Losse gedichten

SPIEGEL

Ligt er wel degelijk,
onder het draagvlak,
soutane die blauw de blik ophoudt
& in haar ruisen laat verwijlen;

ligt er vereeuwigd,
onbewogen toeverlaat, nu je
haar indaalt, haar zijden
nachtverhaal onderschrijft
& kwijlt als gek van haar,

de zeewaardigste herinnering
haar hoofdschuddend ophaalt,
uit haar diepste oogzwart toewenst,

lag niet onomstootbaar daar :
ontbonden weerklank nu, vervaagde
vlek, van drijfwier, zeg je,

loze alg.

1992 – gedichten 1992-1999

 

 

WOLKBREUK (ARABISCH)

Het opgespannen doek
wordt grijs & zwaar van de dauw
boven de pratende hoofden.

Haar toegewijd reikt je hand
& raakt niet haar,
maar zich in onmacht rekkende
het doek & van de verdonkerde lucht

glijdt op voorspraak der goden
in je handpalm
& breekt de druppel vocht

& op haar bovenlip
staat even zilver
als een omkartelde wolk

de dag
het kussen toe.

1992 – gedichten 1992-1999

 

RIGORISME

In vreze om larven
die minzaam ebbenhout
tot zwartste nacht vermalen,

wanhopig om regen
die de witte twijfel
voor de vraag van antwoord dient,

& rillend om warmte
die het geroofde ei
gaaf de grauwste bek uitstoot,

kokhalzend het leven

aanbeden als de dood
voor jouw aalgladde
dageraadswoorden.

1992 – gedichten 1992-1999

 

LEMMET

Zilver draaiend blinkt het ijl
& zinkt verstild de weide in.

Op de worp na gleed het heft
je glad de hand uit. Wat het inhield,
werd je nooit te los om te bepraten,
verraadde nooit van angst zichzelf,
hoe vast het in je lag. Was

het bloed dat nu gestold
de snede tekende, of is
van wat verdween dit zwarte
de ongegronde tekening ?

Je spuugt, wrijft & geeft
de aarde grif jouw schaamte toe.

1992 – uit gedichten 1992-1999

 

TUNNELVISION

Een mondvol spuug & bloed dat kelderkil
een tel zijn kin aankleeft, glinsterend
oplaait in een naaldje Napolitaanse zon :
felst bevochten landkaart

is zijn avondmaal dat even van zijn zwart
op doodsprekend bleek & dun gezaaide
stoppelbaard niet scheiden wil. Ik
heb geen land & bovenal,

sprak hij terwijl Il Duce al zijn gal
van vaderleed in toorn ontsteekt, bemin
ik niets dat is & van wat komen zal
slechts de geschiedenis.

Hij cirkelt al zijn hoeken af & daalt
in dolle trechters tot het brandpunt
van zijn cel waar niemand hem onthoofd,
bevreesd omhelzen wil:

het werkwoord, caro Malatesta,spingere’
is van uzelf ontvleesd, beroofd,
ontspoord.

1992 – uit gedichten 1992-1999