Tiriël (3/8)

Ze zaten samen te eten en Heer en Habbe glimlachten naar Tiriel.

“Gij zijt een zeer oude man, maar ik ben ouder dan gij.
“Waarom is uw hoofd zo kaal en waarom uw gezicht zo donker?

“Mijn haar is heel lang, mijn baard bedekt gans mijn borst.
“God zegene uw erbarmelijk gezicht, uw rimpels te tellen zou
Mnetha paf doen staan: gezegend zij uw gezicht! want gij zijt Tiriël.”

“Tiriël zag ik maar één keer: ik heb met hem gegeten toen;
“Hij was vrolijk als een prins en zeer onderhoudend met mij
“Maar lang bleef ik niet in zijn paleis want zwerven moet ik steeds.”

“Wat! gaat ge ons ook verlaten?” vroeg Habbe: “gij moogt ons niet verlaten
“ Want we hebben vele spelen te tonen en vele liederen te zingen,
“En na het eten gaan we naar de grot van Heer en daar
“Kunt ge helpen vogels vangen en van die rijpe kersen plukken
“Laat dan Tiriël uw naam zijn en verlaat ons nimmermeer.”

“Als gij weggaat toch, sprak Heer, “hoop ik dat ge moogt uw dwaasheid zien.
“Mijn zonen hebben mij verlaten, de uwe ook? O, hoe wreed dat was!

“Neen, eerbiedwaardige” zei Tiriël, vraag mij zulke dingen niet,
“Want ge doet mijn hart bloeden: mijn zonen waren niet zoals de uwe,
“Maar erger; O vraag niet verder meer, of ik moet weg van hier!”

“Gij moogt niet gaan” zei Habbe “ vooraleer ge onze zangvogels hebt gezien,
“ Heer hebt horen zingen in de grote kooi en geslapen hebt op onze dekens.
“Ga niet want gij gelijkt Tiriël zo fel dat ik uw hoofd bemin
“Al is het gerimpeld als aarde uitgedroogd door zomerhitte.”

Toen stond Tiriël op en sprak: “God zegene deze tenten!
“Mijn Reis is over rots en bergen, niet door genoeglijke dalen:
“Slapen noch rusten mag ik van waanzin en ontsteltenis.”

En Mnetha zei: “Ga toch niet  in ‘t duister zwerven weer alleen;
“Maar blijf bij ons en laat ons voor u als  ogen zijn;
“En ik zal u eten brengen, ouderling, tot de dood u roepen zal.”

Toen sprak Tiriël fronsend: “heb ik u niet gemaand met de woorden
‘Waanzin en onsteltenis beheersen ‘t hart der blinde,
“De zwerver die leunend op zijn staf naar de wouden trekt?’”
Mnetha deinsde trillend van zijn fronsen en leidde hem naar de deur.
Ze gaf hem zijn staf en zegende hem en hij vervolgde zijn weg.

Heer en Habbe bleven staan kijken tot hij ‘t woud betrad
En dan gingen ze  wenen bij Mnetha, maar dra vergaten zij hun tranen.




dv 2019 – ‘But Har & Heva stood & watch’d him till he enter’d the wood’

over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (2/8)

2.

Hij dwaalde dag & nacht: voor hem was ‘t even donker dag of nacht.
De zon voelde hij, maar de klare maan was hem een nutteloze schijf:
Over bergen & door dalen van ellende dwaalde de oude blinde
man, tot hij die allen leidt, hem hier bracht, in de vallei van Heer.

En Heer en Habbe zaten daar, als twee kinderen onder de Eik.:
Mnetha, oud nu, diende hen & bracht hen kleding en voedsel;
Maar ze waren als de schaduw van Heer en als vergeten jaren.
Met bloemenspel en achter vogels jagen brachten ze de dag door,
En ‘s nachts sliepen ze als kinderen, blij met kinderdromen.

De blinde zwerver kwam nog maar de tuin van Heer binnen of ze stoven
wenend weg, als bange kinderen en verscholen zich in Mnetha’s armen.
De blinde ging verder op de tast en riep: “Vrede voor deze open deuren!
“Vrees niets, want arme blinde Tiriël doet enkel zichzelf kwaad;
“Zeg mij, O vrienden, waar ben ik nu en wat is deze aangename plek?”

“Dit is de vallei van Heer, sprak Mnetha, “& dit is de tent van Heer.
“Wie zijt gij, arme blinde, die de naam van Tiriël voor zich gebruikt?
“Tiriël is van gans het westen koning: wie zijt gij? Ik ben Mnetha,
“En zij hier, die beven als kinderen, dat zijn Heer en Habbe.”

“Ik weet dat Tiriël koning van het westen is,hij leeft daar in blijdschap.
“Het maakt niet wie ik ben; O Mnetha, als gij wat voedsel hebt,
“Gun mij wat, want blijven kan ik niet; mijn weg leidt ver van hier.”

Dan zei Har: “O moeder Mnetha, waag u niet zo dicht bij hem;
“Want hij is van hout dat rot de koning en van beenderen des doods;
“Hij zwerft rond zonder ogen & gaat de deuren door en dikke muren
“Gij zult aan mijn moeder Mnetha niet raken, gij ogenloze!”

“Ik ben zwerver en vraag te eten: zoals ge ziet kan ik niet huilen:
“Ziet: ik gooi mijn staf, mijn trouwe metgezel op reis, weg
“En kniel voor u zodat ge ziet dat ik niet gevaarlijk ben.”

Hij knielde neder, & Mnetha sprak: “Kom, Heer en Habbe, sta op!
“Het is een onschuldige oude man, & hongerig van zijn reizen.”
Toen stond Heer op en legde zijn hand op Tiriëls hoofd.

“God zegene uw arme kale kop! God zegene uw holle knipperogen!
“God zegene uw magere baard! God zegene uw zwaar gerimpeld voorhoofd!
“Ge hebt geen tanden gij oude, ik kus u dus u het gladde kale hoofd.
“Habbe, kom maar,  kus zijn kale hoofd, hij zal ons geen kwaad doen, Habbe.”

Toen kwam Habbe en ze nam de oude Tiriël in haar moeders armen.

“Gezegend zij uw arme ogen, oude & gezegend zij Tiriëls oude vader!
“Gij zijt de oude vader van mijnTiriël; ik herken u aan uw rimpels,
“En omdat gij geurt als een vijgenboom, gij ruikt naar rijpe vijgen.
“Hoe zijt g’ uw ogen kwijtgeraakt, gij Tiriël? gezegend zij uw rimpels!”

Mnetha zei: “ Kom binnen, bejaarde zwerver, zeg ons toch uw naam.
Wat zoudt ge u verbergen voor uw eigen vlees en bloed?”

“Ik ben niet van deze streken” deed Tiriël nu voor
“Ik ben een bejaarde zwerver, ooit vader van een geslacht
“Ver in ‘t noorden; maar zij waren verdorven allen en vernietigd nu,
“En ik, hun vader ben verbannen. Daar, ‘k heb het allemaal verteld nu
“Vraag niet verder, vraag ik, want het rouwen heeft mij blind gemaakt.”

“O God!” sprak Mnetha  ”ik daver nu! zijn er dan nog and’re volken,
“Meer menselijke wezens op de aarde buiten de zonen van Heer?”

“Geen ander” sprak Tiriël ”dan ik, verblijft nog hier op deze bol:
“En uitgestotene ben ik; hebt gij iets te drinken, misschien?”

Mnetha gaf hem fruit en melk dan & ze zaten samen daar.


2.

He wander’d day & night to him both day & night were dark 
The sun he felt but the bright moon was now a useless globe 
O’er mountains & thro’ vales of woe. the blind & aged man 
Wanderd till he that leadeth all. led him to the vales of Har.

And Har & Heva like two children sat beneath the Oak 
Mnetha now aged waited on them. & brought them food & clothing 
But they were as the shadow of Har. & as the years forgotten 
Playing with flowers. & running after birds they spent the day 
And in the night like infants slept delighted with infant dreams. 

Soon as the blind wanderer enter’d the pleasant gardens of Har 
They ran weeping like frighted infants for refuge in Mnethas arms 
The blind man felt his way & cried “peace to these open doors 
“Let no one fear for poor blind Tiriel hurts none but himself 
“Tell me O friends where am I now. & in what pleasant place?” 

“This is the valley of Har”, said Mnetha, “& this the tent of Har. 
“Who art thou, poor blind man. that takest the name of Tiriel on thee?” 
“Tiriel is king of all the west: who art thou? I am Mnetha, 
“And this is Har & Heva, trembling like infants by my side.” 

“I know Tiriel is king of the west & there he lives in joy. 
“No matter who I am; O Mnetha, if thou hast any food, 
“Give it me. for I cannot stay; my journey is far from hence.” 

Then Har said: “O my mother Mnetha, venture not so near him
“For he is the king of rotten wood & of the bones of death 
“He wanders. without eyes. & passes thro’ thick walls & doors. 
“Thou shalt not smite my mother Mnetha O thou eyeless man!”

“A wanderer. I beg for food. you see I cannot weep: 
I cast away my staff the kind companion of my travel, 
And I kneel down that you may see I am a harmless man.”

He kneeled down & Mnetha said: “Come, Har & Heva, rise! 
“He is an innocent old man & hungry with his travel.” 

Then Har arose & laid his hand upon old Tiriels head .

“God bless thy poor bald pate. God bless. thy hollow winking eyes 
“God bless thy shriveld beard. God. bless. thy many wrinkled forehead 
“Thou hast no teeth old man & thus I kiss thy sleek bald head 
“Heva come kiss his bald head for he will not hurt us Heva.”

Then Heva came & took old Tiriel in her mothers arms.

“Bless thy poor eyes old man. & bless the old father of Tiriel! 
“Thou art my Tiriels old father. I know thee thro thy wrinkles, 
“Because thou smellest. like the figtree. thou smellest like ripe figs. 
“How didst thou lose thy eyes old Tiriel. bless thy wrinkled face!”

Mnetha said come in aged wanderer tell us of thy name. 
“Why shouldest thou conceal thyself from those of thine own flesh?”

“I am not of this region. said Tiriel dissemblingly, 
“I am an aged wanderer once father of a race 
“Far in the north. but they were wicked & were all destroy’d, 
“And I their father sent an outcast. I have told you all 
Ask me no more I pray for grief hath seald my precious sight.”

“O Lord!” said Mnetha how I tremble! are there then more people, 
“More human creatures on this earth beside the sons of Har?”

“No more,” said Tiriel, “but I, remain on all this globe; 
“And I remain an outcast; hast thou any thing to drink?”

Then Mnetha gave him milk & fruits. & they sat down together.

dv 2019 – Soon as the blind wanderer enter’d the pleasant gardens of Har 
They ran weeping like frighted infants for refuge in Mnethas arms

[tekst van wikisource]
over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

tekenen

liefde spreekt van jou
en het verval tekent jou:
herfst betekent herfst.

dv 2019 – “de Schone van Li rechtgeholpen in haar ziekbed door haar minnares Gong” – potlood – A6


input:

– Meng Chiao – Heartsong, vert. David Hinton, ISBN 0-691-01237-7, p.55
– Meng Jiao – Feeling the Absence, vert. R. Earle Harris,  http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj081.html

Tiriël (1/8)

En Oude Tiriël stond voor de Poort van zijn mooie paleis [*]
Met Myratana, eens Koningin van alle westelijke vlakten;
Maar zijn ogen stonden donker nu & zijn vrouw gleed weg in de dood.
Zij stonden voor hun eens zo heerlijke paleis & aldus verhief de oude
Tiriel zijn Stem opdat zijn zonen aan hun poort hem horen zouden:

“Vervloekt geslacht van Tiriël, zie hier uw [**] vader;
“Kom & zie hier zij die u droeg! kom, gij vervloekte zonen!
“In mijn zwakke [**] armen draag ik hier uw stervende moeder.
“Kom hier, zonen van de Vloek, kom hier! zie de dood van Myratana!”

Zijn zonen kwamen van hun poorten en zagen hun bejaarde ouders,
En zo verhief de oudste zoon van Tiriël zijn machtige stem:

“Oude man! onwaardig om van Tiriël’s geslacht de naam te dragen!
“Want elke rimpel daar van u en elkeen van uw grijze haren
“Is zo wreed als de dood, en onbarmhartig als ’t verslindend gat!
“Wat zou uw zonen aan uw vloek gelegen zijn, gij vervloekte?
“Waren wij geen slaven tot wij rebelleerden? Wie geeft er om Tiriëls vloek?
“Zijn zegen was een wrede vloek, Zijn vloek misschien een zegen.”

Hij zweeg; de oude man stak zijn rechterhand ter hemel,
Zijn linker steunde Myratana, [***] krimpende in smarten van de dood:
Hij opende de bollen van zijn grote ogen en zo zijn stem schreed voort:

“Slangen, zijt gij, zonen niet, die wringen rond de beenderen van Tiriël
Doodswormen die zich te goed doen aan’t bejaarde ouderlijke vlees!
Luister! & hoor uw moeder kermen! Niet meer kan zij verdragen,
Vervloekte Zonen! ’t Is niet om Heuxos geboorte of die van Yuva dat
Zij kermt. Doodskreunen zijn het, gij slangen! Doodskreunen zijn het!
Gevoed zijt gij met moeders melk, gij slangen, met zorg en tranen!
“zie mijn ogen, blind als de oogloze schedel tussen de stenen!
“Zie mijn kale hoofd! Aanhoor! Luister, gij slangen, hoort!
“Maar, Myratana! Wat, mijn vrouw! O Ziel! O Geest! O vuur!
“Maar Myratana! zijt gij dood? Kijk hier, gij slangen, kijk!
“De slangen uit heur eigen buik ontsproten, zogen haar zo droog.
“Vloek zij over jullie starre hoofden, want ik zal haar hier begraven, zelfs.”

Dit gezegd begon hij met zijn oude handen een graf te graven;
Maar Heuxos gebood een zoon van Zazel om zijn moeders graf te graven.

“Oude wreedheid, hou op! laat ons het graf voor u graven.
“Gij weigerde onze liefdadigheid, gij weigerde ons eten,
“Gij weigerde onze klederen, onze bedden, onze huizen om te wonen,
“Gij verkoos te dwalen als een Zoon van Zazel in de bergen.
“Wat vloekt gij toch? is nu niet uw vloek op ’t eigen hoofd gekomen?
“Waart gij het niet die Zazels zonen onderwierp? & zij vloekten,
“En dat voelt ge nu. Graaf het graf en laat ons onze moeder begraven,”

“Hier, neem het lichaam, vervloekte zonen! & moge de hemelen gramschap
“Op u storten zo dik als Noordermist aan uw poorten, dat ge er in stikt!
“Dat ge daar moogt liggen zoals uw moeder hier, als verjaagde honden,
“Dat de stank van uw karkassen mens en dier moge ergeren?
“Tot uw witte botten van ouderdom bleek genoeg zijn om t’ herdenken,
“Nee!, herinnering aan u zal vergaan; want wanneer uw karkassen
“Te stinken liggen op d’ aarde, zullen de delvers van ’t Oosten opkomen
“En van al Tiriëls zonen rest dan geen bot of been!
“Begraaf uw moeder! Maar de vloek van Tiriël begraaft gij niet!”

Hij zweeg & duister over de bergen zocht hij zijn ongebaande weg.

weglatingen (geschrapt in het MS):
* Maar donker waren zijn eens priemende ogen
** oude
*** hijgend

TIRIEL

I

And Aged Tiriel. stood before the Gates of his beautiful palace
[But dark were his once piercing eyes del.
With Myratana. once the Queen of all the western plains 
But now his eyes were darkned. & his wife fading in death 
They stood before their once delightful palace. & thus the Voice 
Of aged Tiriel. arose. that his sons might hear in their gates:

 
“Accursed race of Tiriel. behold your [aged del] father 
“Come forth & look on her that bore you. come you accursed sons. 
“In my weak [aged del] arms. I here have borne your dying mother 
“Come forth sons of the Curse come forth. see the death of Myratana “


His sons ran from their gates. & saw their aged parents stand 
And thus the eldest son of Tiriel raisd his mighty voice:

 
“Old man unworthy to be calld. the father of Tiriels race 
For evry one of those thy wrinkles. each of those grey hairs 
Are cruel as death. & as obdurate as the devouring pit 
Why should thy sons care for thy curses thou accursed man 
Were we not slaves till we rebeld. Who cares for Tiriels curse 
His blessing was a cruel curse. His curse may be a blessing 
He ceast the aged man raisd up his right hand to the heavens 
His left supported Myratana shrinking in pangs of death 
The orbs of his large eyes he opend. & thus his voice went forth:

“Serpents not sons. wreathing around the bones of Tiriel 
“Ye worms of death feasting upon your aged parents flesh 
“Listen & hear your mothers groans. No more accursed Sons 
“She bears. she groans not at the birth of Heuxos or Yuva 
“These are the groans of death ye serpents These are the groans of death 
“Nourishd with milk ye serpents. nourishd with mothers tears & cares 
“Look at my eyes blind as the orbless scull among the stones 
“Look at my bald head. Hark listen ye serpents listen 
“What Myratana. What my wife. O Soul O Spirit O fire 
“What Myratana. art thou dead. Look here ye serpents look 
“The serpents sprung from her own bowels have draind her dry as this. 
“Curse on your ruthless heads. for I will bury her even here “
So saying he began to dig a grave with his aged hands.
But Heuxos calld a son of Zazel. to dig their mother a grave 

“Old cruelty desist & let us dig a grave for thee 
“Thou hast refusd our charity thou hast refusd our food 
“Thou hast refusd our clothes our beds our houses for thy dwelling 
“Chusing to wander like a Son of Zazel in the rocks 
“Why dost thou curse. is not the curse now come upon your head 
“Was it not you enslavd the sons of Zazel. & they have cursd 
“And now you feel it. Dig a grave & let us bury our mother.”
 
“There take the body. cursed sons. & may the heavens rain wrath 
“As thick as northern fogs. around your gates. to choke you up 
“That you may lie as now your mother lies. like dogs. cast out 
“The stink. of your dead carcases. annoying man & beast 
“Till your white bones are bleachd with age for a memorial. 
“No your remembrance shall perish. for when your carcases 
“Lie stinking on the earth. the buriers shall arise from the east 
“And not a bone of all the soils of Tiriel remain 
“Bury your mother but you cannot bury the curse of Tiriel”

He ceast & darkling oer the mountains sought his pathless way.

[tekst van wikisource, gewijzigde interpunctie]over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

dv 2019 – ” our pathless way”

alle religies zijn gelijk

over dit werk, zie: https://en.wikipedia.org/wiki/All_Religions_are_One

Een Roepende Stem in de Woestenij
ALLE RELIGIES ZIJN GELIJK
Argumentatie. Aangezien de ware methode tot kennis de ervaring is, moet de ware faculteit van het kennen wel de faculteit zijn die ervaart.
Deze faculteit behandel ik hier.
1ste Principe. Dat het Poëtische Genius de ware Mens is, en dat het lichaam of de uiterlijke vorm van de Mens afgeleid is van het Poëtische Genius. Evenzo dat de vormen van alle dingen afgeleid zijn van hun Genius, dat door de Ouden Engel & Geest en Demon werd genoemd.
2de Principe. Zoals alle mensen gelijk zijn in uiterlijke vorm, zo (en met dezelfde oneindige verscheidenheid) zijn zij allen gelijk in het Poëtische Genius.
3de Principe. Niemand kan vanuit zijn hart denken, schrijven of spreken zonder de waarheid te betrachten. Dus alle stromingen in de Filosofie komen van het Poêtische genius en zijn aangepast aan de zwakten van elk individu.
4de Principe. Zoals niemand het onbekende kan ontdekken door in gekend terrein te reizen, zo kan de Mens van reeds verkregen kennis, niet meer kennis verwerven: daartoe bestaat er een universeel Poëtisch Genius,
5de Principe. De Religies van alle Naties zijn afgeleid van de receptie door elke Natie van het Poëtische Genius, dat overal de Profetische Geest genoemd wordt.

6de Principe. De Joodse en Christelijke Testamenten zijn een originele afleiding van het Poëtische Genius; dit is noodzakelijkerwijs zo door de beperkte aard van het lichamelijk gevoel.
7de Principe. Zoals alle mensen gelijk zijn (maar oneindig verscheiden), zo ook alle Religies & hebben zij, zoals alle gelijken, één bron.
De ware Mens is de bron, en dat is het Poëtische Genius.

https://en.wikipedia.org/wiki/All_Religions_are_One

tekst: G. KeynesWilliam Blake. Complete Writings with variants, London 1972, ISBN 019-254157-9, p.98
vert.: dv
attr. prenten: By William Blake – http://www.blakearchive.org/exist/blake/archive/work.xq?workid=nnr&java=no, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10733382 (e.s.)

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase.
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

er is geen natuurlijke religie


TNNR Series b Plate 1 (Frontispiece).jpg
TNNR Series b Plate 2 (Title page).jpg
ER IS GEEN NATUURLIJKE RELIGIE
I. De menselijke waarneming is niet beperkt tot de zintuigen; de mens neemt meer waar dan het gevoelen kan ontdekken (hoe scherp dat ook is)
TNNR Series b Plate 4 (II).jpg
II. De Rede, of de ratio van alles wat we al gekend hebben, is niet dezelfde die ze zal zijn wanneer we meer kennen

III. [Deze stelling is verloren gegaan]

TNNR Series b Plate 6 (IV).jpg
IV. Het beperkte wordt verafschuwd door de eigenaar ervan. Hetzelfde saaie rondje zou, zelfs voor een universum, al snel een molen met gecompliceerde wielen worden
TNNR Series b Plate 7 (V).jpg
V. Als het vele, eens het eigendom is, hetzelfde wordt als het weinige is ‘Meer! Meer!’ de roep van een dwalende ziel: minder dan Alles kan de Mens nooit voldoening geven.
TNNR Series b Plate 8 (VI).jpg
VI. Wanneer iemand kan verlangen wat hij nooit kan bezitten, zal wanhoop zijn eeuwige deel zijn.
TNNR Series b Plate 9 (VII).jpg
VII. Aangezien het verlangen van de Mens Eindeloos is, is het bezit Eindeloos, & hijzelf Eindeloos
TNNR Series b Plate 11 (Application).jpg
Toepassing. Hij die het Oneindige in alle dingen ziet, ziet God. Hij die alleen de Ratio ziet, ziet slechts zichzelf.
TNNR Series b Plate 12 (Therefore).jpg
Om die reden. God wordt zoals wij zijn, opdat wij zouden kunnen worden zoals hij is.

tekst: aangeduid met [SECOND SERIES] in G. Keynes, William Blake. Complete Writings with variants, London 1972, ISBN 019-254157-9, p.97
vert.: dv
attr. prenten: By William Blake – http://www.blakearchive.org/exist/blake/archive/work.xq?workid=nnr&java=no, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10733382 (e.s.)

er is geen natuurlijke religie

NB: Ik vertaal hier wat er in ‘mijn’ Keynes Complete Writings van 1972 (ISBN 019-254157-9, p.97) staat onder de hoofding [FIRST SERIES]. De aangewezen (weder)samenstelling en de diverse gedrukte versies daarvan leveren stof voor Eindeloos Debat. We hebben al Brexit genoeg. De afbeeldingen van de betreffende teksten door Blake gedrukt zijn hier gelinkt vanop de Engelstalige Wikipediapagina over deze teksten

There is No Natural Religion copyG c1794 a1.jpg
De Auteur & Drukker W Blake
TNNR Series b Plate 2 (Title page) - 1794 version.jpg
ER IS GEEN NATUURLIJKE RELIGIE
TNNR Series a Plate 3 (Argument) - Alternate colouring.jpg
Het Argument. De mens heeft enkel door opvoeding enige notie van morele geschiktheid. Volgens de Natuur is hij slechts een natuurlijk orgaan onderworpen aan het Gevoel.
TNNR Series a Plate 4 (I).jpg
I. De mens kan volgens de natuur enkel Waarnemen door zijn natuurlijke of lichamelijke organen.
TNNR Series a Plate 5 (II).jpg
II. Het redelijk vermogen van de mens kan enkel vergelijken en oordelen over wat hij reeds heeft waargenomen.
TNNR Series a Plate 6 (III).jpg
III. Op basis van een waarneming van slechts 3 zintuigen of 3 elementen kan niemand een vierde of vijfde afleiden.
TNNR Series a Plate 7 (IV).jpg
IV. Niemand zou iets anders dan natuurlijke of organische gedachten kunnen hebben wanneer hij enkel organische waarnemingen had.
TNNR Series a Plate 8 (V).jpg
V. De verlangens van de mens zijn beperkt door zijn waarnemingen, niemand kan verlangen wat hij niet heeft waargenomen.
TNNR Series a Plate 9 (VI).jpg
VI. De verlangens en waarnemingen van de mens, zijn, wanneer zij door niets anders dan de zintuigen onderwezen worden, beperkt tot zintuiglijke objecten.
TNNR Series b Plate 10 (Conclusion).jpg
Conclusie. Ware het niet voor de Poëtische of Profetische figuur, dan zou het Filosofische en Empirische dra de maatstaf van alle dingen worden & stil staan, niet in staat iets anders te doen dan steeds weer dezelfde saaie kringloop te herhalen.

BLEEK
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase.
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

lied

Harmonie met liefde gaan
Rond onze zielen zich vervlechten,
Uw takken in de mijne slaan
En ook de wortels gaan zich hechten.

Vrolijkheden tjilpen in de kruinen
En zingen luid en zoet hun lied
Deugd en onschuld samen struinen
twee stromen worden één in ons gebied.

Gij draagt het gouden fruit
Ik schone bloesems van plezier
In luchten slaat gij zachte geuren uit
En de schildpad bouwt nu hier.

Zij leeft bij ons en voedt haar jongen.
Zacht ik hoor haar madrigaal
En in uw lieflijk loof bezongen
Daar is wie liefde is: ik hoor zijn taal.

Daar heeft hij zijn charmante stee
Daar slaapt hij gans de nacht gedwee
Daar is hij heel de dag kadee
En speelt hij in de takken met ons mee.

(vert.dv)





SONG

Love and harmony combine
And around our souls entwine, 
While thy branches mix with mine 
And our roots together join. 

Joys upon our branches sit 
Chirping loud and singing sweet; 
Like gentle streams beneath our feet 
Innocence and virtue meet. 

Thou the golden fruit dost bear, 
I am clad in flowers fair; 
Thy sweet boughs perfume the air, 
And the turtle buildeth there. 

There she sits and feeds her young, 
Sweet I hear her mournful song; 
And thy lovely leaves among 
There is love; I hear his tongue.

There his charming nest doth lay,
There he sleeps the night away;
There he sports along the day
And doth among our branches play.

Poetical_sketches_by_William_Blake/Love_and_harmony_combine

dv 2019 – “turtelbrittelbraait” -A4 -wasco-bister-waterverf

offer

welke hemel wil
de boom zijn bloeien zo zien,
vertrapt op aarde?

dv 2019 – “offer” – potlood – A6

input:

Meng Chiao – Apricots Died Young 5 – vert. David Hinton, ISBN 0-691-01237-7, p.47
Meng Jiao – Jonggestorven abrikozen 5 – vert. Lloyd Haft, ISBN 90-2533406-7, p.12
Meng Jiao – Dead Apricots – vert. R. Earle Harris, http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj377.html

lied

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

Mijn fijne zijden trekken
Mijn lach- en smachtenluchten
Heeft liefde doen verwelken;
En mag’re Wanhoop’s zuchten
Brengt mij ijf voor op mijn graf
Zo komen echte minnaars ervan af.

Zijn gelaat is hemels schoon
Nu elke knop zich openvouwt;
O waarom heeft hij dat loon
Wiens hart is winters koud?
Zijn borst is fel aanbeden zerk
Voor liefdespelgrims echt een kerk.

Breng mij een bijl en een spade
Breng mij de lijkgewaden;
Als ik gegraven heb voor mij
Laat wind en storm begaan:
Koud lig ik als klei daarbij
Echte liefde zal vergaan!

(vert. dv)

SONG.

My silks and fine array, 
My smiles and languish’d air 
By love are driven away; 
And mournful lean Despair 
Brings me yew to deck my grave: 
Such end true lovers have. 

His face is fair as heaven 
When springing buds unfold; 
O why to him was’t given, 
Whose heart is wintry cold? 
His breast is love’s all-worshipp’d tomb, 
Where all love’s pilgrims come. 

Bring me an axe and spade, 
Bring me a winding sheet; 
When I my grave have made 
Let winds and tempests beat: 
Then down I’ll lie, as cold as clay. 
True love doth pass away!

Poetical_sketches_by_William_Blake/My_silks_and_fine_array

dv 2019 – ” tjonnitekenbal ontploft” – A4

lied

Hoe fijn van veld tot veld te waren
En van al des zomers trots te proeven,
Tot ik de Prins van Liefde mocht ontwaren,
Die in zonnestraal voorbij kwam zoeven.

Hij wees mij lelies voor mijn haar
En rozenbloei als voorhoofdskrans.
Hij toonde mij zijn mooie tuinen daar
Waar zijn plezier kreeg gouden kans.

Mijn vleugels waren Meidauwnat
En Phoebus voedde ’t vuur aan in mijn zang,
Hij ving mij in zijn zijden net
En sloot mij op in ’t Goudgevang.

Hij zit graag neer bij mij voor ’t geluid
Dan lacht hij, dolt en speelt met mij;
Hij rekt en strekt mijn vleugels uit
en spot, want ik ben niet meer vrij.

(vert. dv)


SONG

HOW sweet I roam’d from field to field 
⁠And tasted all the summer’s pride, 
Till I the Prince of Love beheld 
Who in the sunny beams did glide. 

He shew’d me lilies for my hair, 
And blushing roses for my brow; 
He led me thro’ his gardens fair 
Where all his golden pleasures grow. 

With sweet May-dews my wings were wet, 
And Phœbus fired my vocal rage; 
He caught me in his silken net, 
And shut me in his golden cage. 

He loves to sit and hear me sing, 
Then, laughing, sports and plays with me; 
Then stretches out my golden wing 
And mocks my loss of liberty.

Poetical_sketches_by_William_Blake

dv 2019 – “bleke vogelprins” – A4

grief

boombast in tranen:
zijn bloesem regent weg. zo’n
weg baant zich mijn grief.

inputtekst: Meng Chiao – Apricots Died Young 3 – vert. David Hinton, ISBN 0-691-01237-7, p.45

dv 2019 – “grief graaft gronden af’ – potlood – A6

zie, lees en geniet vooral van R. Earle Harris‘ vertaling van ‘Dead Apricots‘ met de originele tekst in Vereenvoudigd Chinees:
http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj377.html

schoon Eleanor

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

De klok sloeg één, de stille toren daverde;
Graven wierpen hun doden op; schoon Eleanor
Liep de kasteelpoort langs en keek binnen.
Een holle kreun ging door de nare kelders heen.

Zij liet een kreet, zonk neder op de treden
Haar bleke wangen* op de koude steen. Zieke
Doodsgeuren stegen op als uit een tombe,
En buiten het kelderzuchten is alles stil.

Kille dood heft op zijn hand, en zij herleeft;
Verbaasd bevindt zij zich al terug te been
En als een geest begint zij door nauwe gang
Te gaan, handen tastend op de koude muur.

Haar fantasie terug, denkt zij aan botten nu,
Grijnzende schedels, en de verderfelijke dood
in zijn kleed gehuld, en meent nu diep gezucht
te horen en ziet bleekzieke geesten glijden.

Geen fantasie maar realiteit, ten slotte,
Verwart haar. Een ruisen en het vluchten
Van een tred komt nader – Ellen stond
Standbeeldstom en van angst tot steen bevroren.

De miezer nadert, roept “Het is volbracht;
“Neem dit, en geef het aan wie gij’t geven wil;
“Het is mijn leven – geef het aan Eleanor:-
“Hij is dood en staat mij brullend na om bloed!”

“Neem dit” riep hij; en duwde een natte doek
In haar armen, ingewikkeld; en stoof
Voorbij, brullend: zij ontving bleke dood
In haar armen, en volgde op wieken van angst.

Vlot passeerden zij de buitenpoort; de miezer,
Brullend, sprong over de muur de gracht in,
Verstijfde in modder. Schoon Eleanor ging over de brug
En hoorde een sombere stem roepen “Is ’t volbracht?”

Als een hert gewond zo vloog Ellen over
De padenloze vlakte heen; als pijlen die vliegen
’s Nachts, zo vliegt vernietiging, en treft in donkerte.
Zij vluchtte van angst tot ze bij haar thuis kwam.

Haar meiden wachten haar op; ze valt op bed,
Dat bed van vreugd weleer, waar heur heer haar nam:
“Ach angst der vrouwen!” riep zij; “Ach, vervloekte hertog
“Ach, mijn lieve heer! ach, ellendig’ Eleanor!

“Mijn heer was als een bloem op ’t voorhoofd
“Van lustige Mei! Ach, leven, teer als een bloem!
“O afgrijslijke dood! haal weg uw wrede hand,
“Wilt gij uw lelijk voorhoofd dekken met die bloem?

“Mijn heer was als een ster, van d’ hoogste hemel
“Op aard gehaald door tover en kwaadwilligheid;
” Mijn heer was als de dag die d’ ogen opent
“wanneer de westenwind zacht kruipt over de bloemen.

“Maar hij verdonkerde; als de zomernoen,
“Bewolkte; gevallen als de statige boom, geveld;
“De hemeladem huisde in zijn bladeren.
“O Eleanor, zwakkelinge, vol verdriet!”

Zo gesproken hief zij op het hoofd
En zag bij haar de bloederige doek
Die zij in haar armen nam; en nu, tienmaal
Meer geschrokken, zag hoe ’t zich ontrolde.

Hoor ogen stonden star; ’t bebloede doek ontrolde
En toonde haar het zicht van ’t vermoorde hoofd
Van haar lieve heer, afgrijslijk bleek, goor
Met klonters bloed: het kreunde en het sprak:

“O Eleanor ik ben het hoofd van uw man**,
“Die sliep op stenen van de toren daar
“En daar door de vervloekte hertog vermoord!
“Een huurling maakte van mijn slaap de dood!

“O Eleanor, hoed je voor de vervloekte hertog
“O geef hem niet jouw hand nu dat ik dood ben:
“Hij wil uw liefde, die, de lafaard, in de nacht
“Een huurling huurde die mij heeft omgebracht.”

Zij zat verstijfd tot steen met koude leden doods
Zij hield het gore hoofd in d’ armen hoog;
Zij kuste het de bleke lippen; geen tranen liet zij nog;
Zij drukte ’t aan haar borst en kreunde voor het laatst.

* Veranderd in sommige kopieën naar ‘wang’
** In sommige kopieën met de pen veranderd naar ‘“O Eleanor, aanschouw het hoofd van uw man “

FAIR ELEANOR


The bell struck one and shook the silent tower; 
⁠The graves give up their dead: fair Eleanor 
Walk’d by the castle-gate, and looked in: 
A hollow groan ran thro’ the dreary vaults. 

She shriek’d aloud, and sunk upon the steps, 
On the cold stone her pale cheek. Sickly smells 
Of death, issue as from a sepulchre, 
And all is silent but the sighing vaults. 

Chill death withdraws his hand, and she revives; 
Amazed she finds herself upon her feet, 
And, like a ghost, thro’ narrow passages 
Walking, feeling the cold walls with her hands. 

Fancy returns, and now she thinks of bones 
And grinning skulls, and corruptible death 
Wrapt in his shroud; and now fancies she hears 
Deep sighs, and sees pale sickly ghosts gliding.

At length, no fancy, but reality 
Distracts her. A rushing sound, and the feet 
Of one that fled, approaches.—Ellen stood, 
Like a dumb statue, froze to stone with fear. 

The wretch approaches, crying, “The deed is done; 
“Take this, and send it by whom thou wilt send; 
“It is my life—send it to Eleanor:—
“He’s dead, and howling after me for blood! 

“Take this,” he cried; and thrust into her arms 
A wet napkin, wrapt about; then rush’d 
Past, howling: she received into her arms 
Pale death, and follow’d on the wings of fear. 

They pass’d swift thro’ the outer gate; the wretch, 
Howling, leap’d o’er the wall into the moat, 
Stifling in mud. Fair Ellen pass’d the bridge, 
And heard a gloomy voice cry, “Is it done?” 

As the deer wounded Ellen flew over 
The pathless plain; as the arrows that fly 
By night; destruction flies, and strikes in darkness. 
She fled from fear, till at her house arrived.

Her maids await her; on her bed she falls, 
That bed of joy where erst her lord hath press’d: 
” Ah, woman’s fear! ” she cried, ” Ah, cursed duke! 
” Ah, my dear lord! ah, wretched Eleanor! 

” My lord was like a flower upon the brows 
” Of lusty May! Ah, life as frail as flower! 
” O ghastly death! withdraw thy cruel hand, 
” Seek’st thou that flower to deck thy horrid temples? 

” My lord was like a star in highest heaven 
” Drawn down to earth by spells and wickedness; 
” My lord was like the opening eyes of day, 
” When western winds creep softly o’er the flowers. 

” But he is darken’d; like the summer’s noon 
” Clouded; fall’n like the stately tree, cut down; 
” The breath of heaven dwelt among his leaves. 
” O Eleanor, weak woman, fill’d with woe!” 

Thus having spoke, she raised up her head, 
And saw the bloody napkin by her side, 
Which in her arms she brought; and how, tenfold 
More terrified, saw it unfold itself.

Her eyes were fix’d; the bloody cloth unfolds,
Disclosing to her sight the murder’d head
Of her dear lord, all ghastly pale, clotted
With gory blood; it groan’d, and thus it spake:

“O Eleanor, behold thy husband’s head
“Who, sleeping on the stones of yonder tower,
“Was ‘reft of life by the accursed duke!
“A hired villain turn’d my sleep to death!

“O Eleanor, beware the cursed duke,
“O give not him thy hand, now I am dead;
“He seeks thy love; who, coward, in the night,
“Hired a villain to bereave my life.”

She sat with dead cold limbs, stiflen’d to stone;
She took the gory head up in her arms;
She kiss’d the pale lips; she had no tears to shed;
She hugg’d it to her breast, and groan’d her last.

https://en.wikisource.org/wiki/Poetical_sketches_by_William_Blake_now_first_reprinted_from_the_original_edition_of_1783/Fair_Eleanor

dv 2019 – “ah woman’s fear” – oliepastel, waterverf, potlood – A4





aan de ochtend

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

O heilige maagd! in’t puurste wit gekleed
Ontsluit der hemelen gouden poort, schrijdt voort;
Wek het gloren dat in d’ hemel slaapt, laat licht
Vanuit de oosterkamers stijgen, en breng de
Honingdauw die komt wanneer de dag ontwaakt.
O stralend’ ochtend, salueer de zon,
Als een jager tot de jacht verhit; en, op
Cothurnenslof verschijn op onze heuv’len.

(vert. dv)

TO MORNING

O holy virgin! clad in purest white,
Unlock heav’n’s golden gates, and issue forth;
Awake the dawn that sleeps in heaven; let light
Rise from the chambers of the east, and bring
The honied dew that cometh on waking day.
O radiant morning, salute the sun,
Rouz’d like a huntsman to the chace; and, with
Thy buskin’d feet, appear upon our hills.

https://en.wikipedia.org/wiki/Poetical_Sketches

dv 2019 – ‘Aurora Vulvae Regina’ – ink/crayon/waterverf – A4

avondster

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

Gij engel van de avond met de schone haren,
Nu wijl de zon zich op de bergen zet, ontvlam
Uw held’re liefdestoorts; uw stralenkroon
zet op, en lach ons toe op ’t avondbed!
Lach onze liefde toe, en wijl gij des hemels
Blauwe gordijnen trekt, strooi uw zilverdauw
Op elke bloem die nu haar zachte ogen sluit
Ter tijdige slaap. Leg uw westervleugel te slapen
Op het meer; spreek stilte met uw glimmerogen,
En was met zilver de schemer. Dra, weldra
Zult gij heen gaan; dan raast de wolf weer weids
En gluurt de leeuw door ’t dunne woud.
De vachten onzer kudden bedekken zich
met heil’ge dauw; bescherm hen met uw invloed.

vert. dv

TO THE EVENING STAR

Thou fair-haired angel of the evening,
Now, whilst the sun rests on the mountains, light
Thy bright torch of love; thy radiant crown
Put on, and smile upon our evening bed!
Smile on our loves, and while thou drawest the
Blue curtains of the sky, scatter thy silver dew
On every flower that shuts its sweet eyes
In timely sleep. Let thy west wing sleep on
The lake; speak silence with thy glimmering eyes,
And wash the dusk with silver. Soon, full soon,
Dost thou withdraw; then the wolf rages wide,
And the lion glares through the dun forest.
The fleeces of our flocks are covered with
Thy sacred dew; protect with them with thine influence. 

https://en.wikipedia.org/wiki/Poetical_Sketches

dv 2019 – ‘wolf in’t groen’ – A5

winter

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

O Winter! barrikadeer uw adamanten poort:
’t Noorden is van u; daar bouwde gij uw donker
diep-gevesten habitat. Stoot uw daken niet
En buig niet uw pilaren met uw kar van ijzer.

Hij hoort mij niet, maar scheert vervaarlijk
over ’t gapend diep, zijn stormen los, in scheden
van geribbeld staal; ik durf niet op te kijken
zo zwaait hij over de wereld zijn scepter.

Ziet! ’t vreselijk monster aan wier sterke botten
kleeft de huid, schrijdt over kermende rotsen
in stilte smoort hij ze en in zijn hand ontkleedt
hij d’ aarde en bevriest er het tere leven.

Hij zet zich op de klippen neer, de zeeman
roept vergeefs. Och arme stakker die de storm
trotseren moet; maar d’hemel lacht en ’t monster,
schreeuwend, wordt beneden Hecla dan gedreven.

TO WINTER


O Winter! bar thine adamantine doors:
The north is thine; there hast thou built thy dark
Deep-founded habitation. Shake not thy roofs
Nor bend thy pillars with thine iron car.

He hears me not, but o’er the yawning deep
Rides heavy; his storms are unchain’d, sheathed
In ribbed steel; I dare not lift mine eyes;
For he hath rear’d his scepter o’er the world.

Lo! now the direful monster, whose skin clings
To his strong bones, strides o’er the groaning rocks:
He withers all in silence, and in his hand
Unclothes the earth, and freezes up frail life.

He takes his seat upon the cliffs, the mariner
Cries in vain. Poor little wretch! that deal’st
With storms; till heaven smiles, and the monster
Is driven yelling to his caves beneath Mount Hecla.

https://en.wikipedia.org/wiki/Poetical_Sketches

dv 2019 – “de bleke slechter van het tere leven” – A4 + (tot aan de vouw is’t A4 è)

de Ijzerkar van de Bleke Slechter Leeft! het is een organisme van Vleesch en Geribbeld Staal (met groene wielen)

zomer

dv 2019 – ‘Apollo zont’ – A4

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

O gij die ploegt door onze dalen in
Uw sterkte, toom in uw felle ruinen, bedaar
De hitte die zij briesen! gij, O Zomer, hebt
Vaak uw gouden tenten hier geslagen, en vaak
Geslapen onder onze eik, wijl wij met vreugd’
Aanschouwden uw rosse lijf en harenweelde.
Onder ons dichtste loof wij hoorden steeds
Uw stem wanneer de noen zijn vur’ge koets
Dreef o’er d’hemeldiepte; bij onze bronnen
Zit neer, en in onze bemoste dalen, op
Een bank bij ’t klare water, leg af
Uw zijden kleedsels, en werp u in de stroom:
Onze dalen houden van de Zomer in zijn glorie.

Beroemd zijn onze dichters met hun zilv’ren snaar
Straffer dan de minnaars uit het Zuiden onze jeugd
en schoner onze meiden in hun kwieke dans.
Wij hebben liederen zat en ook muziekgerief
en zachte galm, en water hemels klaar
en tegen zwoelte zijn er kransen van laurier.

TO SUMMER

O thou who passest thro’ our valleys in
Thy strength, curb thy fierce steeds, allay the heat
That flames from their large nostrils! thou, O Summer,
Oft pitched’st here thy golden tent, and oft
Beneath our oaks hast slept, while we beheld
With joy thy ruddy limbs and flourishing hair.
Beneath our thickest shades we oft have heard
Thy voice, when noon upon his fervid car
Rode o’er the deep of heaven; beside our springs
Sit down, and in our mossy valleys, on
Some bank beside a river clear, throw thy
Silk draperies off, and rush into the stream:
Our valleys love the Summer in his pride.

Our bards are fam’d who strike the silver wire:
Our youth are bolder than the southern swains:
Our maidens fairer in the sprightly dance:
We lack not songs, nor instruments of joy,
Nor echoes sweet, nor waters clear as heaven,
Nor laurel wreaths against the sultry heat.

https://en.wikipedia.org/wiki/Poetical_Sketches

dv 2019 – ‘bleke zomer’ – vanalles ewa – A6

PdG- Epig. VIII

Jà n’est besoing que plus je me soucie,
Si le jour fault, ou que vienne la nuict,
Nuict hyvernale, & sans Lune obscurcie :
Car tout celà certes riens ne me nuit,
Puis que mon Jour par clarté adoulcie
M’esclaire toute, & tant, qu’a la mynuict
En mon esprit me faict appercevoir
Ce, que mes yeulx ne sceurent oncques veoir.

Geen zorgen hoef ik mij nog te maken
of het dag is, of de nacht komt eraan,
(winterlijk donker is’t nacht zonder maan):
geen schade daarvan kan mij nog raken,
want zeker mijn Dag verzacht mij ’t bestaan,
verklaart mij alles tot diep in de nacht
en heeft in mijn geest die kijk gebracht,
die d’ogen mij niet klaar konden maken.
(vert. dv)

Franse tekst en noten (geselecteerd en vertaald/bewerkt) van Victor E. Graham):

lente

uit de Poëtische Schetsen van William Blake

O gij dauwgelokte, die neder kijkt
Door de klare vensters van de ochtend, richt
Uw engelogen op ons eiland
Dat in koorzang heilt uw komen, O Lente!

De heuvels vertellen, de luist’rende
Dalen aanhoren; al onze ogen verlangen
Uw paviljoenen licht te zien: kom verder,
En laat uw heil’ge voeten betreden dit oord.

Kom over van ’t oosten en laat onze winden
Uw geurige gewaden kussen; laat ons proeven
Van uw ocht- en avondadem; strooi uw paar’len
Op ons liefziek land dat rouwt om u.

O tooi haar voort met uw mooie vingers, gooi
Uw zachte kussen op haar boezem; en zet
Uw gouden kroon op haar verzwakte hoofd
Wier scham’le tressen opgebonden zijn voor u!

TO SPRING

O thou with dewy locks, who lookest down
Through the clear windows of the morning, turn
Thine angel eyes upon our western isle,
Which in full choir hails thy approach, O Spring!

The hills tell one another, and the listening
Valleys hear; all our longing eyes are turn’d
Up to thy bright pavilions: issue forth
And let thy holy feet visit our clime!

Come o’er the eastern hills, and let our winds
Kiss thy perfumèd garments; let us taste
Thy morn and evening breath; scatter thy pearls
Upon our lovesick land that mourns for thee.

O deck her forth with thy fair fingers; pour
Thy soft kisses on her bosom; and put
Thy golden crown upon her languish’d head,
Whose modest tresses are bound up for thee.

https://en.wikipedia.org/wiki/Poetical_Sketches

dv 2019 – ‘bleke lente’ – A6