geloof


ach lied, mijn lied
jij helpt de smart
wanneer de rampen raken,
jij kan, o lied, de wond in ’t hart
de droefte tot geluk vermaken

ach lied mijn lied
jij laaft de dorst
jij blust het brandzwart blaken,
jij kan, o lied, de kankerborst
en ’t wee daarin doen staken.

ach lied mijn lied
het zwijgend nat
dat rolt nu langs mijn kaken
jij kan, jouw ware aard is dat,
jij kan ’t naar honing laten smaken…

ach lied, mijn lied


Guido Gezelle – Juni 1860,

rev. dv maart 2019 – inputtekst:

O LIED

o Lied! o Lied!
Gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied, de wonde in ‘t hert,
de wonde in ‘t hert vermaken!
o Lied, o Lied!
Gij laaft den dorst,
gij bluscht het brandend blaken,
gij kunt, o Lied, de drooge borst
en ‘t wee daarvan doen staken.
o Lied! o Lied,
het zwijgend nat
dat leekt nu langs mijn kaken,
gij kunt het, en uw kunst is dat,
gij kunt het honing maken…
o Lied! o Lied!

dv 2019 – AR van ‘geloof’



Christine de Pizan Rondeau I &III


I (1396)


Com turtre suis sanz per toute seulete
Et com brebis sanz pastour esgarée;
Car par la mort fus jadis separée
De mon doulz per, qu’a toute heure regrette.

Il a sept ans que le perdi, lassette,
Mieulx me vaulsist estre lors enterrée!
Com turtre suis sans per toute seulete.

Car depuis lors en dueil et en suffrete
Et en meschief trés grief suis demourée,
Ne n’ay espoir, tant com j’aré durée,
D’avoir soulas qui en joye me mette;
Com turtre suis sans per toute seulete.

Zonder vader als een duif ben ik gans alleen
Zonder herder als een ooi dwaal ik rond
Want de dood brak uiteen wat ons verbond
Elk uur heb ik spijt sinds mijn vader verdween.

‘t Is zeven jaar heilaas sinds hij ging heen
‘k Ware beter begraven toen in de grond
Zonder vader als een duif ben ik gans alleen.

In leed en in rouw vertoef ik sinds die stond’
En er is alleen zwaar malheur om mij heen
En geen hoop is er ooit dat ik hier vond
Troost die maakt dat ik vreugde hervond;
Zonder vader als een duif ben ik gans alleen.

III

Je suis vesve, seulete et noir vestue,
A triste vis simplement affulée;
En grant courroux et maniere adoulée
Porte le dueil trés amer qui me tue.

Et bien est droit que soye rabatue,
Pleine de plour et petit enparlée;
Je suis vesve, seulete et noir vestue.

Puis qu’ay perdu cil par qui ramenteue
M’est la doulour, dont je suis affolée,
Tous mes bons jours et ma joye est alée,
En dur estat ma fortune embatue;
Je suis vesve, seulete et noir vestue.


Ik ben een weef, alleen en zwart gekleed
Een triest zicht eenvoudig aangestoken;
In groot verdriet en tristesse verdoken
Draag ik de dodende last van mijn leed.

En ‘t is goed recht dat ‘k mij verslagen weet
Vol van tranen en weinig aangesproken
Ik ben een weef, alleen en zwart gekleed.

Want ik verloor hem en ‘t doet mij wenen
Met pijn te denken aan hem doet mij leed
De goede dagen en mijn vreugd zijn henen
Mijn fortuin is een leed, hard als de stenen
Ik ben een weef, alleen en zwart gekleed.

vert. dv

https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k65555269/f217.image

grenswacht


Een Tartarenhoorn toetert tot de noordenwind
De Distelpoort is wit, witter dan de stroom
De hemel slokt de weg, de weg naar Kokonor.
Een lint van maanlicht ligt op de Grote Muur.

De dauw daalt neer, de vlaggen druipen.
Koud brons omringt de wachters van de nacht
In ’t nomadenharnas schuiven slangenschubben
Paarden hinniken, ’t Immergroene Graf is witgestampt.

Boven de herfstige stilte fonkelen de Pleiaden.
Ver over ’t zand schuilt er onraad achter brem.
Ten noorden van de tenten houdt vast de hemel op,
daar waar de klank van de rivier het land verlaat.

LI HO (791-817), naar de vertaling van A.C. Graham, Poems of the Late T’ang, Penguin Classics, (1965) 1984, p.97

  • Immergroene Graf : het graf van Wang Chao-chün, de concubine van keizerYuan van Chan (48-33 v.C.), die haar als vrouw schonk aan Kubla Khan. Het gras groeide altijd op haar graf.
  • Pleiaden: het gefonkel van deze sterren werd gelezen als een omen van een nakende inval
Afbeelding van de jong gestorven dichter Li He (?)

2 Pizan rondelen


Rondeau 51

Amis, venez encore nuit,
Je vous ay aultre fois dit l’eure.
Pour en joye estre a no deduit,
Amis, venez encore nuit.
Car ce qui nous empesche et nuit
N’y est pas, pour ce, sanz demeure
Amis, venez encore nuit
Vriend, kom nog bij mij vannacht,
Je weet wanneer ik op je wacht.
Om in ‘t genieten vrij te zijn
Vriend, kom toch nog vannacht.
Want hij die ons belet en schaadt
Die is er niet dus haast je, maat
En kom nog bij mij vannacht.

Rondeau 52


Il me tarde que lundi viengne
Car mon ami doy veoir lors.
Afin qu’entre mes bras le tiengne
Il me tarde que lundi viengne.
Si lui pri qu’il lui en souviengne;
Car pour veoir son gentil corps
Il me tarde que lundi viengne

Het duurt mij eer het maandag is,
Daar ik dan mijn vriend weer zie.
Daar hem in mijn armen houden kan
Het duurt mij eer het maandag is.
‘k Bid maar dat hij ‘t onthouden kan
Want ‘k wil zijn schone lijf weer zien:
Het duurt mij eer het maandag is.

Christine de Pizan (ong. 1364-1442)

nachtwake


steek, vreugde, uw kaarsen aan.
hoe eindeloze uren
wil zij pijn begluren
die haar hand doet slaan.

in huis alleen geluid.

even of er iemand was,
een ritselen langs de ruiten:
een mot die maanlicht ziet.
niemand mag nog buiten.

dekapitalisering van Ida Gerhardt’s Nachtwake’:

NACHTWAKE

Doof, hoop, uw fakkel uit.
Hoe eindeloze uren
moet zij pijn verduren
die stil de ogen sluit.

In huis is geen geluid.

Even of er iets was,
een ritseling langs de ruiten
een vlinder wil naar buiten.
Hij fladdert aan het glas.

AR_nachtschade
dv 2018 – “AR van ‘nachtschade’ – bister, inkt – A4 – €25

klokje


“Te Mei haddic een bloemken …”
Anon. , Weimarsch Handschrift (1537)

 

klokje

in mei had ik een klokje
uit alle klokjes uitverkoren
ze was zo lief zo wit zo stil

de zomermaanden raasden
en in de herfst het loof verging
het werd zo snel zo leeg zo kil

de sneeuw is dik mijn lijf is stijf
er rest geen grein van mei in mij
ik werd zo gauw zo oud zo koud

soms hoor ik nog mijn klokje
wit getinkel in mijn oren
zij wordt zodra zo vrij zo blij

 

convallarja
dv 2018 – “Convallaria majalis” – bister, pastel – A4 – €30

 

de dageraad


en ik was onwetend als de dageraad
die al gezien had
hoe de oude koningin haar stad opmat
met de pin van een broche,
of op verweerde mannen die
pedant en Babylonisch nauwgezet
planeten zagen rommelen in hun baan,
en sterren vervagen waar verscheen de maan,
en hun sommen deden dan op kleitablet;
en ik was onwetend als de dageraad
die boven schouderwolken paard
stil stond de schitterkoets te wiegen;
was ik – want alle wetenschap is niemendal –
onwetend en baldadig als de dageraad.

vrij naarThe Dawn” van W. B. Yeats

The Dawn

I would be ignorant as the dawn
That has looked down
On that old queen measuring a town
With the pin of a brooch,
Or on the withered men that saw
From their pedantic Babylon
The careless planets in their courses,
The stars fade out where the moon comes,
And took their tablets and did sums;
I would be ignorant as the dawn
That merely stood, rocking the glittering coach
Above the cloudy shoulders of the horses;
I would be--for no knowledge is worth a straw--
Ignorant and wanton as the dawn.

dageraad
dv 2018 – “dageraad” – bister & crayon – A4 – €30