,
de cafés, waar misdaad kwettert,
ontwortelen de lanen.

In de zakken branden sexehanden
en de buiken drinken langs onder;
alle gedachten laten het klinken,
en de koppen minder dan de gaten.

LA RUE

La rue sexuelle s’anime
le long de faces mal venues,
les cafés pepiant de crimes
deracinent les avenues.

Des mains de sexe brûlent les poches
et les ventres bouent par-dessous;
toutes les pensees s’entrechoquent,
et les tetes moins que les trous.

Antonin Artaud, uit BILBOQUET [ARTAUD 1956, p.226]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

journal intime #115

jt115 – le vrai néant effilé – VELDSLAG

Er bestaat een zure en troebele beklemming, even machtig als een mes, waarvan de opdeling het gewicht heeft van de aarde, een beklemming met klaarten, met de interpunctie van afgronden, gekneld en geperst als punaises, als een soort hard ongedierte en waarvan alle bewegingen verstard zijn, een beklemming waarin de geest zich worgt, zichzelf snijdt, – zich doodt.
Zij verbruikt niets dat haar niet toebehoort, zij komt voort uit haar eigen asfyxie.
Zij is een bevriezing van het merg, een afwezigheid van mentaal vuur, een circulatiegebrek van het leven.
Maar de opiate* beklemming heeft een andere kleur, zij heeft niet dat metafysisch verglijden, dat wonderlijke imperfecte accent. Die stel ik mij voor als vol echo’s, grotten, labyrinten, omkeringen; vol pratende vuurtongen, actieve geestesogen en het klappen van sombere bliksems vervuld van rede.
Dus de ziel stel ik mij wel heel centraal voor en toch tot in het oneindige opdeelbaar, en verplaatsbaar als een ding dat is. Ik stel mij de ziel gevoelend voor, die tegelijk strijdt en toegeeft, en haar tongen in alle zinnen draait, en haar geslacht vermenigvuldigt, – en zich doodt.
Het is nodig het echte uitgerafelde niets te kennen, het niets dat geen orgaan meer heeft. Het niets van de opium heeft in zich de ruimte van een zwart gat als de vorm van een voorhoofd dat denkt, dat gesitueerd heeft.
Maar ik spreek van de afwezigheid van het gat, van een soort lijden dat koud is en zonder beelden, zonder sentiment, en dat is als een onbeschrijfbare aborterende stomp.

Antonin Artaud

de originele tekst uit ‘ L’Ombilic des Limbes’:

        Il y a une angoisse acide et trouble, aussi puissante qu’un couteau, et dont l’écartèlement a le poids de la terre, une angoisse en éclairs, en ponctuation de gouffres, serrés et pressés comme des punaises, comme une sorte de vermine dure et dont tous les mouvements sont figés, une angoisse où l’esprit s’étrangle et se coupe lui-même, — se tue.
       Elle ne consume rien qui ne lui appartienne, elle  naît de sa propre asphyxie.
       Elle est une congélation de la moelle, une absence de feu mental, un manque de circulation de la vie.
       Mais l’angoisse opiumique a une autre couleur, elle n’a pas cette pente métaphysique, cette merveilleuse imperfection d’accent. Je l’imagine pleine d’échos, et de caves, des labyrinthes, de retournements; pleine de langues de feu parlantes, d’yeux mentaux en action et du claquement d’une foudre sombre et remplie de raison.
        Mais j’imagine l’âme alors bien centrée, et toutefois à l’infini divisible, et transportable comme une chose qui est. J’imagine l’âme sentante et qui à la fois lutte et consent, et fait tourner en tous sens ses langues, multiplie son sexe, — et se tue.
         Il faut connaître le vrai néant effilé, le néant qui n’a plus d’organe. Le néant de l’opium a en lui comme la forme d’un front qui pense, qui a situé la place du trou noir.
         Je parle moi de l’absence de trou, d’une sorte de souffrance froide et sans images, sans sentiment, et qui est comme un heurt indescriptible d’avortements.

[ARTAUD 1956, p.72-73]


** de ‘angoisse’ ten gevolge van opiumgebruik. Enkele bladzijden terug, in de tekst ‘Lettre à monsieur le Legislateur de la Loi sur les Stupifiant’, heeft Artaud een fel pleidooi gehouden voor het zelfbeschikkingsrecht van de opiumgebruiker die onderworpen aan zijn vreselijk mentale lijden, zich bij gebrek aan beter gedwongen ziet om zijn toevlucht te nemen tot dergelijke middelen. Niemand heeft het recht hem daarvoor te criminaliseren. Immers “Toute la science hasardeuse des hommes n’est pas supérieure à la connaissance immédiate que je puis avoir de mon être. Je suis seul juge de ce qui est en moi”, een argument dat o.i. nog steeds stand houdt, maar bon, wie zijn wij etc.
Elkwegs: het lijkt er fel op dat Artaud met deze tekst wou aantonen dat hij weet waarover hij praat, om zo de argumentatie daar kracht bij te zetten.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

dagboek zonder dagen (16)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

[…p.118…]

Net zoals het mogelijk is om de gedachten in wakende toestand aan een discipline te onderwerpen, is het mogelijk om de gedachten en de gevoelens van dromen te disciplineren: er toe komen om bepaalde zaken bewust niet te dromen, vervolgens er toe komen om bewust bepaalde andere dingen te dromen, die dromen te registreren, er een zeker bewustzijn van te hebben, er de herinnering van verbeteren om zo van de slaap wat nieuwe bagage aan kennis over te houden en zo de slaap om te vormen tot een onderzoeksmiddel. Er voor zorgen dat de vreemde vondsten van de dromen ons tijdens de rest van het leven naar een beter begrip van die zaken leiden, waarvan we ons nog niet bewust zijn: dat die zaken langzaam stijgen van het onbewuste onbekende en onvoelbare naar het gekende, het bewuste en het voelbare. Dat daargelaten zijn er toch bepaalde gedachten uitgesloten uit het mentale in wakende toestand die zelfs geen toevlucht vinden in de droom. Deze uitsluitingen van het bewustzijn, uitsluitingen uit de droom zullen hun toevlucht zoeken (is het nog leven) in de meest obscure afwezigheid van het denkbare, het verlangen en het gevoel. Er zal heel natuurlijk een verhouding ontstaan tussen de slaap en het waken: in de slaap ontwikkelen zich de materialen bestemd om zich af te scheiden van het onbewuste, terwijl die zaken die bestemd zijn om het bewuste te verlaten zich nog voordoen in de droom vooraleer zich meer definitief af te zetten in de meest onwaarneembare gebieden.

Het idee komt zo uit het voorbewuste, uit het onbewuste, uit wat achter het onbewuste ligt, neemt het zijn aanvang in de nacht van het onwaarneembare en het onvoorstelbare. maar door ons te trainen in de kennis die zich ontwikkelt in die achterwereld, door discipline, door ons meer bewust te maken van die ideeën, die gevoelens, die gewaarwordingen die er nog nauwelijks zijn en waarop de dromen een straal daglicht werpen, benaderen wij een beter begrip van dat onwaarneembare en dat onvoorstelbare.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

commentaar

ik weet het niet maar ik denk niet dat ze elkaar gekend hebben Réquichot en Artaud. ik denk ook niet dat beide personen erg compatibel waren, ’t is een ander afdeling om het zo oneerbiedig te zeggen…
soit, we houden de kerk in ’t midden met nog ’s een paragraafke vertaling van Bernard vandaag…

mss., zo hoor ik mij denken, ben ik zelf wel een soort meta-zot, een ontsnapsel uit een verder onbekende dimensie van de waanzin, dat ik mij zo begrepen voel bij beiden. tja. ja sè.Deleuze, da’s ook nog ewa thuiskomen, maar da’s niet zo bekend maar dat was ook nie echt ne gewone ze. die kon er in zijne privè ook nie een beetje neffens derailleren.ach ach, ge moogt er niet teveel over doordenken net zoals over Amerika en de Amerikanen dezer dagen. als ge daar op begint door te denken wordt ge zotter dan zot van verdriet en pure horror want allez dat is toch puur een zwart gat van absolute horror nu en zeggen dat daar ontelbare letterlijk ontelbare verschrikkelijk lieve en schattige menskens wonen die net als wij alleen maar vragen om af en toe een beetje gerust te mogen zijn en blij te zijn bij elkaar. ’t is erg en nog erger is dat er niks aan te doen is en dat we hier van geluk mogen spreken toch…

weet ge als ge daar te lang over doordenkt over dat soort zaken geraakt ge helemaal ommuurd door de absolute onleefbaarheid van hoe onze werkelijkheid, dat stukske van ons aller illusies dat we blijkbaar delen kunnen, van hoe die communiceerbare fictie zich verhoudt tot wat het in onze verbeelding zou kunnen zijn, enerzijds en dat van binnen uit, als we zo ommuurd zitten al, ook nog ’s opstijgt het gevoel van hoe het ‘echt’ zit, want we weten dat niet bewust dat we dat weten maar we weten het wel onbewust en dat is dan geen echt weten maar een onontkenbaar besef, een weten van het niet-weten zoals wanneer ge weet dat ge iets vergeten zijt, wel als die nest binnen de onmogelijkheid van enige uitweg uit de realiteit naar het imaginaire ook nog ’s komt opzetten dan begint ge pas de ware toedracht van de woorden van zowel Réquichot als Artaud te begrijpen, te doorgronden, niet omdat ge het ‘snapt’, ge kunt het zelfs niet uitleggen, maar gewoon omdat ge het ervaart omdat het in uw puttekensputteke ook aan het gebeuren is, alleen hebt gij nog de luxe dat ge het naar believen af kunt zetten omdat ge die kracht nog over hebt, terwijl die twee pipo’s er vrijwel constant geheel aan overgeleverd waren, het moesten ondergaan. feesten van angst en pijn.

die fameuze écriture du réel, wat het ook moge worden, wat daaruit voort gaat komen, en je voelt dat er iets heel erg hoognodig Iets wil worden alsof de ganse wereldziel in alle kottekens van de humane expressie aan het pushen is om dat Iets er uit te krijgen, die fameuze Gebeurte die ons overkomen gaat, echt fameus plezant gaat het denkelijk toch nie worden hoor.

achteraf misschien, als we het horen jengelen met een engelenstem.

maar bon, ’t is nu niet alsof we daarin enige keuze hebben, dat is ongeveer het domste wat je daarbij kan denken.

blijven ademen dus, zoals ons moeder moest doen van de bevalmadam.

journal intime #114

jt114 – Le sol est tout conchié d’âmes – SLAGVELD

de dichters heffen de handen
daar waar trilt het levend vitriool,
op de tafels idool is het zwerk dat
beentrekt in een boog. het lid

murwt een tong van ijs in elk
gat, elke kier die de hemel zo
voortschrijdend open laat.

de vloer is gans onder gescheten
met zielen en vrouwen met leuke
sexe-deeltjes, heel kleine krengen
die hun mummies afwikkelen.

Les poètes lèvent des mains
où tremblent de vivante vitriols
sur les tables le ciel idole
s’ arc-boute, et le sexe fin

trempe une langue de glace
dans chaque trou, dans chaque place
que le ciel laisse en avançant.

Le sol est tout conchié d’ämes
et de femmes aux sexe joli
dont les cadavres tous petits
dépapillotent leurs momies.

Antonin Artaud – uit ‘L’Ombilic des Limbes’ in [ARTAUD 1956, p71]

NKdeE 2020 – ‘les poètes [se] lèvent des mains – Artaud’ – A5 -potlood-krijt-wasco

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960

zwarte dichter

Zwarte dichter, door een maagdenschoot
behekst,
verzuurde dichter, ’t leven stokt
en de stad brandt,
en de hemel kwijt zich in regen,
jouw veer krabt aan het hart van het leven.

Bossen, bossen, ogen zwermen
rond pijnappelwoekering;
met stormharen de dichters
vorken de paarden, de honden.

De ogen razen, de tongen roeren
de hemeltoevloed in de neusgaten om
als melk, voedzaam en blauw;
ik ben opgehangen aan uw lippen,
vrouwen, harde harten vol azijn.

Antonin Artaud – vert. NKdeE 2020

POETE NOIR

Poète noir, un sein de pucelle
te hante,
poète aigri, la vie bout
et la ville brûle,
et le ciel se résorbe en pluie,
ta plume gratte au coeur de la vie.

Forêt, forêt, des yeux fourmillent
sur les pignons multipliés ;
cheveux d’orage, les poètes
enfourchent des chevaux, des chiens.

Les yeux ragent, les langues tournent
le ciel afflue dans les narines
comme un lait nourricier et bleu ;
je suis suspendu à vos bouches
femmes, coeurs de vinaigre durs.

uit: Ombilic des Limbes,
in Artaud, Antonin, Oeuvres Completes Tome I, Gallimard, Paris 1956, p.65

dagboek zonder dagen (15)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De materie is zonder begin, de geest komt evenals het leven voort uit de evolutie van de materie. Het is daarom dat het kleinste fenomeen van de materie in zich de potentie draagt van de geest en het leven. Omdat de materie zich zonder twijfel op min of meer zeldzame wijze op elke plaats van het universum bevindt, kunnen we zeggen: elk deeltje van het universum bevat in potentie geest en leven. Omdat elk deeltje van het universum sinds oneindige tijden bestaat, heeft elke deeltje sinds oneindige tijden al ontelbare cycli van metamorfoses doorlopen, van leven en dood. De tijd beweegt in het binnen van het universum en beweegt op zichzelf; hij geeft aan elke plaats een geschiedenis even oud als de ganse wereld en gelijkaardig aan eender andere waar materie, leven en denken overlappen.
Vanaf een zekere zwaartegraad wordt het denken universeel: dat is waar voor de dichter, de wijze, de kunstenaar en ieder waarvan de activiteit een

p.118

middel tot kennis is. het is daarom dat wanneer zij die graad bereiken hun verslagen hen onderling verrijken omdat ze een gemeenschappelijke taal spreken. Door verschillende middelen tot kennis komen ze bij die gemeenschappelijke plaats waar ze hun zienswijzen met elkaar kunnen confronteren. Vandaar dat de studie van het fundamentele begint wanneer de gescheiden middelen tot kennis aftreden.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

dagboek zonder dagen (14)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Soms moet je vechten tegen je denken en als het denken ons overstijgt kan het ook een middel worden om ons te overstijgen.

p.117

Voor de dingen van het dagelijkse leven, zij kunnen schilderkunst worden als zij [als?] dingen van buiten resoneren met de wereld van binnen, en de schilderkunst gelijkaardig aan de dingen wordt.

De mens van de toekomst zal begrepen hebben hoe hij gemaakt is en hoe hij functioneert, hoe de mekaniek in elkaar zit van zijn denken en zijn voelen; hij zal dat kunnen maken en laten werken, hij zal denkende en voelende machines maken en die kunnen zich zelfs perfectioneren: ze zullen gemaakt zijn naar zijn beeld. Hij die hen maakte zal hen domineren en hen begrijpen: weinig zal voor hem nog een daad van begrip of gevoel zijn.

Stelling: De beweging ontbindt de materie: hoe meer de beweging toeneemt, hoe meer de materie zich wegvaagt.

God is een eenvoudig idee gebruikt door mensen die zich geen vragen stellen.

Men kan zich de fenomenen van de dood heel goed voorstellen en dus bestuderen zonder al dood te zijn of bezig te sterven.

De auto-analist experimenteert met ongerepte psychische toestanden.

Als de getallen enkel een ingebeelde existentie hebben kunnen de wiskundige bewijzen dan iets anders zijn dan ingebeelde waarheden?

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

dagboek zonder dagen (13)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Reactie impliceert gewaarwording op een variabele graad van bewustzijn. De niet gewilde keuze van de reactie veronderstelt een reden, dus een betekenis.
Voorbeeld van betekenis: klauwen op de grond indiceren de passage van een leeuw.

De toeschouwer van een dergelijke gevoelige plaat heeft de rol haar te lezen; de lezing begint in de omgekeerde richting van het schrift: de toeschouwer ziet eerst dat waarmee de analyst eindigde en, om de zaken redelijk grof te beschouwen, keert langs omgekeerde opeenvolging op de loop der acties terug.

Wij, de introverte anderen, wij hebben onze twijfels over ons, zoals jullie extraverten waarschijnlijk jullie twijfels hebben over de anderen.

De communicatie onderneemt haar pogingen in de experimentele emoties. Wanneer de experimentele emotie verrast, vervoert of stopt, dan komt dat wat verwacht werd aan en fixeert zich in een ogenblik.

Mocht de duivel bestaan, wij zouden onszelf beter kennen.

Het meest extreem doordringende van het lawaai is een vorm van sadisme.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

commentaar

eigenlijk is het onvoorstelbaar wat voor een verschrikkelijk slechte lezers de geschriften van Bernard Réquichot hebben moeten doorstaan. ik heb in ieder geval bij al het geschrevene dat ik over Réquichot las nergens de indruk gekregen dat de auteurs daarvan ook maar iets van deze geschriften hebben begrepen.

het zijn nochtans geen obscure geschriften, ze verhullen totaal niks, ze zijn doodeerlijk en zeggen exact wat ze ‘willen’ zeggen. maar je moet het geschreven wel willen activeren als gedachte in je hoofd, je moet ze (durven/willen/ de moeite nemen om ze) open( te )vouwen van tekst tot gebeurende gedachte.

je moet Réquichot dus lezen zoals men vroeger boeken las, en zoals men ze ook schreef, niet als kant en klaar consumptieproduct maar als een hulpmiddel, een werktuig om gedachten te laten gebeuren.

(de Trionfi van Petrarca moet je ook zo lezen, als een programma om alle verhalen achter de korte vermelding in de tekst van de ‘optocht’ te laten gebeuren in je hoofd, de echte tekst van de Trionfi werd geschreven door de lezers van Petrarca die de code nog konden lezen als programma, als code voor de machine van het geheugen – hoe denk je anders de immense populariteit van die tekst te verklaren die door zijn tijdgenoten duizend keer hoger ingeschat werden dan de liedjes voor Laura? omdat al die duizenden lezers zo loemp waren misschien? wie is er hier loemp? de evolutie in de cultuur is een constante devolutie, het wordt alleen maar erger met de loempigheid…)

neem een zinnetje als: ‘Si le diable existait nous nous connaîtrions davantage’ ( ‘Mocht de duivel bestaan, wij zouden onszelf beter kennen’).

wat betekent dat als je het eenmaal, driemaal honderdmaal leest? als je weigert te denken, weigert bij jezelf op zoek te gaan wat het zou kunnen betekenen, blijf je enkel achter met een gratuit bon mot, een aforisme zoals je er wel duizend per dag zou kunnen consumeren.

maar hoe kom je tot de gedachte die deze zin activeert als je het toelaat? wel, de zin zegt dat de duivel niet bestaat en dat we daardoor onszelf niet zo goed kennen dan wanneer dat wel het geval zou zijn.
waarom zouden wij onszelf dan beter kennen?
wat is de duivel? het kwaad in de mens. we kennen dus niet het kwaad in de mens want dat zit in ons denken, en moest het niet in ons denken zijn, dan zou het bestaan als duivel en dan konden we het kennen, want dan viel immers ons denken niet langer samen met het kwade erin, met de duivel ervan die evenwel niet bestaat.
voila, nu is de gedachte vrij en kan ze beginnen wérken, je hebt een pad geopend in de gewoonte van je denken dat er nog niet was, want aja, dat was uw gewoonte niet om daar zo over te denken, maar nu bestaat die duivelse gedachte in jou en ken je jezelf iets beter, maar wat ken je beter? is dat wel jezelf? is het Réquichot? de duivel?

zie je, je kan die geschriften niet zomaar ‘consumeren’ zoals je wel met deze teksten van mij kan doen, dat is daar slappe koffie tegen (geeuw maar, je mag, ik sta het jou toe).

nog een voorbeeld? oké, volgende zin: “L’extrême aigu du bruit est une forme de sadisme”( ‘Het meest extreem doordringende van het lawaai is een vorm van sadisme’).

hoe gaan we van deze uitspraak opnieuw een actieve gedachte maken? wel hop, dezelfde manier van ‘lezen’: wat is lawaai, wanneer is lawaai lawaai en geen geluid?

lawaai is lawaai wanneer het als lawaai wordt waargenomen, wanneer het herkent wordt als lawaai, wanneer het zich herkent als lawaai. wat kan het lawaai anders doen dan genieten van zijn lawaai-zijn, zijn hinderlijk zijn, van de ergernis die het opwekt, het spoor daarvan dat het aanricht, hoe prachtig is het niet om lawaai te zijn, hoe je de teerbewaakte stilte kan openrijten, hoe je het ongerepte met een gilletje kan aansnijden, openrukken, vernielen verwoesten. maar nee hoor lawaai is gewoon bot betekenisloos lawaai, het is alleen het meest extreem scherpe van het lawaai dat een vorm is van sadisme, het soort lawaai dus dat genoegen schept in het lawaai zijn.

beide zinnen staan na een vrij omstandige uitleg dat een schilder die experimenteert met zijn automatisme van de toeschouwer verwacht dat deze de omgekeerde weg zal afleggen om zo te lezen wat de schilder emotioneel heeft doorgemaakt (weerzin, enthousiasme, wantrouwen) door de confrontatie met die automatische expressie.

midden in die uitleg, lees daar ajb niet over in je post-corona haast, gaat het over het gebrek aan vertrouwen dat ook de extravert wel moet kennen (veronderstelt toch de introvert) in de ander, terwijl de introvert natuurlijk nooit verder komt dan twijfel aan zichzelf, omdat zulks tenslotte het enige is waar hij zekerheid over zou kunnen bereiken, maar zie je zelfs dat lukt mij niet, ik ben nou eenmaal introvert dus ik twijfel in de eerste plaats aan mijzelf…

maar kom, besluit hij dan (twee dagen later? een maand later? we weten het niet, geen enkele lezer van Réquichot heeft het zich afgevraagd blijkbaar, hoe kan je dit lezen en het je niet afvragen???)
kom, besluit hoedanook de auteur van deze als 1 doorlopend geheel gepresenteerde tekst, ik zal jullie deze twee zinnetjes prijsgeven, zodat deze geschriften werken zoals mijn schilderijen, zodat jullie als lezer de omgekeerde weg kunnen volgen en mijn gedachten kunnen lezen door ze bij jezelf te activeren, want als dat in schilderijen zo werkt is dat omdat ik geleerd heb dat het in geschriften ook zo werkt, dat weten jullie toch ook, die zo wanstaltig zeker lijken te zijn over jullie zelf, jullie duivel-loze ikjes in de sacrale stilte van jullie zwijgen?

wat Réquichot ons biedt in zijn geschriften is geen onthulling, geen revelatie, geen epifanie, maar wel de ervaring van een autonoom denken, een belevenis van het gebeuren van het denken zelf.

het is een experiment (zoals alles wat hij doet experiment is, onderzoek, Faustiaanse queeste naar het echte) dat niets minder doet dan pogen om momenten van verbinding tot stand te brengen over de dood heen, een dood die voor de voltrekker van de eigen ondergang, voor de duivelskunstenaar, de leerling-Faust Réquichot op elk moment in zijn leven en in zijn handelen aanwezig was. wat is schrijven anders dan een poging om iets achter te laten van je gedachten? wat is schrijven anders dan een passie die je beoefent alsof je leven ervan afhangt, want dat doet het ook echt op elk moment dat je schrijft.

“wanneer de experimentele emotie verrast, vervoert of stopt, dan komt dat wat verwacht werd aan en fixeert zich in een ogenblik. ”

welkom, jij hypocriete lezer, mijns gelijke, in het moment van Bernard Réquichot.

Réquichot – dagboek zonder dagen (10)

NKdeE 2020 – ‘The appearance mid-april of the boy Réquichot in the gestures of my thinking’ – pencil & wax crayons, A6

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De onbewuste daad : dat wat er onbewust is in de daad.
Welke realiteit voelt er? Wat ondergaat die wanneer er een impressie naar boven komt? Wat wordt die wanneer de impressie voorbij is, de functie ervan opgeheven is? Die functie, welke impuls conditioneert die, onderhoud die of stopt die? Welk residu van zichzelf blijft er over door de herinnering?

Wat is dat, bewustzijn hebben? iets waarvan je alleen de controle hebt, een innerlijk fenomeen waar die controle deel van uitmaakt.

Eender welke gedachte wordt voor de diepzinnige geest een onuitputtelijke materie voor meditatie, alleen al omdat het een gedachte is. Er zijn geen hoge, lage, af te wijzen, te verkiezen gedachten meer, er is enkel dat middel tot reflexie dat meteen ook zijn eigen object is. De gedachten ontstaan allemaal op dezelfde manier. Ze hebben achter zich allemaal dezelfde onbekende die hen uit het donker trekt, dezelfde mengeling van wetten en toevalligheden die hen bindt, hetzelfde ogenblik dat hen tot bewust bezit maakt.

Wat bestaat er?

De dingen werden met mij geboren en ik werd elke dag geboren.

Zijn innerlijk bestaan gaat vooraf aan het denken.

p.115

Hoe kleiner het denken zich maakt, hoe meer de wil ervan afwijkt, het is daarom dat zijn macht zo min is in de schaduw ervan.

Op het moment sluit het weten het willen uit.

Onwillekeurig wil niet zeggen totale passiviteit, en evenmin vrijblijvende bewusteloosheid; er zijn actieve onbewuste materialen, ze hebben een neiging. De afwezigheid van de idee wil niet zeggen: afwezigheid van elk psychisch fenomeen.

De rol van het onwillekeurige is groot in de mate waarin de rol van het onbekende groot is.

Alle materialen worden sensueel.

Réquichot – dagboek zonder dagen (8)

//Réquichot Rotbak dag 44 – plots vraagt het kippenbotje zich af ‘wat doe ik hier eigenlijk in deze Rotbak?’

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De tijd van elke wereld. Er zou zelfs een verband vast te stellen zijn tussen de werelden die door het mentale zijn gecreëerd en de innerlijke tijd die hen heeft zien geboren worden zo kort bij de aandacht die hen deed bestaan. Zo’n wereld zou enkel kunnen bekomen worden bij een corresponderende graad van bewustzijn of van tijdsverandering; zulk een denkinspanning verwekt zulk een wereld, verwekt zulk een tijd. Ze verwekt zulk een waarheid of zulk een schoonheid waarvan sommigen slechts voor het verloop van een ogenblik waarneembaar zouden zijn. Hun tijdelijkheid of liever hun afwijking van de tijd zou een aanduiding zijn van hun kwaliteit: het horloge van de innerlijke tijd zou hun waardenschaal aanduiden.

Mijn schilderijen: figuratief? neen; abstract? ook niet. Men kan er kristallen in terugvinden, schorsen, rotsen, algen; nochtans zijn die dingen niet ‘voorgesteld’. Het aanzien van mijn schilderijen heeft gewoonweg een analogie met die vegetale of minerale materie. De analogie is geen figuratie: wanneer twee katten op elkaar lijken impliceert hun gelijkenis niet dat de ene de afbeelding van de andere is. Figuratief zijn de afbeeldingen van een wereld die bestaat of van een wereld die zou kunnen bestaan. Abstract zijn de afbeeldingen van een wereld die niet kan bestaan. Die gelijkenis van mijn schilderkunst met bepaalde elementen van de natuur is niet intentioneel.

p.114

Kan die onvrijwillige analogie figuratie genoemd worden? Hun richting doet er weinig toe: als die verandert, blijft de analogie. Om de abstracte kwaliteiten van een figuratief werk te appreciëren zet men het omgekeerd om zo te vergeten wat het voorstelt; mijn werken gelijken in alle richtingen op hetzelfde.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (7)

//Réquichot Rotbak dag 43 – klokken van Wuhan?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Degene die zijn bestaan geeft aan het universum schikt het volgens zijn wetten; iedereen geeft aan het universum het bestaan dat hem bevalt.

De grootte van de wereld is maar de grootte van het denken die hem beschouwt, wij zien hem door het innerlijke beeld dat we ervan hebben. Als we mysticus zijn, is hij maar een droom; als we dichter zijn, gemoedsuitdrukking, schoonheid. Als we chemicus zijn is hij louter reacties; wiskundige, dan wordt hij gereduceerd tot wet, tot waarheid. Onze overheersende obsessie overheerst de wereld, hij bestaat door ons. Het einde van het voelen en het denken is

p. 113

ook zijn einde, doodgaan herleid hem tot het niets, alsof onze grens ook de zijne is. Daar is de horizon van ons lynksenoog, daar waar niets nog begint.

De innerlijke tijd. Wie heeft niet een vertraging of een versnelling van het verloop van de tijd bemerkt naargelang de levensperioden, de momenten of de ogenblikken?Is het niet vaak de vertrooide die de tijd vergeet? Verstrooid, niet zo erg, diegene die zich concentreert op een zekere grens van de aandacht en zich daar uitsluitend op immobiliseert. Door zich daarop te fixeren verniet hij de tijd: er zich van losmakend herleeft de duur en omdat de geest zich nergens om bekommert kan die aanzienlijke proporties aannemen. Aldus zou de tijd maar een variabele hoeveelheid behouden aan binding, de intensiteit van het ene zou omgekeerd evenredig zijn met het bewustzijn van het andere. Er zou een heel curieuze horlogerie op punt te stellen zijn: die zou bepalen dat terwijl de perfecte lijn van de zonnewende haar constante ontvouwt zou een andere lijn oneindig gevarieerd met de sentimenten en de personen de punten benaderen of ervan afwijken, punten die zich officieel op gelijke afstand zouden bevinden. Het verwerven van die kostbare tijdsmechaniek zou het modificeren inhouden van staten waarvan het mentale de drijfveer is.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (6)

//Réquichot Rotbak dag 40 – echt vooruitgaan doet het wel niet

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Ik minacht de anderen want ik heb mijn eigen universum. Ik zeg wel degelijk universum, dat wil zeggen dat de anderen erin begrepen zijn. Ik weet dat zij het mij weergeven, maar ik negeer dat.

Daar elke vorm en kleur een expressie hebben is de expressie de ontmoetingsplaats van geheel het zichtbare universum.

p. 112

Klaar te zien zelfs in de gedachten die instinctief gemaakt zijn.
Een redenering bestaat niet.

De aandachtsvolle sensibiliteit van het denken voor de producten van de handgebaren die improviseren.

Een ervaring tot het uiterste voeren: als men te snel het uiterste vindt is dat niet de weg; als men het niet vindt is het de goede.

Ik probeerde de wereld in twee nette regionen te verdelen: hier wat er concreet is daar wat er abstract is; hier wat bestaat, daar wat niet bestaat. Voor die twee alternatieven plaatste ik mijn idee; het had alles wat nodig was om niet te bestaan: de gedachte had niets concreets. Maar toch had er iemand gezegd: “Ik denk dus ik ben” Hij had het nodig te begrijpen wat er in hem gebeurde om te begrijpen wat er buiten hem was.

Sommige onderzoeken bestuderen de uiterlijke wereld, andere de innerlijke. De eersten zullen steeds de waarde van hun bevindingen betwijfelen zolang zij niet weten wat het proces en de waarde van het mentale functioneren is; en de kennis van de mechanismen en de waarde van het mentale zou beperkte kennis zijn als zij haar zekerheid niet tot aan de uiterlijke wereld kon doen reiken. De verbinding van die twee werelden zou dus primordiaal zijn. Wat zou de orde van de wereld zijn zonder onze ntelligentie om haar te vatten, haar te creëren. het begrip van de ene kan niet zijn zonder het begrip van de andere; het ene roept het andere op zijn hoogtepunt, ze zijn elkaars verwezenlijking. De uiterlijke wereld werkt zich uit in het denken, de orde van het universum dat is onze intelligentie om het te vatten, te creëren, om te vatten wat die creëert.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (4)

//Réquichot Rotbak dag 38 – volstaat de angst der blootgestelde lichamen om ze op de planeet te kunnen repatriëren?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Drie maanden geleden toen ik bij L.D. was kwam er een man binnen die door de gemeenschap der sterfelijken van de buurt beschouwd werd als een beetje gestoord. Hij deed Madame D. en mij een lang genoeg verhaal waaruit ik twee frasen weerhield: ” Ik dood niet om te stelen”, een associatie van ideeën niet ontdaan van enige logica, en “Ik heb twee hoofden zoals Napoleon”, een meer afwijkende bewering. Het gehele verhaal had betrekking op hemzelf en op zijn moeder. Hij leek in zijn ogen een zekere strekking in zijn vooropstellingen te hebben, van het soort waarvan ik veronderstelde dat hij ze begreep terwijl Madame D. en ik het niet begrepen. Net zoals de logische textuur van mijn droom mij absurd leek bij het ontwaken, dacht ik dat als ik maar in zijn plaats was, als ik even gestoord zou zijn als hij, dan zou de zin van zijn woorden mij wel verschenen zijn; en vandaar dat iets in hem zijn toehoorders, te lui of niet capabel om hem te volgen, ontging en dat men hem dan maar veelal bij de minus habens onderbracht. Hij leek een zekere richting in zijn gedachten te hebben; zijn ideeën gaven hem er andere aan, ze leken niet zonder reden elkaar op te volgen. Ik kwam er uiteindelijk toe om te denken dat elke waanzin niets anders was dan een logica die verschilde met de onze en dat er deze logica der gekken, hoe ontoegankelijk zij ook was, niets in de weg stond om gedachten af te scheiden die even gezond en even diepzinnig waren dan welke dan ook.

Zich bevrijden van de gewoonte, zich bevrijden van het denken, zich bevrijden van de wil, zich bevrijden zelfs van de hoop, dit alles terwijl men het verschil weet te herkennen tussen de ware en de valse vrijheid. Er is ook de ware en valse hardnekkigheid.

Schilderen niet om een oeuvre te maken, maar om te weten tot waar een

p.111

oeuvre, tot waar het denken en het voelen kunnen gaan , waartoe onze smaak voor bepaalde geneugten leidt.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (1)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

p.107

We geloven dat we voelen, dat we begrijpen, we geloven dat we iets zeggen als we zeggen “Ik denk”; maar wat is dat “ik” en wat is dat “denk”? Wat is het kennen, wat is het weten, wat het zijn en wat is het zien? Wat is het spreken en wat is het luisteren? Algehele instorting van de woordenschat.

Mocht ik weten wat dat wil zeggen “ik denk”, dan zouden alle domeinen van de kennis mij toegankelijk zijn, want geen van hen bestaat zonder dat het denken bestaat. Het is het zien dat maakt dat wat je ziet, bestaat. Het is het voelen dat maakt dat wat je voelt, bestaat. Zoals in de liefde maakt het voelen dat het ding bestaat.
Zeldzaam zijn zij die denken en zij die voelen, zeldzaam zijn zij voor wie de woorden niet reeds een zin hebben.
Wat is er moeilijker dan de aard van de sentimenten te definiëren? Om ze te veel te willen situeren klasseert men ze, men simplificeert ze, men dooft ze. Van belang is dat zij zijn; wat hun waarde of charme bepaalt is hoe zij verschillen; wat hun geheim is, is dat er geen naam is voor ieder van hen, wat maakt dat ze een middel tot verrijking kunnen zijn, want om ze te kennen moet men ze ondergaan en zo verandert men door hen.
Ze wekken de nieuwsgierigheid: met de verandering die zij ons aanreiken, roepen zij het verlangen op om de verandering bij anderen te kennen. Dus wanneer wij de verandering van de ander aanvoelen zeggen wij hen “Waar denk je aan als je voelt?” Is wat hij ziet overdraagbaar, of wat hij gelooft te denken of gelooft te voelen? Misschien antwoordt hij, misschien geloven we zelfs dat zijn antwoord waar is. Wat is de waarheid van het onzichtbare? Is dat niet dat ding dat maakt dat wij geloven begrepen te zijn? Dat wij geloven dat wij het begrijpen, dat wij begrepen hebben wat ‘ik denk’ wil zeggen? Het begrijpen wordt de uiteindelijk gemeenschappelijke plaats van het denken en van het voelen.

Hulde aan de lelijkheid, aan de horror van de hyperbrol, saërdante arnak-cochijnemesine, wanstaltig en vreselelijk grillig gehoornde troep of

p.108

afzichtelijke wanorde! Glorie voor de ziekelijk lanterfantende klierzooiige afweer die verHixHixt de vaatkluwenkladschilders ! Ho! gorgelaartje van Barabas, Baratsahal waardig, de bottenkwakzalvende, ho bisquekladderaar, bihamente makmish met suddermeumeu! die bij Retieke van de Sekketiekenstraat van bij de taramantieke Réschitoke woonde!

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Barthes over Réquichot (16)

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>
foto van Dirk Vekemans.

// Réquichot Rotbak dag 15 – + drie gedroogde kamerplantbladeren

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Barthes ontwikkelt hier, in het stuk over de representatie vandaag, weer enkele zeer bruikbare gedachten. Maar.

Réquichot publiceerde niets van zijn geschriften, compleet in overeenstemming met de premissen van zijn werk. Geeft dat auteur Roland Barthes een vrijgeleide om de eigen kijk op het werk te priviligeren boven de intentieverklaringen en de begeleidende commentaar in het nagelaten literaire werk? Blijkbaar wel: er was nog wat meer echte verdienste mee gemoeid, maar je was ook toen geen auteur tot je het zitje gekocht had, op één of andere manier.

Gelukkig was Réquichot zich van dit kleine euvel bewust. Wist hij dat de echte, wérkende titel ‘auteur/autrice’ enkel postuum kan worden verleend aan de auteur van geschriften die weigeren de vergetelheid te omarmen zonder eerst hun geheimen te hebben prijsgegeven aan de lezers die zulks nodig hebben en die haar/hem daarom uit dankbaarheid benoemen.

“Ah! la jouissance d’être l’auteur de sa propre apocalypse”.

de representatie

Hoe weet de schilder dat het werk af is? Dat hij dient op te houden, het object loslaten, aan een ander werk beginnen? Zolang de schilderkunst strikt figuratief was, was het affe denkbaar (het was zelfs een esthetische waarde): dit hier heeft het bereikt (de illusie), dit kan ik loslaten (het doek); maar in de schilderkunst daarna is de perfectie (parfaire wil zeggen beëindigen) geen waarde meer : het werk is eindeloos (zoals het onbekende meesterwerk van Balzac dat al was), en toch hield men op een zeker moment op (om het te tonen of te vernietigen) : de maat van het werk zit ‘m niet meer in zijn finaliteit (het product beëindigt wat het constitueert), maar in het werk dat het exposeert (de productie waarin het de lezer wil meeslepen: naarmate het werk zich maakt (en zich leest) transformeert het zijn einde. Het is een beetje wat er gebeurt bij een analytische behandeling: het is het aanvankelijk zeer eenvoudige idee zelf van ‘genezing’ dat zich beetje bij beetje compliceert, transformeert en verwijdert: het werk is onbeeindigbaar, zoals de behandeling : in beide gevallen gaat het minder om een te bereiken resultaat dan om een probleem aan te passen, dwz. een onderwerp : het te ontdoen van de finaliteit waarmee het zijn begin insluit.

Zoals men ziet stelt de moeilijkheid om te eindigen – waarvan Réquichot vaak melding maakte – de representatie zelf in vraag, tenzij het de afschaffing van de figuratie is, teweeg gebracht door een heel spel van historische determinaties, die het einde (doel en slot) van de kunst onvervuld laat. Heel de discussie zit misschien vervat in de twee betekenissen van het woord “representatie”. In de gebruikelijke betekenis, die van het klassieke werk, betekent de representatie een kopie, een illusie, een analoge figuur, een gelijkend product; maar in de etymologische zin is de re-presentatie niets anders dan de terugkeer van wat zich gepresenteerd heeft; in de representatie onthult het heden [fr: ‘le présent’] zijn paradox, die van reeds plaatsgevonden te hebben (omdat het niet aan de code ontsnapt): aldus komt dat wat het meest onbedwingbaar is in in de kunstenaar (in het geval van Réquichot) te weten de raket van het orgasme, niet tot stand zonder de hulp van het alreeds dat in de taal vervat is, dat de taal is; en het is hier dat in weerwil van de blijkbaar onverzoenlijke oorlog tussen het Oude en het Nieuwe de twee betekenissen zich verbinden: van het ene eind naar het andere van haar geschiedenis is de kunst niets anders dan het wisselende debat van het beeld en de naam: enerzijds (aan de figuratieve pool) regeert de exacte Naam en legt het teken zijn wet op aan de betekenaar; anderzijds (aan de – moeilijk te zeggen – “abstracte” pool) vlucht de Naam, wil de onophoudelijk exploderende betekenaar zich ontdoen van dat koppige betekende dat wil weerkeren om een teken te vormen (de originaliteit van Réquichot bestaat hierin dat hij de abstracte oplossing achter zich liet en begreep dat je om je van de Naam, de Maya te ontdoen je moest aanvaarden om die uit te putten: de asemie passeert langs de exuberante, radeloze polysemie, : de naam blijft niet ter plaatse).
Samengevat, is er een moment, een niveau van de theorie (van de Tekst, van de kunst) waar de twee betekenissen ruzieën: je kan stellen dat het meest figuratieve schilderwerk nooit iets representeert (kopieert) maar enkel een Naam zoekt (de naam van de scène, van het object); maar je kan ook zeggen (wat vandaag meer ongehoord is) dat het minst figuratieve “schilderij” altijd iets voorstelt: ofwel de taal zelf ( wat om zo te zeggen de positie van de canonieke avant-garde is), ofwel het binnen van het lichaam, het lichaam als binnen, of beter: het genieten : dat wat Réquichot doet ( als schilder van het genot is Réquichot vandaag uitzonderlijk, uit de mode – want de avant-garde is niet vaak genotzuchtig).

de Franse tekst

commentaar

Barthes negeert het autonoom ontwikkelde discours van Réquichot zelf totaal en verliest zich maar al te graag in de wriemelige complexiteiten van zijn reïficerende betekenistheorie die hij als een certitude poneert (terwijl er ondertussen niet zo veel meer van overeind blijft).

maar die ene opmerking over het feit dat de asemie pas kan bereikt worden via een exuberante polysemie maakt veel goed want dat is ook wat blijkt uit de talloze oppervlakkige en al te makkelijke ontsnappingspogingen in de huidige Asemic Writing praktijk die op vrij amechtige en – het moet gezegd – zelfs ridicule wijze blijven steken in het feit dat ze allemaal zo betekenisvol willen zijn, ze willen ertoe doen, ze schreeuwen om aandacht, om likes voor hun maak(st)ers. In een vrij monsterlijke pastiche op de artistieke geschiedenis willen sommige van deze krabbels zich onderscheiden van gewone kinderkrabbels louter door hun benaming als ‘asemisch schrift’.

Het kan altijd erger, dat is de wet van de kosmos; maar in de Kunst kan het altijd nog veeeeeel erger…zolang de geldkraan open staat toch.

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>

Barthes over Réquichot (15)

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>
foto van Dirk Vekemans.

//Réquichot Rotbak dag 14 + mortel van gemalen mosselschelpen met linzenmeel en behanglijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. In het boek zijn ook de geschriften van Réquichot opgenomen, maar diens woorden komen niet echt frequent opborrelen in deze gedachten van Barthes

In de afdeling ‘de representatie’ vandaag de langere sectie over ‘de naam’.

de naam

Laat ons twee moderne objectbehandelingen beschouwen. In de ready made is het object reëel (de kunst begint pas aan de rand ervan, zijn inkadering, zijn museografie) – daarom heeft men erover kunnen praten als kleinburgerlijk realisme. In de conceptuele kunst wordt het object genoemd, geënt op het woordenboek – daarom zou men beter van “denotatieve kunst’ spreken dan van “conceptuele kunst”. In de ready made is het object zo reëel dat de kunstenaar zich een excentrieke of onzekere denominatie kan veroorloven: in de conceptuele kunst is het object zo exact benoemd dat het niet meer echt hoeft te zijn: het kan zich herleiden tot een lemma in het woordenboek (Thing, van Joseph Kosuth). Deze twee behandelingen [FR: ‘traite-ments’],die schijnbaar tegengesteld zijn zijn terug te voeren tot eenzelfde activiteit: de classificatie.

In de Hindoe-filosofie heeft de classificatie een illustere naam: dat is Maya: niet de wereld van de ‘ verschijningne’, de sluier die de intieme waarheid verhuld, maar het principe dat maakt dat alle dingen geklasseerd en gemeten zijn door de mens en niet door de natuur; van het ogenblik dat er een tegenstelling (de Oppositie) opduikt, is er Maya: het netwerk der vormen (de objecten) is Maya, het paradigma van de namen (de taal) is Maya (de brahmaan ontkent de Maya niet, hij stelt het Ene niet tegenover het Meervoudige, hij is helemaal geen monist – want herenigen is ook Maya; wat hij zoekt is het einde van de oppositie, het vervallen van de meting; zijn project is niet om zich buiten elke klasse te stellen, maar buiten de klassificatie zelf)

Het werk van Réquichot is geen Maya: hij wil geen object en geen taal. Wat hij viseert is de Naam onttronen; van werk tot werk voert hij een algemene ex-nominatie van het object door. Dat is het uitzonderlijke project dat Réquichot apart zet van de gezindten van zijn tijd. Het is geen eenvoudig project: de ex-nominatie van het object moet noodgedwongen door een faze van exuberante over-benoeming: je moet de Maya opwaarderen vooraleer hem uit te putten: het thematische moment dat heden uit de mode is. Een thematische kritiek van Réquichot is niet alleen mogelijk maar onvermijdelijk: zijn vormen ‘gelijken’ op iets, roepen een optocht van namen op volgens het procédé van de metafoor; hij wist het zelf: “Mijn schilderijen: je kan er kristallen in vinden, takken, grotten, algen, sponzen…”. De analogie is hier onbedwingbaar (zoals een voortijdig orgasme), maar vanuit het oogpunt van de taal is ze al ambigu: het is omdat de getraceerde vorm (geschilderd of samengesteld) geen naam heeft, dat men er hem een zoekt of meerdere opdringt: de metafoor is de enige manier om het onbenoembare te benoemen (en wordt zo heel uitdrukkelijk een catachrese) : de resem namen geldt voor de ontbrekende naam. Wat er overgaat in de analogie (tenminste in de analogie die Réquichot beoefent) is niet de de term, het veronderstelde betekende (“deze vlek betekent een spons”), het is de verleiding van een naam, eender welke naam: de doorgedraaide polysemie is het eerste (initiatie) stadium van een ascese die de woordenschat, de zin te buiten gaat.

De gesuggereerde thematiek van Réquichot is bedrieglijk omdat ze in feite onbeheersbaar is: de metafoor houdt niet op, het benoemingswerk zet zich onverbiddelijk voort, verplicht om door te gaan, zich nooit vast te zetten, de gevonden namen af te wijzen en nergens toe te komen tenzij aan een eeuwigdurende ex-nominatie: omdat het niet lijkt op alles maar achtereenvolgend op iets, lijkt het nergens op. Of nog: het gelijkt, ja , maar waarop? op “iets wat geen naam heeft”. De analogie bereikt zo zijn eigen ontkenning en de kloof van de naam is nu eindeloos: wat is dat?

Deze vraag (die door de Sfinx aan Oedipus werd gesteld) is altijd een schreeuw , de eis van een verlangen : snel een Naam zodat ik gerustgesteld ben! Dat de Maya niet meer verscheurd is, zich herstelt en restaureert in de hervonden taal: dat het schilderij me zijn Naam geeft! Maar – en dat definieert nu net Réquichot – de Naam wordt nooit gegeven: we genieten slechts van ons verlangen, niet van ons plezier.

Misschien is dit de echte abstractie: niet die schilderkunst ontwikkeld door sommige schilders rond de idee van de lijn (de courante opinie is dat de lijn abstract is, apollinisch; het beeld van een abstract magma zoals bij Réquichot lijkt onbetamelijk) maar dit gevaarlijke debat tussen het object en de taal waarvan Réquichot het verhaal heeft voorzien: hij heeft abstracte objecten gecreêerd: objecten omdat ze een naam zoeken en abstract omdat ze onbenoembaar zijn: van het ogenblik dat eer een object is (en niet een lijn) wil dat een naam baren, een afstamming produceren, die van de taal: is de taal niet dat wat ons nagelaten is door een vroegere orde? In zijn werk voer Réquichot een onterving van het object door, hij snijdt de naamsafstamming af. Van, de materie van de betekenaar zelf verwijdert hij elke origine: wat zijn de “accidenten” (waaruit sommige van zijn collage gewoven werden)? Doeken, eerder beschilderd en dan opgerold en opgehangen: onterfden.

Het project van Réquichot is dubbel bepaald (onbeslisbaar): langs een kant op het schaakbord van de avant-garde, verdiept hij de crisis van de taal, hij schudt tot brekens toe de denotatie, de formulering door elkaar; langs de andere kant streeft hij persoonlijk de definitie van zijn eigen lichaam na en ontdekt hij dat die definitie begint daar waar de Naam ophoudt, ’t is te zeggen binnenin (enkel de dokters kunnen ver van alle realiteit het binnen van het lichaam benoemen – dat lichaam dat niets anders is dan zijn binnen). Heel de schilderkunst van Réquichot kan dit opschrift dragen, geschreven door de schilder zelf: ” Je ne sais pas c’qui m’quoi” (“Ik weet niet wie me wat”).

Franse tekst:

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>

Barthes over Réquichot (14)

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>

// de Réquichot Rotbak dag 13 : + gemalen droge witte bonen met behangsellijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In de sectie ‘de representatie’ is dit de tweede paragraaf over ‘de loep’.

de loep

Net zoals er bij de palimpsest een schrijven in het schrijven is, zijn er in het ‘schilderij’ (het doet er hier niet toe of het woord juist is) meerdere ‘schilderijen’: niet alleen omdat (bij Réquichot) de doeken herschreven of herplaatst worden als deelobjecten in nieuwe ensembles, maar omdat er zoveel werken zijn als er niveau’s van perceptie zijn: isoleer, bekijk, vergroot en behandel een detail en je creëert een nieuw werk, je doorkruist eeuwen, scholen, stijlen, met iets heel oud maak je iets heel nieuw. Réquichot heeft deze techniek op zichzelf toegepast: “Door een doek van heel nabij te bekijken, zie je soms toekomstige werken: het gebeurt dat ik grote boterhammen in stukjes snij om er zo delen uit proberen te isoleren die mij interessant lijken.” Het virtuele instrument van de schilderkunst (voor dat deel ervan dat het oog betreft en niet de hand) zal zo de loepe worden, of beter de boetseerschijf die toelaat een object te veranderen door het om te draaien (Réquichot heeft op die manier intacte hondensnuiten gebruikt, zonder enige wijziging, enkel door ze om te draaien): dat alles niet om iets beter of vollediger te zien maar om iets anders te zien: de gestalte is een object op zich: volstaat die niet om een volledige hoofdtak in de kunst uit te bouwe, de architectuur? De loupe en de draaischijf produceren dat supplement dat de zintuigen ontregelt, ’t is te zeggen de herkenning (een taal begrijpen, lezen, verwerven dat is haar herkennen; het teken is dat wat herkend is; Réquichot zou dan het soort kunstenaar zijn die niet herkent).

Het niveau van de waarneming veranderen: je hebt dan een aardbeving die de geklasseerde, de benoemde wereld – de(h)erkende [fr: reconnu] wereld – doet wankelen en zo een ware hallucinante energie bevrijdt. Inderdaad, als de kunst (laten we dat handige woord nog gebruiken om elke niet-functionele activiteit aan te duiden) enkel tot doel had beter te kunnen zien, dan zou het louter een analysetechniek zijn, een ersatz-wetenschap (dat wat de realistische kunstenaar betrachte); maar door het ding te willen produceren dat in het ding zit, haalt het de hele epistemologie overhoop: het is dat eindeloze werk dat ons afhelpt van de gebruikelijke hierarchie: eerst de (“ware”) perceptie, vervolgens het benoemen, tenslotte de associatie (het “nobele”, “creatieve” deel van de kunstenaar); voor Réquichot daarentegen is er geen privilege toegekend aan de eerste perceptie: de perceptie is onmiddellijk meervoudig – iets wat eens te meer de idealistische classificatie verwerpt; het mentale is niets dan het lichaam op een ander niveau van perceptie gebracht: dat wat Réquichot het “meta-mentale” noemt.

//de originele Franse tekst, virtueel gestolen uit het imaginaire tekstenrot van ’t internet

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (13)Barthes-Réquichot (15)>

Barthes over Réquichot (10)

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>

dag 9 van de Réquichot Rotbak. toegevoegd: uitgedroogde schors, pannekoekenblaadjes waarvan 1 met spinnennest, haarlak

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag ontdekt Barthes wat de keuken en de schilderkunst gemeen hebben: olie.

de olie

De olie is de substantie dat het voedsel vergroot zonder het te verbrokkelen: die het verdikt zonder het te harden: magisch verkrijgt het eigeel een groter volume met behulp van een scheut olie, en dat eindeloos; op dezelfde wijze groeit een organisme, door opzwelling. Bovendien is de olie die ene substantie die nuttig is in de voeding en in de schilderkunst. Verzaken aan de olie is voor een schilder de schilderkunst zelf opgeven, het culinaire gebaar dat haar inricht en onderhoudt. Réquichot heeft de historiche agonie van de schilderkunst beleefd (hij kon dat want hij was schilder. Dat wil zeggen dat hij langs een kant ver verwijderd was van de olie (in zijn collages, zijn ringsculpturen, zijn tekeningen in balpen) maar dat hij steeds weer bekoord werd om er terug naar te keren, als naar een vitale sunstantie. Zijn collages gehoorzamen zonder olie aan de wet van de gebonden proliferatie (die van de oneindige mayonaise); gedurende jaren laat Réquichot zijn Reliquaires groeien zoals men een lichaam ontwikkelt dat functioneert op basis van langzame opname van een sap.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 18

commentaar

bon, hoe magistraal de analyses van Barthes elders ook mogen wezen, hier pakt de mayonaise niet. spreekt Barthes de Fransen aan op hun culinaire volksaard en voorliefde om hen ertoe aan te sporen het letterlijk weerzin opwekkende vertoon van Réquichot te aanvaarden als haute cuisine?

het verband tussen de handelingen en bewegingen in de keuken en die in de schilderkunst is onmiskenbaar, maar is dit nou zo specifiek aan het werk van Réquichot? verklaart het iets? brengt het ons dieper in zijn leefwereld, korter bij zijn (waan)ideeën? hebben we er iets anders aan dan hoe het zich aandient: als een pientere maar toch vrij doorzichtige manier om de provocatie, de insubordinatie van Réquichot als ‘kunstenaar’ uit de weg te gaan, om wat Réquichot echt bezighield te vermijden zodat het peis en vree kan blijven in de gulzig sukkellevens vretende glitterende cul-de-sac van het o zo galante gallerieland, die monsterlijke culturele abonimatie van het naoorlogse Frankrijk waarvan op dit ogenblik in het Centre Pompidou de hoofdrolspelers, de grootste haaien en de dikste croco’s in hun met fraude, misdaad en lijken bezaaide dode binnenzee worden gehonoreerd als ‘grote Fransen’?

het lijkt erop, en de poging wekt bij mij althans een pak meer weerzin op dat het imposante werk van Réquichot dat, als het iets was, door en door doodeerlijk was…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (9)Barthes-Réquichot (11)>

Barthes over Réquichot (4)

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We gaan die rotteksten er hier terug uitvissen, afspoelen met nat Nederlands en zeggen wat we zo te zien krijgen…

Vandaag over Réquichot’s gebruik van de collage en het raadselachtige fenomeen van de Rattenkoning

de Rattenkoning

Het onderzoek van Réquichot brengt hem bij een beweging van het lichaam die ook Sade fascineerde (maar niet de sadistische Sade), namelijk de walging: het lichaam begint te bestaan daar waar het zich afkeert, walgt, maar toch wil verslinden wat het verafschuwt en het exploiteert die smaak voor de afschuw, stelt zich zo bloot aan een duizeling (de duizeling is dat wat niet eindigt: het doet de zintuigen afhaken, stelt het uit naar later).
De fundamentele vorm van de walging is het agglomeraat; het is niet zomaar, door eenvoudig technisch onderzoek, dat Réquichot tot de collage komt; zijn collages zijn niet decoratief, ze juxtaponeren niet, ze conglomereren, omvatten enorme oppervlakten, verdikken zich in volumes; in één woord, hun aard is etymologisch, ze nemen de ‘colle’ van de origine van hun naam letterlijk; wat ze produceren is het glutineuze, de voedzame pek, weelderig en weerzinwekkend, daar waar de opdeling zich opheft, t’is te zeggen het benoemen.

Rattenkoning uit het Museum Mauritianum in het Duitse Altenburg, bestaande uit 32 in elkaar verstrikte ratten. Door Photographed at Naturkundliches Museum Mauritianum Altenburg, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=470245

Een nadrukkelijke omstandigheid daarbij is dat het dieren zijn die de collages van Réquichot samenplakken. Nu het lijkt er sterk op dat elk conglomeraat van dieren bij ons een paroxisme van walging oproept: krioelende wormen, wriemelende slangen, wespennesten. Eén fabelachtig fenomeen (is het al wetenschappelijk verklaard? Ik weet het niet) vat heel die horror van de dierlijke samenklontering samen: de rattenkoning: “in de vrije natuur – zo zegt een oud zoölogisch woordenboek – vallen de ratten soms ten prooi aan een zeer eigenaardige ziekte. Een groot aantal raakt verstrikt met de staart en vormen zo wat in de volksmond heet een rattenkoning… De oorzaak van dit merkwaardige feit is ons nog onbekend. Men neemt aan dat het een bijzonder secretie van de staart is die deze organische verbinding samenhoudt. In Altenburg wordt een rattenkoning van zeventwintig exemplaren bewaard. In Bonn, te Echnepfenthal, in Frankfurt, Erfurt en Lindenau, bij Leipzig, heeft men soortgelijke groepen gevonden”. Requichot blijft deze rattenkoning metaforisch schilderen, blijft deze collage die niet eens een naam heeft plakken; want wat er bestaat voor Réquichot is niet het object, zelfs niet het effect daarvan, maar zijn spoor: laten we dat woord in zijn locomotorische zin begrijpen: uit de verftube geknepen is de worm zijn eigen spoor, veel walgelijker dan zijn lichaam.


commentaar

het lijkt er sterk op dat Roland Barthes, de vader van de dode auteur, nog te zeer vast zit in het ontologische dictaat om te zien dat het Réquichot niet eens om het materiële (verhandelbare) spoor van zijn creatieve handelingen te doen is, maar dat de fascinatie de handeling zèlf betreft. vandaar ook de natuurlijke gène om de resten van zijn intieme creaties te tonen, allicht ook de auto-destructieve walging van de eigen handelingen.

op dit punt moet onze lezing onderzoeken of het creatieve échec van Réquichot niet te wijten zou kunnen zijn aan de ontologische beklemming zelf, en misschien kunnen we de existentiële walg en angst (Sartre) ook gaan lezen als een eindpunt van de ontologische degradatie in het na-oorlogse fallocratische denken die dan leidt tot de befaamde contestatie daarvan eind jaren ’60 die volgt op het koloniale débacle dat het geruineerde Europa afsnijdt van de onmiddellijke bron van haar weelde. walgt gans het oude Europa niet collectief van het Zijn zelf, en van zijn zijn in het bijzonder? het schouwspel wordt er nadien en tot op heden zeker niet smakelijker op…

soit. Barthes is een degelijke structuralist, hij wil ‘begrijpelijke’ structuren dus hij spreekt dan ook heel erg ontologisch reducerend van het agglomeraat als ‘de fundamentele vorm van de walging’* . De walging is natuurlijk geen ding, zelfs geen vorm: de walging is het walgen, het gebeurt, dus als je de walging wil ‘begrijpen’ moet je haar zien gebeuren, desnoods als een geheel van bewegingen, als een tactiele en emotionele verknoping van intensiteitsschommelingen. Réquichot’s onderzoek begrijpt dat en laat het gebeuren in zijn praktijk: zijn creatieve praktijk is een laboratoriumopstelling van de walging zoals ze gebeurt en zijn werk is wat er rest van zijn ervaring van dat gebeuren…

het is dan ook heel toepasselijk dat Barthes het begin van de walging laat samenvallen met het eindpunt van het benoembare, wat ons bij de geheel retorische vraag brengt of het asemische misschien het kind is van deze moeder van het abominabele…


*”La forme fondamentale de la répugnance est l’agglomérat”

Bernard Réquichot – Cat. rais. #359 – Papiers Choisis (1959) – 205×152 cm

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>

de
geste
van de nijd
is een wrijven
tegen de haren met botte vingers.

invoertekst: http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj022.html

kòng : beschuldigen, aanklagen, controleren, vervolgen

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org
– de illustratie bij de output van het MENGprogramma is output van de MENGmethode eerst in het Rodinprogramma, later in het Matisseprogramma

de
wolk die
weelde wou,
verwaterde,
werd modder, grond, rots, gruis, zand op het strand.

inputtekst: http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj020.html

fēn : damp, miasme, wolk

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org
– de illustratie bij de output van het MENGprogramma is output van de MENGmethode eerst in het Rodinprogramma, later in het Matisseprogramma

ik
schrijf mij
neer, vouw mij
op en stuur mij
naar huis: vreemder weer ben ik geboren.

inputtekst: http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj011.html

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org
– de illustratie bij de output van het MENGprogramma is output van de MENGmethode eerst in het Rodinprogramma, later in het Matisseprogramma

mijn
hymnen
strelen de
gebaren van
woorden die hun zin hebben verloren.

inputtekst: http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj010.html

yín : zingen, neuriën, reciteren, een soort poëzie

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org
– de illustratie bij de output van het MENGprogramma is output van de MENGmethode eerst in het Rodinprogramma, later in het Matisseprogramma

de
bloesems
van een boom
zijn honderd jaar
eender, ’t gezicht van een mens geen minuut.

inputtekst: http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj009.html

ba : honderd, talrijk, veel

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org
– de illustratie bij de output van het MENGprogramma is output van de MENGmethode eerst in het Rodinprogramma, later in het Matisseprogramma

Tiriël (8/8)

En Mnetha haastte zich tot bij hen aan de poort van de lage tuin.

“Sta stil, of krijg van mijn boog de dood scherp gevleugeld in uw oog!”

Tiriël stond stil en sprak: “Welke zachte stem dreigt er met zulke harde zaken?
Breng mij bij Heer en Habbe, ik ben Tiriël koning van het Westen.”
En Mnetha bracht hen naar de tent van Heer, en Heer en Habbe
Kwamen buiten; toen Tiriël de enkels van de bejaarde Heer bevoelde
Zei hij: “Gij zwakkeling, mislukte vader van een bandeloos geslacht
Uw wetten, Heer, en Tiriëls wijsheid komen samen uit in een vloek.

Waarom één wet voor de leeuw en dezelfde voor de  lijdzame os?
En waarom is de mens hieronder gebonden aan zijn kruiperige vorm
Een worm van zestig winters die sluipt over schemerige grond?
Het kind komt uit de schoot; de vader staat al klaar om ‘t hoofd
te vormen wijl de moeder loos wat met haar hondje in de zetel speelt.

De boezem is koud van ‘t gebrek aan moedervoeding, en de melk
wordt van het wenemondje weggehouden; moeizaam en pijnlijk
Komen dan de kleine oogleden open en de wenkbrauwtjes:
De vader zwiept een zweep om ‘t lui gevoel te doen ontwaken
En stript de pasgeborene van alle zijn kinderfantasie
En laat het kind zijn stappen tellen wijl het rondstapt  in verdriet
Op het zand en dan wanneer de hommel groot genoeg is om te kruipen
Zijn er zwarte bessen die ‘t rond hem gans vergiftigen. Zo werd Tiriël
Gedwongen om deemoedig biddend en in afkeer de onsterfelijke geest
Te vernederen tot ik soepel werd als slang in ‘t paradijs en alles
Vrat: de bloemen en het fruit, de insecten,  de tjilpende vogels.
En nu mijn paradijs is gans vervallen en d’ akelige zandvallei
Geeft mijn dorstig hissen weer aan u als vloek, O Heer,
Mislukte vader van een bandeloos geslacht, mijn stem is henen.”

Hij zweeg, gestrekt aan Heer en Habbe’s voeten, vreselijk en dood.


originele tekst van Blake’s TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

“He ceast, outstretch’d at Har & Heva’s feet in awful death” – A5

Lees Tiriel. Death of a culture, een uitstekende interpretatie van Tiriël door L.H. Allen (uit The Australian Quarterly, Vol. 12, No. 2 (Jun., 1940), pp. 58-66)

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (7/8)

Luide jammerend leidde zij hem over bergen en schrikbarende dalen,
Tot zij ter eventij bij de grotten van Zazel kwamen.
Vanuit de grotten kwamen Zazel en zijn zonen aangelopen. Toen ze zagen
Dat hun tiran nu blind was, en hoe zijn dochter hem jammerend begeleidde,
Lachten ze spottend. Er wierpen er stenen en vuil toen ze passeerden.
Maar als dan Tiriel zich keerde en zijn vreselijke stem verhief,
Vluchten die weg; maar Zazel stond stil en zo begon hij:

“Kale tiran, gerimpeld, geslepen, hoor Zazels kettingen rammelen!
“Gij waart het die uw broeder Zazel ze aandeed! en waar zijn nu uw ogen?
“Roep maar, gij schone dochter van Tiriël! een zoet liederken zingt gij!
“Waar gaan jullie heen? kom, eet wat wortel, drink wat water.
“Uw kruin is kaal, ouwe; de zon zal uw hersens doen opdrogen,
“En ge zult zo simpel worden als uw simpele broer Zazel.”

De blinde aanhoorde dit, sloeg zich op de borst en ging bevend verder.
Ze gooiden hem vuil na tot het bos hen dekking gaf.
De jammerende maagd leidde haar vader waar wilde beesten waren
Met hoop op ‘t einde van haar lijden; maar van haar huilen gingen tijgers lopen.
De hele nacht dwaalden zij door ‘t bos, en toen de zon opkwam,
Kwamen ze bij de bergen van Heer: ‘s middags werden de vrolijke
Tenten opgeschrikt door de vreselijke kreten van Hela in de bergen.
Maar Heer en Habbe sliepen zorgeloos als babies aan een liefdesboezem.
Mnetha ontwaakte: ze liep uit de tent naar buiten en zag
De oude zwerver naar hun tenten komen; ze nam haar boog,
Koos haar pijlen uit en ging het angstwekkend paar dan tegemoet.

(vert. dv)

dv 2019 – “She, howling, led him over mountains & thro’ frighted vales” -A4

originele tekst van Blake’s TIRIEL: https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel