Réquichot – dagboek zonder dagen (8)

//Réquichot Rotbak dag 44 – plots vraagt het kippenbotje zich af ‘wat doe ik hier eigenlijk in deze Rotbak?’

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

De tijd van elke wereld. Er zou zelfs een verband vast te stellen zijn tussen de werelden die door het mentale zijn gecreëerd en de innerlijke tijd die hen heeft zien geboren worden zo kort bij de aandacht die hen deed bestaan. Zo’n wereld zou enkel kunnen bekomen worden bij een corresponderende graad van bewustzijn of van tijdsverandering; zulk een denkinspanning verwekt zulk een wereld, verwekt zulk een tijd. Ze verwekt zulk een waarheid of zulk een schoonheid waarvan sommigen slechts voor het verloop van een ogenblik waarneembaar zouden zijn. Hun tijdelijkheid of liever hun afwijking van de tijd zou een aanduiding zijn van hun kwaliteit: het horloge van de innerlijke tijd zou hun waardenschaal aanduiden.

Mijn schilderijen: figuratief? neen; abstract? ook niet. Men kan er kristallen in terugvinden, schorsen, rotsen, algen; nochtans zijn die dingen niet ‘voorgesteld’. Het aanzien van mijn schilderijen heeft gewoonweg een analogie met die vegetale of minerale materie. De analogie is geen figuratie: wanneer twee katten op elkaar lijken impliceert hun gelijkenis niet dat de ene de afbeelding van de andere is. Figuratief zijn de afbeeldingen van een wereld die bestaat of van een wereld die zou kunnen bestaan. Abstract zijn de afbeeldingen van een wereld die niet kan bestaan. Die gelijkenis van mijn schilderkunst met bepaalde elementen van de natuur is niet intentioneel.

p.114

Kan die onvrijwillige analogie figuratie genoemd worden? Hun richting doet er weinig toe: als die verandert, blijft de analogie. Om de abstracte kwaliteiten van een figuratief werk te appreciëren zet men het omgekeerd om zo te vergeten wat het voorstelt; mijn werken gelijken in alle richtingen op hetzelfde.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (7)

//Réquichot Rotbak dag 43 – klokken van Wuhan?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Degene die zijn bestaan geeft aan het universum schikt het volgens zijn wetten; iedereen geeft aan het universum het bestaan dat hem bevalt.

De grootte van de wereld is maar de grootte van het denken die hem beschouwt, wij zien hem door het innerlijke beeld dat we ervan hebben. Als we mysticus zijn, is hij maar een droom; als we dichter zijn, gemoedsuitdrukking, schoonheid. Als we chemicus zijn is hij louter reacties; wiskundige, dan wordt hij gereduceerd tot wet, tot waarheid. Onze overheersende obsessie overheerst de wereld, hij bestaat door ons. Het einde van het voelen en het denken is

p. 113

ook zijn einde, doodgaan herleid hem tot het niets, alsof onze grens ook de zijne is. Daar is de horizon van ons lynksenoog, daar waar niets nog begint.

De innerlijke tijd. Wie heeft niet een vertraging of een versnelling van het verloop van de tijd bemerkt naargelang de levensperioden, de momenten of de ogenblikken?Is het niet vaak de vertrooide die de tijd vergeet? Verstrooid, niet zo erg, diegene die zich concentreert op een zekere grens van de aandacht en zich daar uitsluitend op immobiliseert. Door zich daarop te fixeren verniet hij de tijd: er zich van losmakend herleeft de duur en omdat de geest zich nergens om bekommert kan die aanzienlijke proporties aannemen. Aldus zou de tijd maar een variabele hoeveelheid behouden aan binding, de intensiteit van het ene zou omgekeerd evenredig zijn met het bewustzijn van het andere. Er zou een heel curieuze horlogerie op punt te stellen zijn: die zou bepalen dat terwijl de perfecte lijn van de zonnewende haar constante ontvouwt zou een andere lijn oneindig gevarieerd met de sentimenten en de personen de punten benaderen of ervan afwijken, punten die zich officieel op gelijke afstand zouden bevinden. Het verwerven van die kostbare tijdsmechaniek zou het modificeren inhouden van staten waarvan het mentale de drijfveer is.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (6)

//Réquichot Rotbak dag 40 – echt vooruitgaan doet het wel niet

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Ik minacht de anderen want ik heb mijn eigen universum. Ik zeg wel degelijk universum, dat wil zeggen dat de anderen erin begrepen zijn. Ik weet dat zij het mij weergeven, maar ik negeer dat.

Daar elke vorm en kleur een expressie hebben is de expressie de ontmoetingsplaats van geheel het zichtbare universum.

p. 112

Klaar te zien zelfs in de gedachten die instinctief gemaakt zijn.
Een redenering bestaat niet.

De aandachtsvolle sensibiliteit van het denken voor de producten van de handgebaren die improviseren.

Een ervaring tot het uiterste voeren: als men te snel het uiterste vindt is dat niet de weg; als men het niet vindt is het de goede.

Ik probeerde de wereld in twee nette regionen te verdelen: hier wat er concreet is daar wat er abstract is; hier wat bestaat, daar wat niet bestaat. Voor die twee alternatieven plaatste ik mijn idee; het had alles wat nodig was om niet te bestaan: de gedachte had niets concreets. Maar toch had er iemand gezegd: “Ik denk dus ik ben” Hij had het nodig te begrijpen wat er in hem gebeurde om te begrijpen wat er buiten hem was.

Sommige onderzoeken bestuderen de uiterlijke wereld, andere de innerlijke. De eersten zullen steeds de waarde van hun bevindingen betwijfelen zolang zij niet weten wat het proces en de waarde van het mentale functioneren is; en de kennis van de mechanismen en de waarde van het mentale zou beperkte kennis zijn als zij haar zekerheid niet tot aan de uiterlijke wereld kon doen reiken. De verbinding van die twee werelden zou dus primordiaal zijn. Wat zou de orde van de wereld zijn zonder onze ntelligentie om haar te vatten, haar te creëren. het begrip van de ene kan niet zijn zonder het begrip van de andere; het ene roept het andere op zijn hoogtepunt, ze zijn elkaars verwezenlijking. De uiterlijke wereld werkt zich uit in het denken, de orde van het universum dat is onze intelligentie om het te vatten, te creëren, om te vatten wat die creëert.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (4)

//Réquichot Rotbak dag 38 – volstaat de angst der blootgestelde lichamen om ze op de planeet te kunnen repatriëren?

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

Drie maanden geleden toen ik bij L.D. was kwam er een man binnen die door de gemeenschap der sterfelijken van de buurt beschouwd werd als een beetje gestoord. Hij deed Madame D. en mij een lang genoeg verhaal waaruit ik twee frasen weerhield: ” Ik dood niet om te stelen”, een associatie van ideeën niet ontdaan van enige logica, en “Ik heb twee hoofden zoals Napoleon”, een meer afwijkende bewering. Het gehele verhaal had betrekking op hemzelf en op zijn moeder. Hij leek in zijn ogen een zekere strekking in zijn vooropstellingen te hebben, van het soort waarvan ik veronderstelde dat hij ze begreep terwijl Madame D. en ik het niet begrepen. Net zoals de logische textuur van mijn droom mij absurd leek bij het ontwaken, dacht ik dat als ik maar in zijn plaats was, als ik even gestoord zou zijn als hij, dan zou de zin van zijn woorden mij wel verschenen zijn; en vandaar dat iets in hem zijn toehoorders, te lui of niet capabel om hem te volgen, ontging en dat men hem dan maar veelal bij de minus habens onderbracht. Hij leek een zekere richting in zijn gedachten te hebben; zijn ideeën gaven hem er andere aan, ze leken niet zonder reden elkaar op te volgen. Ik kwam er uiteindelijk toe om te denken dat elke waanzin niets anders was dan een logica die verschilde met de onze en dat er deze logica der gekken, hoe ontoegankelijk zij ook was, niets in de weg stond om gedachten af te scheiden die even gezond en even diepzinnig waren dan welke dan ook.

Zich bevrijden van de gewoonte, zich bevrijden van het denken, zich bevrijden van de wil, zich bevrijden zelfs van de hoop, dit alles terwijl men het verschil weet te herkennen tussen de ware en de valse vrijheid. Er is ook de ware en valse hardnekkigheid.

Schilderen niet om een oeuvre te maken, maar om te weten tot waar een

p.111

oeuvre, tot waar het denken en het voelen kunnen gaan , waartoe onze smaak voor bepaalde geneugten leidt.

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Réquichot – dagboek zonder dagen (1)

// vertaling van Bernard Réquichot’s “Journal sans dates” REQUICHOT 2002 p.107-149 – hopelijk elke dag een stukje – de paginanummers van de Franse tekst worden op een aparte regel rechts uitgelijnd in klein bold lettertype vermeld boven de betreffende pagina in deze vertaling

p.107

We geloven dat we voelen, dat we begrijpen, we geloven dat we iets zeggen als we zeggen “Ik denk”; maar wat is dat “ik” en wat is dat “denk”? Wat is het kennen, wat is het weten, wat het zijn en wat is het zien? Wat is het spreken en wat is het luisteren? Algehele instorting van de woordenschat.

Mocht ik weten wat dat wil zeggen “ik denk”, dan zouden alle domeinen van de kennis mij toegankelijk zijn, want geen van hen bestaat zonder dat het denken bestaat. Het is het zien dat maakt dat wat je ziet, bestaat. Het is het voelen dat maakt dat wat je voelt, bestaat. Zoals in de liefde maakt het voelen dat het ding bestaat.
Zeldzaam zijn zij die denken en zij die voelen, zeldzaam zijn zij voor wie de woorden niet reeds een zin hebben.
Wat is er moeilijker dan de aard van de sentimenten te definiëren? Om ze te veel te willen situeren klasseert men ze, men simplificeert ze, men dooft ze. Van belang is dat zij zijn; wat hun waarde of charme bepaalt is hoe zij verschillen; wat hun geheim is, is dat er geen naam is voor ieder van hen, wat maakt dat ze een middel tot verrijking kunnen zijn, want om ze te kennen moet men ze ondergaan en zo verandert men door hen.
Ze wekken de nieuwsgierigheid: met de verandering die zij ons aanreiken, roepen zij het verlangen op om de verandering bij anderen te kennen. Dus wanneer wij de verandering van de ander aanvoelen zeggen wij hen “Waar denk je aan als je voelt?” Is wat hij ziet overdraagbaar, of wat hij gelooft te denken of gelooft te voelen? Misschien antwoordt hij, misschien geloven we zelfs dat zijn antwoord waar is. Wat is de waarheid van het onzichtbare? Is dat niet dat ding dat maakt dat wij geloven begrepen te zijn? Dat wij geloven dat wij het begrijpen, dat wij begrepen hebben wat ‘ik denk’ wil zeggen? Het begrijpen wordt de uiteindelijk gemeenschappelijke plaats van het denken en van het voelen.

Hulde aan de lelijkheid, aan de horror van de hyperbrol, saërdante arnak-cochijnemesine, wanstaltig en vreselelijk grillig gehoornde troep of

p.108

afzichtelijke wanorde! Glorie voor de ziekelijk lanterfantende klierzooiige afweer die verHixHixt de vaatkluwenkladschilders ! Ho! gorgelaartje van Barabas, Baratsahal waardig, de bottenkwakzalvende, ho bisquekladderaar, bihamente makmish met suddermeumeu! die bij Retieke van de Sekketiekenstraat van bij de taramantieke Réschitoke woonde!

Afbeeldingsresultaat voor Réquichot Ecrit divers

Barthes over Réquichot (16)

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>
foto van Dirk Vekemans.

// Réquichot Rotbak dag 15 – + drie gedroogde kamerplantbladeren

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Barthes ontwikkelt hier, in het stuk over de representatie vandaag, weer enkele zeer bruikbare gedachten. Maar.

Réquichot publiceerde niets van zijn geschriften, compleet in overeenstemming met de premissen van zijn werk. Geeft dat auteur Roland Barthes een vrijgeleide om de eigen kijk op het werk te priviligeren boven de intentieverklaringen en de begeleidende commentaar in het nagelaten literaire werk? Blijkbaar wel: er was nog wat meer echte verdienste mee gemoeid, maar je was ook toen geen auteur tot je het zitje gekocht had, op één of andere manier.

Gelukkig was Réquichot zich van dit kleine euvel bewust. Wist hij dat de echte, wérkende titel ‘auteur/autrice’ enkel postuum kan worden verleend aan de auteur van geschriften die weigeren de vergetelheid te omarmen zonder eerst hun geheimen te hebben prijsgegeven aan de lezers die zulks nodig hebben en die haar/hem daarom uit dankbaarheid benoemen.

“Ah! la jouissance d’être l’auteur de sa propre apocalypse”.

de representatie

Hoe weet de schilder dat het werk af is? Dat hij dient op te houden, het object loslaten, aan een ander werk beginnen? Zolang de schilderkunst strikt figuratief was, was het affe denkbaar (het was zelfs een esthetische waarde): dit hier heeft het bereikt (de illusie), dit kan ik loslaten (het doek); maar in de schilderkunst daarna is de perfectie (parfaire wil zeggen beëindigen) geen waarde meer : het werk is eindeloos (zoals het onbekende meesterwerk van Balzac dat al was), en toch hield men op een zeker moment op (om het te tonen of te vernietigen) : de maat van het werk zit ‘m niet meer in zijn finaliteit (het product beëindigt wat het constitueert), maar in het werk dat het exposeert (de productie waarin het de lezer wil meeslepen: naarmate het werk zich maakt (en zich leest) transformeert het zijn einde. Het is een beetje wat er gebeurt bij een analytische behandeling: het is het aanvankelijk zeer eenvoudige idee zelf van ‘genezing’ dat zich beetje bij beetje compliceert, transformeert en verwijdert: het werk is onbeeindigbaar, zoals de behandeling : in beide gevallen gaat het minder om een te bereiken resultaat dan om een probleem aan te passen, dwz. een onderwerp : het te ontdoen van de finaliteit waarmee het zijn begin insluit.

Zoals men ziet stelt de moeilijkheid om te eindigen – waarvan Réquichot vaak melding maakte – de representatie zelf in vraag, tenzij het de afschaffing van de figuratie is, teweeg gebracht door een heel spel van historische determinaties, die het einde (doel en slot) van de kunst onvervuld laat. Heel de discussie zit misschien vervat in de twee betekenissen van het woord “representatie”. In de gebruikelijke betekenis, die van het klassieke werk, betekent de representatie een kopie, een illusie, een analoge figuur, een gelijkend product; maar in de etymologische zin is de re-presentatie niets anders dan de terugkeer van wat zich gepresenteerd heeft; in de representatie onthult het heden [fr: ‘le présent’] zijn paradox, die van reeds plaatsgevonden te hebben (omdat het niet aan de code ontsnapt): aldus komt dat wat het meest onbedwingbaar is in in de kunstenaar (in het geval van Réquichot) te weten de raket van het orgasme, niet tot stand zonder de hulp van het alreeds dat in de taal vervat is, dat de taal is; en het is hier dat in weerwil van de blijkbaar onverzoenlijke oorlog tussen het Oude en het Nieuwe de twee betekenissen zich verbinden: van het ene eind naar het andere van haar geschiedenis is de kunst niets anders dan het wisselende debat van het beeld en de naam: enerzijds (aan de figuratieve pool) regeert de exacte Naam en legt het teken zijn wet op aan de betekenaar; anderzijds (aan de – moeilijk te zeggen – “abstracte” pool) vlucht de Naam, wil de onophoudelijk exploderende betekenaar zich ontdoen van dat koppige betekende dat wil weerkeren om een teken te vormen (de originaliteit van Réquichot bestaat hierin dat hij de abstracte oplossing achter zich liet en begreep dat je om je van de Naam, de Maya te ontdoen je moest aanvaarden om die uit te putten: de asemie passeert langs de exuberante, radeloze polysemie, : de naam blijft niet ter plaatse).
Samengevat, is er een moment, een niveau van de theorie (van de Tekst, van de kunst) waar de twee betekenissen ruzieën: je kan stellen dat het meest figuratieve schilderwerk nooit iets representeert (kopieert) maar enkel een Naam zoekt (de naam van de scène, van het object); maar je kan ook zeggen (wat vandaag meer ongehoord is) dat het minst figuratieve “schilderij” altijd iets voorstelt: ofwel de taal zelf ( wat om zo te zeggen de positie van de canonieke avant-garde is), ofwel het binnen van het lichaam, het lichaam als binnen, of beter: het genieten : dat wat Réquichot doet ( als schilder van het genot is Réquichot vandaag uitzonderlijk, uit de mode – want de avant-garde is niet vaak genotzuchtig).

de Franse tekst

commentaar

Barthes negeert het autonoom ontwikkelde discours van Réquichot zelf totaal en verliest zich maar al te graag in de wriemelige complexiteiten van zijn reïficerende betekenistheorie die hij als een certitude poneert (terwijl er ondertussen niet zo veel meer van overeind blijft).

maar die ene opmerking over het feit dat de asemie pas kan bereikt worden via een exuberante polysemie maakt veel goed want dat is ook wat blijkt uit de talloze oppervlakkige en al te makkelijke ontsnappingspogingen in de huidige Asemic Writing praktijk die op vrij amechtige en – het moet gezegd – zelfs ridicule wijze blijven steken in het feit dat ze allemaal zo betekenisvol willen zijn, ze willen ertoe doen, ze schreeuwen om aandacht, om likes voor hun maak(st)ers. In een vrij monsterlijke pastiche op de artistieke geschiedenis willen sommige van deze krabbels zich onderscheiden van gewone kinderkrabbels louter door hun benaming als ‘asemisch schrift’.

Het kan altijd erger, dat is de wet van de kosmos; maar in de Kunst kan het altijd nog veeeeeel erger…zolang de geldkraan open staat toch.

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.
Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>

Barthes over Réquichot (15)

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>
foto van Dirk Vekemans.

//Réquichot Rotbak dag 14 + mortel van gemalen mosselschelpen met linzenmeel en behanglijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. In het boek zijn ook de geschriften van Réquichot opgenomen, maar diens woorden komen niet echt frequent opborrelen in deze gedachten van Barthes

In de afdeling ‘de representatie’ vandaag de langere sectie over ‘de naam’.

de naam

Laat ons twee moderne objectbehandelingen beschouwen. In de ready made is het object reëel (de kunst begint pas aan de rand ervan, zijn inkadering, zijn museografie) – daarom heeft men erover kunnen praten als kleinburgerlijk realisme. In de conceptuele kunst wordt het object genoemd, geënt op het woordenboek – daarom zou men beter van “denotatieve kunst’ spreken dan van “conceptuele kunst”. In de ready made is het object zo reëel dat de kunstenaar zich een excentrieke of onzekere denominatie kan veroorloven: in de conceptuele kunst is het object zo exact benoemd dat het niet meer echt hoeft te zijn: het kan zich herleiden tot een lemma in het woordenboek (Thing, van Joseph Kosuth). Deze twee behandelingen [FR: ‘traite-ments’],die schijnbaar tegengesteld zijn zijn terug te voeren tot eenzelfde activiteit: de classificatie.

In de Hindoe-filosofie heeft de classificatie een illustere naam: dat is Maya: niet de wereld van de ‘ verschijningne’, de sluier die de intieme waarheid verhuld, maar het principe dat maakt dat alle dingen geklasseerd en gemeten zijn door de mens en niet door de natuur; van het ogenblik dat er een tegenstelling (de Oppositie) opduikt, is er Maya: het netwerk der vormen (de objecten) is Maya, het paradigma van de namen (de taal) is Maya (de brahmaan ontkent de Maya niet, hij stelt het Ene niet tegenover het Meervoudige, hij is helemaal geen monist – want herenigen is ook Maya; wat hij zoekt is het einde van de oppositie, het vervallen van de meting; zijn project is niet om zich buiten elke klasse te stellen, maar buiten de klassificatie zelf)

Het werk van Réquichot is geen Maya: hij wil geen object en geen taal. Wat hij viseert is de Naam onttronen; van werk tot werk voert hij een algemene ex-nominatie van het object door. Dat is het uitzonderlijke project dat Réquichot apart zet van de gezindten van zijn tijd. Het is geen eenvoudig project: de ex-nominatie van het object moet noodgedwongen door een faze van exuberante over-benoeming: je moet de Maya opwaarderen vooraleer hem uit te putten: het thematische moment dat heden uit de mode is. Een thematische kritiek van Réquichot is niet alleen mogelijk maar onvermijdelijk: zijn vormen ‘gelijken’ op iets, roepen een optocht van namen op volgens het procédé van de metafoor; hij wist het zelf: “Mijn schilderijen: je kan er kristallen in vinden, takken, grotten, algen, sponzen…”. De analogie is hier onbedwingbaar (zoals een voortijdig orgasme), maar vanuit het oogpunt van de taal is ze al ambigu: het is omdat de getraceerde vorm (geschilderd of samengesteld) geen naam heeft, dat men er hem een zoekt of meerdere opdringt: de metafoor is de enige manier om het onbenoembare te benoemen (en wordt zo heel uitdrukkelijk een catachrese) : de resem namen geldt voor de ontbrekende naam. Wat er overgaat in de analogie (tenminste in de analogie die Réquichot beoefent) is niet de de term, het veronderstelde betekende (“deze vlek betekent een spons”), het is de verleiding van een naam, eender welke naam: de doorgedraaide polysemie is het eerste (initiatie) stadium van een ascese die de woordenschat, de zin te buiten gaat.

De gesuggereerde thematiek van Réquichot is bedrieglijk omdat ze in feite onbeheersbaar is: de metafoor houdt niet op, het benoemingswerk zet zich onverbiddelijk voort, verplicht om door te gaan, zich nooit vast te zetten, de gevonden namen af te wijzen en nergens toe te komen tenzij aan een eeuwigdurende ex-nominatie: omdat het niet lijkt op alles maar achtereenvolgend op iets, lijkt het nergens op. Of nog: het gelijkt, ja , maar waarop? op “iets wat geen naam heeft”. De analogie bereikt zo zijn eigen ontkenning en de kloof van de naam is nu eindeloos: wat is dat?

Deze vraag (die door de Sfinx aan Oedipus werd gesteld) is altijd een schreeuw , de eis van een verlangen : snel een Naam zodat ik gerustgesteld ben! Dat de Maya niet meer verscheurd is, zich herstelt en restaureert in de hervonden taal: dat het schilderij me zijn Naam geeft! Maar – en dat definieert nu net Réquichot – de Naam wordt nooit gegeven: we genieten slechts van ons verlangen, niet van ons plezier.

Misschien is dit de echte abstractie: niet die schilderkunst ontwikkeld door sommige schilders rond de idee van de lijn (de courante opinie is dat de lijn abstract is, apollinisch; het beeld van een abstract magma zoals bij Réquichot lijkt onbetamelijk) maar dit gevaarlijke debat tussen het object en de taal waarvan Réquichot het verhaal heeft voorzien: hij heeft abstracte objecten gecreêerd: objecten omdat ze een naam zoeken en abstract omdat ze onbenoembaar zijn: van het ogenblik dat eer een object is (en niet een lijn) wil dat een naam baren, een afstamming produceren, die van de taal: is de taal niet dat wat ons nagelaten is door een vroegere orde? In zijn werk voer Réquichot een onterving van het object door, hij snijdt de naamsafstamming af. Van, de materie van de betekenaar zelf verwijdert hij elke origine: wat zijn de “accidenten” (waaruit sommige van zijn collage gewoven werden)? Doeken, eerder beschilderd en dan opgerold en opgehangen: onterfden.

Het project van Réquichot is dubbel bepaald (onbeslisbaar): langs een kant op het schaakbord van de avant-garde, verdiept hij de crisis van de taal, hij schudt tot brekens toe de denotatie, de formulering door elkaar; langs de andere kant streeft hij persoonlijk de definitie van zijn eigen lichaam na en ontdekt hij dat die definitie begint daar waar de Naam ophoudt, ’t is te zeggen binnenin (enkel de dokters kunnen ver van alle realiteit het binnen van het lichaam benoemen – dat lichaam dat niets anders is dan zijn binnen). Heel de schilderkunst van Réquichot kan dit opschrift dragen, geschreven door de schilder zelf: ” Je ne sais pas c’qui m’quoi” (“Ik weet niet wie me wat”).

Franse tekst:

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.
Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>