Entre l’ Ecriture – ?

[de titel dat valt nog te bezien – lees- en vertaaloefening van de tekst van Hélène Cixous – verzameld van de lopende vertaling op Facebook]

In den beginne bewonderde ik. Wat ik bewonderde was menselijk. Geen personen; geen gehelen, benoemde of afgelijnde wezens.Maar tekens. Knipogen van zijn die mij opvielen, mij aanstoken. Schichten die op mij afkwamen: Kijk! Ik ontvlamde. En het teken trok zich terug. Verdween. Maar ondertussen brandde, verstookte ik mij helemaal. Wat mij overkwam, zo krachtig geworpen vanwege een menselijk lichaam, was de Schoonheid: er was een gelaat, alle mysteriën waren erin geschreven, bewaard, ik stond ervoor, ik voorvoelde dat er een gene zijde was, waartoe ik geen toegang had, een ginder zonder grenzen, de aanblik maande mij aan, verbood mij om binnen te gaan, ik was buiten, op dierlijke uitkijk (?). Een verlangen zocht zijn thuis. Ik was dat verlangen. Ik was de vraag. Het vreemde van het lot van de vraag: zoeken, de antwoorden na te volgen die haar kalmeert, opheft. Wat haar beweegt, haar opwekt, haar zin geeft zich te stellen, is de indruk dat de ander daar is, zo nabij, bestaat, zo ver, dat er ergens, in de wereld, eens voorbij de poort, het belovende gezicht, dat het antwoord..

waardoor men zich in beweging houdt, de reden waarom men niet rusten kan, om de liefde waarvoor men zich ervan weerhoudt op te geven, het te laten gaan; om te sterven. Maar wat een ongeluk ook, mocht het de vraag ooit overkomen h a a r antwoord te ontmoeten! Haar einde!
Ik heb het Gelaat bewonderd. De lach. Het gezicht dat mijn dag was en mijn nacht. De lach hield mij in ontzag, in extase. In ontzetting. De wereld opgericht, verlicht, vernietigd door een trilling van dat gezicht. dat gezicht is geen metafoor. Gezicht, ruimte, structuur. Plaats van alle gezichten die mij geboortes gaven, mijn levens beheerden. Ik heb ze gezien, ik heb ze gelezen, ik heb ze gecontempleerd, mij erin verloren. Hoeveel gezichten voor het gelaat? Meer dan één. Drie, vier, maar altijd uniek, en het unieke altijd meer dan één.
Ik heb het g e l e z e n : het gelaat betekende. En elk teken beduidde een nieuwe weg. Te volgen, om de zin te benaderen. Het gelaat fluisterde mij iets in, sprak tot mij, maande mij aan om te spreken, om alle namen te ontcijferen die er rond cirkelden, het opriepen, het streelden, het deden verschijnen. Het maakte de dingen zichtbaar en leesbaar; alsof het zo begrepen was dat, zelfs als het licht zich zou verwijderen, de dingen die het [zij: la lumière] belicht had niet zouden verdwijnen, dat wat het [zij] aangeraakt had zou blijven, niet zou ophouden hier te zijn, te schijnen, zich nog te nemen zou geven door de naam [de se donner encore à prendre par le nom].
Van dat ik het beleefde, zo herinner ik mij met een pijn die niet vermindert, beefde ik; vreesde ik de scheiding; heb ik de dood gevreesd. Ik zag haar [LA mort] aan het werk, ik doorzag haar jaloezie, haar beslistheid, en dat zij niets levend aan haar zou laten ontsnappen. Ik heb haar zien verwonden, verlammen, verminken, moorden, vanaf dat mijn ogen konden zien.


Ik ontdekte dat het Gelaat sterfelijk was, dat ik het elk moment moest met geweld terugwinnen van het Niets. Ik bewonderde niet dat wat-er-zal-verdwijnen; de liefde is voor mij niet verbonden met de voorwaarde van de dood. Neen. Ik beminde. Ik had schrik. Ik heb schrik. Omwille van de schrik heb ik de liefde versterkt, alle levenskrachten heb ik gewaarschuwd, ik heb de liefde bewapend, met de ziel en met woorden om te beletten dat de dood zou winnen. Beminnen: in leven houden: benoemen.
Het oorspronkelijke gelaat was dat van mijn moeder. Haar gezicht kon naar willekeur mij de aanblik, het leven geven of mij die ontnemen. Omwille van de passie voor dat eerste gelaat, heb ik lang de dood van die kant verwacht. Ik hield mijn moeder in het oog, met de woestheid van een dier. Slechte gok. Op het schaakbord hield ik de koningin gedekt; het was de koning die viel.
Schrijven: om geen plaats te laten aan de dood, om de vergetelheid terug te dringen, om zich nooit te laten verrassen door de afgrond. Om nooit te berusten, zich te troosten, in bed zich om te draaien naar de muur en terug in te slapen alsof er niets gebeurd was: er niets kon gebeuren.
Misschien heb ik altijd enkel geschreven om de gunst van het Gelaat. Omwille van de verdwijning. Om met dat mysterie voortdurend de confrontatie aan te gaan, dat van het daar-niet-daar [celui du là-pas-là]. Dat van het zichtbare en het onzichtbare. Om te strijden tegen de wet die zegt:
” Jij zal je geen gebeiteld beeld maken, en geen enkele figuur van wat er boven in de hemel is of van wat er beneden op aarde is, of van wat er in de wateren is, of van wat er zich onder de aarde bevindt”. Tegen het edict van de verblinding. Ik ben het zicht vaak kwijtgeraakt; en ik zal niet ophouden met het mij beitelen van het beeld. Mijn schrijven kijkt. Met gesloten ogen.