Réquichot’s klanklyriek

een van de schrijfactiviteiten van Bernard Réquichot in zijn laatste levensjaren was de aanmaak van een eigen taaltje geschreven in louter hoofdletters (met een achterliggende fonetiek van het Frans) die blijkbaar voornamelijk bedoeld was om voorgelezen te worden.

objectief kunnen we deze experimenten van BR best klanklyriek noemen omdat het toch, gezien ook de notatie in versvorm, als sonorische poëzie bedoeld was, waarmee hij zich in het rijtje van de glossalieën van Artaud en de crirythmes van Dufresne plaatst, om het bij de tijd- en landgenoten van BR te houden. tot een naamgeving is het bij BR bij mijn weten nooit gekomen.

ik heb mij overigens (op het nippertje) gehoed om die ‘taal’ van Réquichot zelf een naam te geven (ik noemde het spontaan ‘totemtaal’ eerst) omdat men blijkbaar overal de geschriften van Réquichot zomaar titels geeft die hij zelf nooit aan zijn geschriften gaf, en andere titels die hij wel gaf (ik denk aan Le Livre de la Crainte ) gewoon negeert omdat het maar ‘adolescentenpoëzie’ zou zijn.

het blijft merkwaardig hoe men de geschriften van een schilder nooit echt ernstig neemt (Schwitters!), laat staan relevant voor het schilderwerk, en omgekeerd uiteraard, hoe men het beeldend werk van Claus, Lucebert, Snoek, Victor Hugo (ik noem de vier eerste die mij te binnen schieten) op straal negeert bij elke hoogdravende analyse van de lettertjes.

het is al te duidelijk dat men tot in de ‘wetenschappelijke’ analyses telkens het discours afstemt op dat deel van het werk waar het meeste aandacht en dus geld mee gemoeid is. zich onthouden van enig waardeoordeel geldt blijkbaar enkel zolang het opbrengt.

soit. vragen die we ons kunnen stellen over de klanklyriek van Réquichot dus, een voorlopig lijstje:

  • in hoeverre kunnen we deze experimenten nog situeren chronologisch in het werk
  • welke functie heeft ze voor Réquichot zelf
  • wat zijn de voorbeelden (Dufresne? Schwitters? Artaud? Joyce?…)
  • hoe gevorderd was de (drang naar) systematiek
  • wat vertelt Morales ons hierover?
  • hoe gedocumenteerd zijn de uitvoeringen op diens CD? zijn er documenten, getuigenissen van BR zelf die deze dingen las?

de klanklyriek in de titels van het beeldende werk

Réquichot’s (experimentele) klanklyriek is ook vanaf 1959 aanwezig in de titels van het schilder- en collageerwerk. ik verzamel ze hier, om toch enige systematiek te verkrijgen in ons onderzoek (de nummers tussen vierkante haken verwijzen naar het nummer in de Catalogue Raisonné van 1973):

  • BEKABUISSON – BECS ET NIDS [CR363] (1959)
  • CHASTAKROUT [CR361] (1959)
  • FETAGRONOM [490] (1960-1961)
  • LOUCHAKOUPÉ [CR 375] (1959-1960) verfrommelt ‘louche’ met ‘a coupé’ als benaming voor een monsterlijke collage van animale ribbenkasten die een figuur vormen die onthoofd lijkt te worden door een lijn van gebeente
  • NEKONK TANTEN TANK MANA [CR495] (1959-1960), de reliquaire van ringen
  • NOKTO KÉDA TAKTAFONI [CR 383] (1959-1960): dit kan je duidelijk lezen als ‘de nacht val tactafonisch’ met een synesthesie van het voelen vallen van de stilte
  • MOUSTAKSALIZE [CR430] (1960-1961)
  • PEKAT’ LOKAILLE [CR403] (1960) stroopt de denotatie af van de naam van de sigarettenverpakking P4
  • RADILAKTE [CR478] (1960-1961) is een van de meest lieflijk ogende walgbakjes met puddingbloemen, verhemeltes en tongen tussen de druiventrossen
  • SETERKOK [CR374] (1959) met als ondertitel L’ ARBRE DE SCIENCE’
  • SOIPON VRADIL [CR416]
  • VIBROSKOMENOPATOF [CR429](1960)

‘voorlopers’ met neologismen (in hoofdletters) in de titel:

  • SUSPENTATEUR [CR125] (1956) (gestegen in waarde van €3218 in 2012 naar €26,650 in 2015)

twijfelgevallen na 1959

  • ANTIBARON I en II [CR413-414] (1960)

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.