Les Fleurs du Mal Asémique – Au Lecteur


FDMA_au_lecteur
dv 2017 – “FDMA Au Lecteur” – ink & pastel on paper – 85 xx52cm

Asemic Translation of:

 

Au lecteur

La sottise, l’erreur, le péché, la lésine,
Occupent nos esprits et travaillent nos corps,
Et nous alimentons nos aimables remords,
Comme les mendiants nourrissent leur vermine.

Nos péchés sont têtus, nos repentirs sont lâches ;
Nous nous faisons payer grassement nos aveux,
Et nous rentrons gaiement dans le chemin bourbeux,
Croyant par de vils pleurs laver toutes nos taches.

Sur l’oreiller du mal c’est Satan Trismégiste
Qui berce longuement notre esprit enchanté,
Et le riche métal de notre volonté
Est tout vaporisé par ce savant chimiste.

C’est le Diable qui tient les fils qui nous remuent !
Aux objets répugnants nous trouvons des appas ;
Chaque jour vers l’Enfer nous descendons d’un pas,
Sans horreur, à travers des ténèbres qui puent.

Ainsi qu’un débauché pauvre qui baise et mange
Le sein martyrisé d’une antique catin,
Nous volons au passage un plaisir clandestin
Que nous pressons bien fort comme une vieille orange.

Serré, fourmillant, comme un million d’helminthes,
Dans nos cerveaux ribote un peuple de Démons,
Et, quand nous respirons, la Mort dans nos poumons
Descend, fleuve invisible, avec de sourdes plaintes.

Si le viol, le poison, le poignard, l’incendie,
N’ont pas encor brodé de leurs plaisants dessins
Le canevas banal de nos piteux destins,
C’est que notre âme, hélas ! n’est pas assez hardie.

Mais parmi les chacals, les panthères, les lices,
Les singes, les scorpions, les vautours, les serpents,
Les monstres glapissants, hurlants, grognants, rampants,
Dans la ménagerie infâme de nos vices,

Il en est un plus laid, plus méchant, plus immonde !
Quoiqu’il ne pousse ni grands gestes ni grands cris,
Il ferait volontiers de la terre un débris
Et dans un bâillement avalerait le monde ;

C’est l’Ennui ! – l’oeil chargé d’un pleur involontaire,
Il rêve d’échafauds en fumant son houka.
Tu le connais, lecteur, ce monstre délicat,
– Hypocrite lecteur, – mon semblable, – mon frère !

C.B. – Les Fleurs du Mal – 1857

Les Fleurs du Mal Asémique cover


FDMA_cover
dv 2017 – “FDMA-cover” – ink & water color on paper – A3

Het project FMDA werd eind 2017 door de NKdeE gelanceerd met als doel de ultieme vertaling van Les Fleurs du Mal (1857) af te leveren, zodat alle letterfondsen ter wereld eindelijk ’s konden ophouden met nodeloos geld te pompen in een zoveelste vertaling van Baudelaire’s meesterwerk. Onderzoek wees immers uit dat de vertalingen mede dankzij de gulle subsidiegelden wel massaal verkochten maar nauwelijks werden gelezen. Een rationalisatie drong zich op.

Voortaan zou iedereen overal ter wereld genoeg hebben aan deze ene Asemische vertaling, waarbij je eindelijk gewoon naar de gedichten kon kijken en zo de bundel consumeren zonder al dat tijdrovende ontcijferen van de zwaarbeladen verzen.

Over de cover van de Asemische versie van Les Fleurs du Mal is lang onderhandeld. Uiteindelijk werd dit compromis bereikt waarin de initialen van Baudelaire centraal staan, volgens Kathedraal-Auteur dv te lezen echter als ‘une couronnement de la Déesse, Être lucide et pur, / sur les débris fumeux des stupides orgies’.

Azië 2017


mrl
dv 2017 – “mrl” – modified aquarel

 

Altijd slavenmeisje,
bronsborstig koninklijkje,
moederbevlekte draai
om de ezelsoren,
aarde beschreven met
oceanenpennenhalen.

De inkt komt uit de mensenpot.

Er klinkt een schot.
De tsaar is kapot – uitroepteken!
Triomftocht der komma’s, aan
de gepeupel-linie.

———————————————
Hun razernij aarzelt niet,
volkswoede is geen vergissing
(tussen de haakjes van eeuwen).

In plaats van een oorbel glinstert
je oorlel van de overheidszegels.

Meid met een zwaard, zó hard anti
anti-verwekking, zó oude oude
vroedvrouw van oproer.

 

(naar een fragment uit ‘Azië’ van Velimir Chlebnikov)

 

 

gracieuze wraak


Per fare una leggiadra sua vendetta
e punire in un dí ben mille offese,
celatamente Amor l’arco riprese,
come uom ch’a nocer luogo e tempo aspetta.

Era la mia virtute al cor ristretta
per far ivi e ne gli occhi sue difese,
quando ‘l colpo mortal là giú discese,
ove solea spuntarsi ogni saetta.

Però turbata nel primiero assalto,
non ebbe tanto né vigor né spazio
che potesse al bisogno prender l’arme;

o vero al poggio faticoso ed alto
ritrarmi accortamente da lo strazio
del quale oggi vorrebbe, e non pò, aitarme

Francesco Petrarca, Canzonieri II

Nederlandstalige  parafrase:

Om zijn gracieuze wraak te nemen (fare)
en duizend beledigingen (mille offese) te straffen in een dag,
nam Amor stiekem (celatamente) opnieuw de boog (riprese)
zoals een man die wacht op  plaats en tijd om toe te slaan (nocer).

Mijn kracht (virtute) lag bij mijn hart verzameld (ristretta)
om daar en bij de ogen haar verdediging te maken.
toen de dodelijke slag langs daar nederdaalde
waar voorheen alle pijlen waren afgeschampt (spuntarsi: bot gemaakt).

Zo verstoord door de eerste aanval
had zij (de ‘virtute’) niet de werkkracht (vigor), niet de ruimte
om bij de nood (al bisogno) de wapens op te nemen;

of zelfs mij naar de vermoeiende en hoge berg
oordeelkundig weg te leiden van de kwelling
waarvan zij mij vandaag wil maar niet kan redden [aitar:helpen]

 

 

strazio

 

Het is zo gebeurd. In opperste concentratie komen duizenden momenten samen in één slinkse beweging. Met de blik strak op het nietsvermoedende slachtoffer gericht gaat een arm tastend naar achter, op zoek naar de boog. Al dat wachten, heel die tijd, het is nu dat er moet worden toegeslagen.

Het volgende moment is het al te laat. De daad zelf wordt niet getoond, zoals in de betere thriller. Alleen de spanning wordt langzaam opgebouwd en dan is er enkel de voltooide tragedie, de afwikkeling, de excuses, de gestamelde onmacht, de nutteloze woorden.
Na de fatale slag, het falen van de kracht komt enkel de hopeloze klacht: de wraak is volbracht.

Het moment van de dodelijke blik is verdwenen in het eeuwige niets tussen ‘aspetta’ en ‘Era’, tussen het verwachtte en het gebeurde. Zo wordt wat voorafging (in RVF I) aannemelijk gemaakt: hoe het met de jongeling zover is kunnen komen dat hij zich met spot en schande beladen weet.

De rechtvaardiging is er al, de verdediging was goed, er waren al duizend vernederende nederlagen toegediend, de jongeling hield de deugd diep in het hart als een schild geborgen, maar tja, dat ene moment was hem te snel af.

Petrarca betoogt, Scève beschrijft.

De vlucht naar de afzondering in de Vaucluse, waar de ‘echte’ Petrarca de van Augustinus en Cicero geërfde deugd van de ‘vita solitaria’  cultiveerde, was niet meer mogelijk. De pijl van het innamoramento laat haar slachtoffer hulpeloos achter, de ‘strazio’ zal jaren en honderden liederen lang duren.

Vier regels opbouw, een opspannende beweging, een afwezig nu, en tien regels afloop, verleden tijd, een klacht een smeken om hulp,  ‘aitarme’: help mij, lees mij, volg mij op deze moeizame weg, ecce homo

 

kairos


kairos
dv 2017 – “Kairos (met horzel)

Ausonius Epigr. XII

IN SIMULACRUM OCCASIONES ET PAENITENTIAE

Cuius opus? Phidiae: qui signum Pallados, eius
quique Iovem fecit; tertia palma ego sum. sum
dea quae rara et paucis occasio nota.
quid rotulae insistis? stare loco nequeo,
quid talaria habes? volucris sum. Mercurius quae
fortunare solet, trado ego, cum volui,
crine tegis faciem, cognosci nolo. sed heus tu
occipiti calvo es? ne tenear fugiens,
quae tibi iuncta comes? dicat tibi. dic rogo, quae sis.
sum dea, cui nomen nec Cicero ipse dedit.
sum dea, quae factique et non facti exigo poenas,
nempe ut paeniteat, sic METANOEA vocor.
tu modo dic, quid agat tecum, quandoque volavi,
haec manet; hanc retinent, quos ego praeterii.
tu quoque dum rogitas, dum percontando moraris,
elapsam dices me tibi de manibus.

tekst van PERSEUS: http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus%3Atext%3A2008.01.0612%3Asection%3D33

 

Wiens werk ben jij? Van Phidias: die de Pallas maakte, hij.
en ook de Jupiter, ik ben zijn derde meesterwerk. Ik ben
godin, zeldzaam en bij weinigen bekend als Gelegenheid.
Waarom hou je aan dat wiel? Ik kan niet stilstaan.
Waarom heb je die sandalen aan? Ik ben heel snel. Als Mercurius
iemand fortuinen gunt ga ik die geven als ik wil.
Je haar verbergt je gezicht? Ik wil niet gekend zijn. Maar achter
is je hoofd kaal? opdat men mij niet grijpen kan.
Wie heb je daar als metgezel? Vraag het haar. Wie ben jij, als ik vragen mag?
Ik ben een godin waaraan Cicero zelf geen naam gegeven heeft.
Ik ben de godin die voor wat gedaan is en wat niet gedaan, de straf eist
zodat men boete doet. Men noemt mij METANOIA ook [spijt]
Zeg mij nu jij, wat doet zij bij jou? Als ik vervlogen ben
blijft zij, men houdt haar over als men mij laat ontsnappen.
Gij ook die hier vragen stelt, terwijl gij u daarmee amuseert
zult zeggen dat ge mij uit uw handen hebt laten glippen.

Tja, soms hebt ge horzels nodig om de gelegenheid te zien (nie meppen op het beestje dan, want dan hebt ge pas echt vodden voor).

Lore’s lied


sensanke2
“Mijn lief es leet, mijn heyl verdriet,
Aldus ende wers es mi ghesciet;
Ic biddu, vrauwe, ghedinct mijns yet
Eer ic van rouwen sterve.”
Anon., Gruuthuuze MS, 15de eeuw
“De tijd is een hoer”
dv, Anke Veld 13/04/2018

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
van pijn ken ik het einde niet
ik bid u muze voltooi mijn lied
eer ik van zeer moet sterven.

de zon is zwart, mijn dag is nacht
er is geen bed dat op mij wacht
alleen de koude leegte lacht
om mij: mijn geest moet zwerven.

geen vrouwe lief geen eerlijk man
geen mens die mij nog helpen kan
enkel gij LAIS hebt kennis van
wat ik van haar moet erven.

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
sinds Anna mij hier achterliet
ik bid u muze zing nu mijn lied
voor ik van zeer mag sterven.