Azië 2017


mrl
dv 2017 – “mrl” – modified aquarel

 

Altijd slavenmeisje,
bronsborstig koninklijkje,
moederbevlekte draai
om de ezelsoren,
aarde beschreven met
oceanenpennenhalen.

De inkt komt uit de mensenpot.

Er klinkt een schot.
De tsaar is kapot – uitroepteken!
Triomftocht der komma’s, aan
de gepeupel-linie.

———————————————
Hun razernij aarzelt niet,
volkswoede is geen vergissing
(tussen de haakjes van eeuwen).

In plaats van een oorbel glinstert
je oorlel van de overheidszegels.

Meid met een zwaard, zó hard anti
anti-verwekking, zó oude oude
vroedvrouw van oproer.

 

(naar een fragment uit ‘Azië’ van Velimir Chlebnikov)

 

 

gracieuze wraak


Per fare una leggiadra sua vendetta
e punire in un dí ben mille offese,
celatamente Amor l’arco riprese,
come uom ch’a nocer luogo e tempo aspetta.

Era la mia virtute al cor ristretta
per far ivi e ne gli occhi sue difese,
quando ‘l colpo mortal là giú discese,
ove solea spuntarsi ogni saetta.

Però turbata nel primiero assalto,
non ebbe tanto né vigor né spazio
che potesse al bisogno prender l’arme;

o vero al poggio faticoso ed alto
ritrarmi accortamente da lo strazio
del quale oggi vorrebbe, e non pò, aitarme

Francesco Petrarca, Canzonieri II

Nederlandstalige  parafrase:

Om zijn gracieuze wraak te nemen (fare)
en duizend beledigingen (mille offese) te straffen in een dag,
nam Amor stiekem (celatamente) opnieuw de boog (riprese)
zoals een man die wacht op  plaats en tijd om toe te slaan (nocer).

Mijn kracht (virtute) lag bij mijn hart verzameld (ristretta)
om daar en bij de ogen haar verdediging te maken.
toen de dodelijke slag langs daar nederdaalde
waar voorheen alle pijlen waren afgeschampt (spuntarsi: bot gemaakt).

Zo verstoord door de eerste aanval
had zij (de ‘virtute’) niet de werkkracht (vigor), niet de ruimte
om bij de nood (al bisogno) de wapens op te nemen;

of zelfs mij naar de vermoeiende en hoge berg
oordeelkundig weg te leiden van de kwelling
waarvan zij mij vandaag wil maar niet kan redden [aitar:helpen]

 

 

strazio

 

Het is zo gebeurd. In opperste concentratie komen duizenden momenten samen in één slinkse beweging. Met de blik strak op het nietsvermoedende slachtoffer gericht gaat een arm tastend naar achter, op zoek naar de boog. Al dat wachten, heel die tijd, het is nu dat er moet worden toegeslagen.

Het volgende moment is het al te laat. De daad zelf wordt niet getoond, zoals in de betere thriller. Alleen de spanning wordt langzaam opgebouwd en dan is er enkel de voltooide tragedie, de afwikkeling, de excuses, de gestamelde onmacht, de nutteloze woorden.
Na de fatale slag, het falen van de kracht komt enkel de hopeloze klacht: de wraak is volbracht.

Het moment van de dodelijke blik is verdwenen in het eeuwige niets tussen ‘aspetta’ en ‘Era’, tussen het verwachtte en het gebeurde. Zo wordt wat voorafging (in RVF I) aannemelijk gemaakt: hoe het met de jongeling zover is kunnen komen dat hij zich met spot en schande beladen weet.

De rechtvaardiging is er al, de verdediging was goed, er waren al duizend vernederende nederlagen toegediend, de jongeling hield de deugd diep in het hart als een schild geborgen, maar tja, dat ene moment was hem te snel af.

Petrarca betoogt, Scève beschrijft.

De vlucht naar de afzondering in de Vaucluse, waar de ‘echte’ Petrarca de van Augustinus en Cicero geërfde deugd van de ‘vita solitaria’  cultiveerde, was niet meer mogelijk. De pijl van het innamoramento laat haar slachtoffer hulpeloos achter, de ‘strazio’ zal jaren en honderden liederen lang duren.

Vier regels opbouw, een opspannende beweging, een afwezig nu, en tien regels afloop, verleden tijd, een klacht een smeken om hulp,  ‘aitarme’: help mij, lees mij, volg mij op deze moeizame weg, ecce homo

 

kairos


kairos
dv 2017 – “Kairos (met horzel)

Ausonius Epigr. XII

IN SIMULACRUM OCCASIONES ET PAENITENTIAE

Cuius opus? Phidiae: qui signum Pallados, eius
quique Iovem fecit; tertia palma ego sum. sum
dea quae rara et paucis occasio nota.
quid rotulae insistis? stare loco nequeo,
quid talaria habes? volucris sum. Mercurius quae
fortunare solet, trado ego, cum volui,
crine tegis faciem, cognosci nolo. sed heus tu
occipiti calvo es? ne tenear fugiens,
quae tibi iuncta comes? dicat tibi. dic rogo, quae sis.
sum dea, cui nomen nec Cicero ipse dedit.
sum dea, quae factique et non facti exigo poenas,
nempe ut paeniteat, sic METANOEA vocor.
tu modo dic, quid agat tecum, quandoque volavi,
haec manet; hanc retinent, quos ego praeterii.
tu quoque dum rogitas, dum percontando moraris,
elapsam dices me tibi de manibus.

tekst van PERSEUS: http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus%3Atext%3A2008.01.0612%3Asection%3D33

 

Wiens werk ben jij? Van Phidias: die de Pallas maakte, hij.
en ook de Jupiter, ik ben zijn derde meesterwerk. Ik ben
godin, zeldzaam en bij weinigen bekend als Gelegenheid.
Waarom hou je aan dat wiel? Ik kan niet stilstaan.
Waarom heb je die sandalen aan? Ik ben heel snel. Als Mercurius
iemand fortuinen gunt ga ik die geven als ik wil.
Je haar verbergt je gezicht? Ik wil niet gekend zijn. Maar achter
is je hoofd kaal? opdat men mij niet grijpen kan.
Wie heb je daar als metgezel? Vraag het haar. Wie ben jij, als ik vragen mag?
Ik ben een godin waaraan Cicero zelf geen naam gegeven heeft.
Ik ben de godin die voor wat gedaan is en wat niet gedaan, de straf eist
zodat men boete doet. Men noemt mij METANOIA ook [spijt]
Zeg mij nu jij, wat doet zij bij jou? Als ik vervlogen ben
blijft zij, men houdt haar over als men mij laat ontsnappen.
Gij ook die hier vragen stelt, terwijl gij u daarmee amuseert
zult zeggen dat ge mij uit uw handen hebt laten glippen.

Tja, soms hebt ge horzels nodig om de gelegenheid te zien (nie meppen op het beestje dan, want dan hebt ge pas echt vodden voor).

Lore’s lied


sensanke2
“Mijn lief es leet, mijn heyl verdriet,
Aldus ende wers es mi ghesciet;
Ic biddu, vrauwe, ghedinct mijns yet
Eer ic van rouwen sterve.”
Anon., Gruuthuuze MS, 15de eeuw
“De tijd is een hoer”
dv, Anke Veld 13/04/2018

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
van pijn ken ik het einde niet
ik bid u muze voltooi mijn lied
eer ik van zeer moet sterven.

de zon is zwart, mijn dag is nacht
er is geen bed dat op mij wacht
alleen de koude leegte lacht
om mij: mijn geest moet zwerven.

geen vrouwe lief geen eerlijk man
geen mens die mij nog helpen kan
enkel gij LAIS hebt kennis van
wat ik van haar moet erven.

mijn lief is leed, mijn heil verdriet
sinds Anna mij hier achterliet
ik bid u muze zing nu mijn lied
voor ik van zeer mag sterven.

 


op schattenjacht met Petrarca


In het sonnet ‘Cercato ò sempre solitaria vita’ is er sprake van een mooie schat: ‘ il bel tesoro mio’.

De berijmde vertaling van Verstegen en zijn verklarende noten roepen meer raadsels op dan dat er verklaard wordt, dus die laten we effen in haar, euh,  voor ons onbereikbare schoonheid schitteren en we onderzoeken hoe het zit met de identificatie van Laura met deze tesoro aan de hand van ander materiaal, ons vrijelijk verschaft door de slijkgoot van de literatuur, het vermaledijde internet alwaar met schrijven geen cent te rapen is, laat staan een massa euro’s subsidie om in een boek van...

sssssht, rustig nu maar… hier, een schoon prentje:

laura
Laura di Noves in wiens graf Scève  een vers van Petrarca zou gevonden hebben. Scève’s Délie, zijn inspiratie daarvoor,  was ook een getrouwde vrouw. Het bezingen van andermans vrouw was een getolereerde traditie onder troubadours…

259

(tekst van Wikisource)

vertaling_musa
vertaling Musa

Cercato ò sempre solitaria vita
(le rive il sanno, et le campagne e i boschi)
per fuggir questi ingegni sordi et loschi,
che la strada del cielo ànno smarrita;

et se mia voglia in ciò fusse compita,
fuor del dolce aere de’ paesi toschi
anchor m’avria tra’ suoi bei colli foschi
Sorga, ch’a pianger et cantar m’aita.

Ma mia fortuna, a me sempre nemica,
mi risospigne al loco ov’io mi sdegno
veder nel fango il bel tesoro mio.

A la man ond’io scrivo è fatta amica
a questa volta, et non è forse indegno:
Amor sel vide, et sa ’l madonna et io.

259_noten-musa

solitaria_vita_hd002

Het verhaaltje

‘Solitaria vita’ plaatst dit gedicht meteen in de Petrarca-ideologie. Tussen 1346 en 1356 schreef Petrarca in het Latijn (het Engels van toen) De Vita Solitaria waarin hij uitlegt wat zijn lot of deugd of pad naar de waarheid (r.4) is: leven in afzondering, ver weg van de aardse dwazigheid(r.3), in studie en in contemplatie. Het is zowat zijn humanistische poëtica, zijn levensprogramma.
Goed om weten, want zelfs de oevers, de weiden en de bosschares weten dat :-) (r.2)

Helaas is het leven niet altijd naar wens, dus P. is minder in zijn geliefde Toscane of aan de oevers van de Sorgue dan hij zelf zou wensen, hij wordt verhinderd om zich aldaar voluit te wijden aan wenen en zingen (tweede strofe).

Immers dat vervelende lot stuurt hem nu terug naar het perfide Avignon, alwaar hij zich kan boos maken over hoe zijn ‘bel tresoro’ in de modder ligt der aardse dingen (derde strofe).

Voor een keer wordt P. wel maatjes met vrouwe Fortuna, want hoe storend het ook is, zijn schrijvende hand kan het wel vinden met de situatie (het is letterlijk de hand die ‘amica’ wordt met ‘fortuna’). Net zoals het Amor was er voor zorgde dat P. Laura zag en door haar getroffen werd, is het nu ook de Liefde die die ‘fortuna’ heeft gearrangeerd, zijn geliefde Laura weet dat wel, en hij weet dat…(laatste strofe, mijn interpretatie)

Hoewel het slechts afleiding is van het hogere streven van de ik-figuur, eens te meer wordt hij door aardse besoignes overmand en dwingt Amor  de dichterhand ter vers…

Andere plaatsen in de Canzonieri waar Laura in verband wordt gebracht met een ‘tesoro‘, een helaas meestal al begraven schat:

(links naar de originele teksten op Wikisource achter de Canzonierinummers)

  1. 190, r7: “come l’ avaro che ’n cercar tesoro”. P. jaagt op een  blanke hinde en vergelijkt zich met een vrek en zijn schat
  2. 227, r7 “et vacillando cerco il mio thesoro”. Hier is P. zelf ‘come animal che spesso adombre e’ncespe’ een schuw schrikachtig beest dat rondstrompelt op zoek naar zijn schat (Musa linkt het dier aan de ronddolende ziel in  Plato’s Phaedra)
  3. 263, r13-14: ” il bel tesoro / di castità” de hogere schat van eerbaarheid ook hier geplaatst in contrast met de materiële rijkdom  “perle et robini et oro” die nochtans ook de ogen uitsteekt
  4. 270, r5: “Il mio amato tesoro in terra trova,” Amor moet eerst p’s geliefde ‘tesoro’ vinden en tot leven wekken vooraleer hij haar dienaar wordt (het ‘giogo antico’ draagt).  Het lied besluit dat Amor toch geen tweede schat zal vinden die hem aan dit aardse leven kan binden…
  5. 291, r.5-6: ” O felice Titon, tu sai ben l’ora / da ricovrare il tuo caro tesoro;” hier is de schat Tithonus’ Aurora. De onfortuinlijke Tithonus die via zijn geliefde Aurora wel het eeuwige leven kreeg maar niet de eeuwige jeugd, is hier toch nog ‘felice’ in vergelijking met P. want die krijgt zijn Laura helemaal niet meer te zien.
  6. 322, r11: “o mio nobil tesoro” is hier het dichtwerk van Giacomo Colonna, die had een lofdicht op P. geschreven, het sonnet is zijn late antwoord, een bedankje aan de ondertussen gestorven Colonna. Interessant is de suggestie ‘tesoro’ = Laura = dichtwerk, dus, nog korter door de bocht,  dichten is de omwerking van de carnale liefde naar de hogere, vergeestelijke schat…
  7. 333, r2: “che ‘l mio caro thesoro in terra asconde” P. stuurt zijn treurrijmen naar de steen die het graf van zijn ‘caro thesoro’ sluit om haar te zeggen dat zijn uur ook nakende is.
  8. 362, r3: “esser mi par ch’àn ivi il suo thesoro” P. stijgt in gedachten mee met hen die al samen zijn met hun ‘thesoro’ in de hemel en krijgt aldaar te horen dat ‘vent’anni o trenta’ misschien lang mag lijken, maar dat zijn ‘destino’ ‘ben fermo’, goed vastligt.

Wat kunnen we uit dit mini-onderzoekje opmaken?

  • Laura als tresoro is duidelijk voorbehouden voor de dode, verhemelde schat, niet voor de aardse opgehemelde schoonheid (het woord komt niet voor in de eerste 189 gedichten en is daarna vrij frequent)
  • de evolutie in de relatie van de ik-figuur met zijn schat is er een die gaat van hebberige bezitsdrang naar gedetacheerde contemplatie
  • klaarheid wordt bij Petrarca verkregen via antithese, deze semantische strategie is ook hier duidelijk. Waar ‘tresoro’ eerst haar status verkrijgt door reliëf met aardse rijkdom en dito hebzucht, wordt het als ‘verworven goed’ een vanzelfsprekend onderdeel van de hogere sfeer. Het kantelmoment is wellicht 270 waar de aardse Liefde door haar onmacht definitief het onderspit moet delven ten voordele van de ‘mio amato tresoro’. Vanaf dan overheerst de graflyriek en worden de verliefdheid en de daarbij heersende pijnen verre reminiscenties en maken zij plaats voor een berustend afwachten van de verlossende dood.
  • De graflyriek en de cultus daarvan bij de dichters na Petrarca interesseert ons uiteraard omdat een van de weinige dingen die we weten over het leven van Maurice Scève diens ‘ontdekking’ van het graf van Laura is, een mythische gebeurtenis voor de door deze materie geobsedeerde sterveling, schrijver dezes. We zien met ons van tijd en plaats bevrijde geestesoog onze Maurice al gepassioneerd tot in de vroege uurtjes Canzone 270 lezen en herlezen en  des morgens  van Lyon naar Avignon spurten om dat graf te vinden.

 

waar gaat het naartoe?

geen idee, maar dit is alvast hier:

Here is the core of evil, the burning hell without let-up,
The canker corrupting all things, Fafnir the worm,
Syphilis of the State, of all kingdoms
Wart of the common-weal,
Wenn-maker, corrupter of all things
Darkness the defiler
Twin evil of envy,
Snake of the seven heads, Hydra, entering all things
Passing the doors of temples defiling the grove of Paphos,
neschek, the crawling evil,
slime, the corrupter of all things,
Poisoner of the fount,
of all fountains, neschek,
The serpent, evil against Nature’s increase,
Against beauty

NKdeE Ekphrasis – introductie Yuko Otomo


over Ekphrasis in de NKdeE

// gereserveerde woorden in de NKdeE programmataal staan in italic en beginnen met een hoofdletter – een verklarend Lexicon van deze woorden is in voorbereiding

Je merkt er (nog) nauwelijks wat van, maar de Neue Kathedrale des erotischen Elends heeft dit Werkjaar (’16-’17) een Zijbeuk lopen rond ekphrasis.

Ekphrasis is, volgens Wikipedia, een kunstige beschrijving van een voorwerp, meestal van een kunstvoorwerp en in het bijzonder van een schilderij.

Ekphrasis is sinds de Oudheid een retorische stijlfiguur, beschreven in de handboekjes retoriek en het werd in de loop der tijden dan ook beoefend als literaire schrijfoefening, en met wat voorbeelden kom je dan al vlug aan een geruststellend literair genre.

In de twintigste eeuw werd het begrip verruimd naar ‘beschrijvingen’ van objecten uit alle mogelijke kunsttakken en sprak men ook al van ‘muzikale ekphrasis’, een ‘uitdrukking’ van een picturaal werk in muziek.

De Kathedraalse Leer is, in haar meest bevattelijke gedaante, een Bewegingsleer, houdt zich niet bezig met het creëren of doorgronden van objecten, maar met het inzetten of karakteriseren van bewegingen. Het Definietsel van een  Kathedraalse Ekphrasis heeft daarom ook tezelfdertijd een ruimer als een enger Bereik dan de gangbare definities van het begrip:

Ekphrasis :: Translatie van een Gedachtebeweging (Klasse) naar een verschillend Uitdrukkingsveld (Printer)

“… ja Fred euh…”

// oké, ik begrijp dat je aan dit Definietsel niet veel aan hebt als je de Definietsels van Translatie, Gedachtebeweging en Uitdrukkingsveld niet ter beschikking hebt. Alles op zijn tijd hè…

In mensentaal is een Kathedraalse Ekphrase elke overdracht van een creatieve inspanning van het ene medium naar het andere. De overdracht geeft een creatieve meerwaarde aan de beweging (ekphratische Winst).

De Auteur, bv.,  gaat naar een tentoonstelling ‘leest’ daar een werk en drukt haar lezing ‘anders’ uit. Een schilderij wordt een gedicht. Een gedicht wordt muziek. Muziek wordt gevisualiseerd in een filmpje door visualiseringssoftware. Een visualisatiefilmpje wordt de input voor een literair-generatief programma. Jaap Blonk draagt in een schimmig Amsterdams auditorium de output van het literair-generatief programma voor, terwijl op de retro overhead-projector een graatmagere asemicus ritmisch gestructureerde kribbels neerpoot. De leden van het Beperkte publiek zijn Live op Facebook en maken jazzy hoofdbewegingen en vingerknippen ter leuking van het geheel…

Handig toch, die mensentaal.

over Yuko Otomo

Yuko Otomo is een New Yorks auteur en kunstenares van Japanse origine.
In haar visuele werk zoekt ze de pure abstractie op. Haar werken werden op diverse plaatsen tentoongesteld, vooral in New York (Tribes Gallery, Anthology Film Archives Courthouse Gallery, ABC No Rio, Brecht Forum, Gallery 128, Knitting Factory, Vision Festival,…).

Als (tweetalig) auteur vertaalt ze, en ze schrijft essays en kunstkritieken. Die teksten zijn veelal online beschikbaar via de webruimte van ARTEIDOLIA, een collectief van auteurs waar ze samen met haar partner Steve Dalachinsky, deel van uit maakt.

Maar Otomo is vooral ook een erg bijzondere dichteres. In bundels als Garden: Selected Haiku (Beehive Press), Small Poems (UDP), The Hand of the Poet (UDP), Cornell box Poems, Genesis, en Fragile (Sisyphus Press) heeft ze haar eigen stijl gevonden, die, hoe kan het anders, erg gekleurd is door het Japans en de Japanse cultuur.  Bedrieglijk eenvoudig taalgebruik met een immens observatievermogen en subtiele aandacht voor de kleinste kronkel in de bewegende gedachte.

study_coverIn 2013 bracht ze bij Ugly Duckling Press STUDY uit, een 286 blz. dikke bundeling van de ‘kunstgedichten’ die ze sinds de jaren ’80 schreef.
Ekphratische gedichten dus, geschreven tijdens of na het bezoek van een tentoonstelling. In New York passeert alles van toonaangevende kunst, en Yuko Otomo is een hongerige expo-bezoekster, dus je krijgt in de bundel meteen een pracht van een staalkaart van de hedendaagse en wat oudere visuele kunsten., de auteur laat je ook dingen zien die je nog niet kende…

In haar beste gedichten uit STUDY doet ze mij aan ons lyrisch monument Hans Faverey denken, wanneer die over Hercule Seghers schrijft of over François Couperin.

Om u maar te zeggen dat dit werk écht de moeite is.

Gedurende het NKdeE werkjaar  2016-2017 zal ik enkele gedichten(reeksen) uit STUDY kiezen en hier publiceren, voorzien van een ‘vertaling’ naar het Nederlands.
De ‘vertalingen’, het weze bij voorbaat duidelijk, zijn enkel bedoeld als hulpmiddel bij het lezen van het Engelse origineel. Literaire vertalingen, daar hou ik mij niet (meer) mee bezig, de ekphratische winst die je  bij dergelijke translaties maakt is te miniem voor de moeite die erin kruipt.
Om fouten te vermijden heb ik vriend en beroepsvertaler Rutger H. Cornets de Groot gevraagd en bereid gevonden om de vertalingen effen na te lezen, waarvoor dank.