aantekeningen bij het Harusmuzeprogramma

(hier worden sporadisch wat aantekening over dit programma toegevoegd)

3/12/2018 (bij Harusmuze 168)

Wat die I/O ketting in het Harusmuzeprogramma de laatste dagen zo immens interessant maakt voor mij zijn de temporele verschillen in de expressie als ‘verwerking’ van ‘hetzelfde’ gebaar tussen de digitale registratie op het tablet ’s avonds en de analoge, ‘materiële’ uitwerking ’s morgens. Hoe de ‘identiteit’ van het gebaar de nacht overleeft dankzij het lees- en schrijfproces, ook. 
Natuurlijk is alles wat ik doe in het programma als uitvoerder bepalend, dus iemand anders ‘leest’ en ‘schrijft’ wss geheel anders, maar dat doet niks af aan de werkzaamheid van de methode: wat voor mij ‘werkt’ als lezing valt ook gewoon samen met een correcte lezing en anders geconditioneerde breinen (het publiek dus) lezen die inputs ook en herkennen hun eigen lezing. De koppeling aan de ‘spreuken’ van het orakel ’s morgens en de java-achtige commentaar ’s avonds geeft het geheel dezelfde functie als de emblemen vroeger: de taal creeërt dus in ‘samenspraak’ met de getekende gebaar een perfecte meditatieomgeving waarbij het hele gedachteproces kan worden opgenomen en gevolgd, een perfect balans dus tussen de logocentrische rationaliteit en het impulsieve gebaar.

Ik spreek eigenlijk ook niet graag over een balans tussen twee dingen, dat is enkel voor de vatbaarheid, want eigenlijk is er natuurlijk maar 1 gebeuren als ‘gedachteverloop’ en is er sprake van constante feedback en interactie tussen begripsmatig denken en intuïtieve expressie als polen in een continuüm. De mens heeft geen twee breinen en het bewustzijn ‘zit’ ook op elk moment in onze handen. Die neurologische lokalisatiedrang is onderdeel van een wetenschappelijkheidsfictie die haar ontologische techniek verwart met de werkelijkheid.

Dat merk je ook als je het proces gaat forceren en de hele asemische procedure door het individu gaat jagen om tot een ‘lyrisch’ resultaat te komen: dat gaat,je kàn dat doen,  ik meen het bij mijzelf tot stand te hebben gebracht maar het wordt dan zo exhaustief dat het compleet zinloos wordt, je belandt dan in een zone waar creativiteit t.o.v. de gewenste beleving ervan aanvoelt zoals meespelen in een pornofilm moet voelen t.o.v. vrijen. Het gebeuren laat zich niet straffeloos herleiden tot interagerende objecten in een modelopstelling, de weerstand in de simulatie vereist teveel energie. Maar we mogen m. i. zo’n opstelling daarom niet verwaarlozen als veelbelovend onderzoeksterrein.

Maar ik heb die eerste experimenten voorlopig wel stil gelegd en probeer nu te werken met routines, gewoontes waarin en waartegen kan worden geageerd, de gewoonte als leefomgeving, als mentale thuis waar er geen sprake is van productiedruk. Omdat ik de nood aan procedures om de mentale gezondheid te bevorderen momenteel nu eenmaal als urgenter inschat dan een onderzoek naar de mogelijkheden van een ‘artificiële’ creativiteit.