ViLT

Neue Kathedrale des erotischen Elends, nl weblog (v.2)

Song for Europe

 


NEEM EEN STAD, PLOOI ZE OPEN

 I
[helicopters vliegen over, geluiden van een woedende menigte]

Zeefdruk van een werelddeel :
ik heb een vinger in de inkt, leg
hem eruit, verscheur de vrede
op papier. Gedachtengang
waar bij benadering nooit
een einde aan komt. Natura
naturans,
de vinger vingerend
in de pappende pap.

Doordraven dan maar, over die
Europese teef,  dat in pathetische
oliekleuren vereeuwigd vlaggenwijf,
over die afhangende vleeslappen
dat neergekwaste stuk nipplegate
die okselplukjes Liberté, de
Fraternité uit het vuistje, de Egalité,
de reet opgeduwd, zo wil je
die bloedvrouw (harder harder dieper
harder) op haar punt (- -/-) doen
verklonteren : dat het niets is, wat
je wou, hoe stilletjes je het haar zeggen
zou, terwijl op 4 juli 2022 om 0u.50 stipt
het stof van haar netjes imploderende
vrijheidslijf, als was het een teveel aan
wolkenkrabber door Red Adair’s dochter
vakkundig gedynamiteerd, opwolkt
door de straten,  de genetwerkte
camera’s tegemoet stuift…

…doordraven, langer dan goed voor je is,
verder, meer, beter, het wordt verdomd
lastig om dit nog te …

…want wiens krakende stem was het, hoe
schoon werd er niet gestorven, wie droeg daar
de woorden de straat uit, het veld in: “Schuw
niet die verbijsterende hemelbreedte
tussen de kramp in je voet & het spoor
op beton van een slak zonder huis,

dat slijmrestje sterven, als je wil
dat ik kom”?
Walging
en ontzetting om de wreedheid
leg je de handen op, het schrift
en de mond, een meer dan beestachtige
incorrectheid die zich meten kan
met de Inquisitie, de Rode Khmer of
het ingecalculeerde falen der
precisiebombardementen.

(…)

…en kletst er plots een jong meisjeslijf
als Terrminator uit een lekker rampzalige
toekomst de poëtische bühne op:
een makkie, jongens, hup, niks heeft ze
aan om af te schuren. Oogst met het vet
van de grond & de zegen van pausen
lillend tot hapjes verstrengeld, gebruiks-
vriendelijk op je bord gekwakt. Verviervoudigde
kijkcijfers nog voor je de letters
van tussen de algen kon vissen: leegloop
van kranen, stortvloed van flessen,
klaterend glas in een spiegelplas haat.
Vuur zal het stelpen wel stoppen.

Een lijk struint inmiddels door de duinen, krijst
een meeuw aan dat het béter kan schuimbekken,
snéller plukken, langere dagen kloppen.

Is er een wens in je hart, een voorkeur
van vinger, macht in het wit van je lach ?
Wat heet behoedzaam als je vel

toch al openligt ? Kleumt de zon
morgen nog een klad kleur op je tong ?

 

II

[Section III van Berio’s Synfonia]

Strijkers! & de snaren staan al te springen.
In een uithoek wil persé een papperig blondje
met de billen stevig in het zeil gedrukt
het bloederige torso met repen spek beslaan.
Ze weet nochtans best van net nog in de krant
dat er aldus water in de tent belandt.
Lijdzaam het luchtafweergeschut begeleidt
haar slag op slag, met plukjes licht in de lucht.
Torso schokschoudert spookgezangen, sist
centrifugaal…

…klappertandt tot het stilvalt, omstuikt
& hits braakt : het ritme zit goed
het tempo is er, de nooddruft &
beverig begerige hufters schuiven af, aan,
passen beschikbare titels aan. Doodshoofd
met ambitie heeft een ouwe Messerschmidt
bemand & hakt met beleidsfehige precisie
hier en daar een rijtje halfmidden. Dit soort
meesterschap verwerf je niet zomaar, vereist
een…

        Barst. Breekpunt plots in een brei
reikhalzende reisreportages : het
Wicht is er, twee gibberende heksen
ondersteunen haar vleugels, een dwerg
dwingt met moeite haar slagstaart
de grond af. Krëfel Krapunzel stormt
uit de boxen met een oude lachslang
over de Val van de Muur. Een zweetzak
parelt uit de nok omlaag met de vraag
Was het nu rood of blauw ? Sluiers

buikdansen het antwoord en de tent
omtploft. Feilloze wakslag, die schijf.

Ik ben er weer, plots, want ik voel mijn buik
zich bedenken : stroom is niet
éénieder gegund, er wordt in verdere
steden nog verdeling gepredikt : twee
maten, twee dagen, een duizendtal
driemasters om het plat van de aarde
te besnijden. Kommer & kwel,
uiteraard, maar deze wildgroei
krijg je niet uitgeroeid. Zwelg
wat je wil, het lijflied blijft kleven.

Klok in je keel, hand op je hals:
waar eindigt mijn hand, waar start
het gebaar ? Zie je de handen branden
achter de randen van mijn handen?
Verlang toch niet zo, buitenbeeld waggelt
als immer de tovenaar, wijst met zijn stok
naar het woord in je haar, vraagt of je nog vonkt,
al vult de wereld zich vol met de geur
van je brand. Straalt nog effen je oog

op het bot van dit mes, pit op het blauw
in de vlam rond je hoofd, tik op je rug
die zich kromt nu ik mij lik
in mijn hand,
ik?

 

III

[stilte, waar beschikbaar]

Neem een stad. Plooi ze open. Hangt
er een peertje naakt in een cel te gloeien?
Zeg ik teveel als ik om het uur een kom
rozig water door een sjofele sprinkhaan
in de sterfput laat ledigen? Plooi ze weer dicht.
Vraag dan verder ook maar niet meer
naar wat niet het geval is. Krijgen
doe je mij toch niet.

Daar heb je haar weer, onweerlegbaar.
Een berg stormt ze af. Zo snel als ze kan,
om de beweging daarin niet te voelen.
Beetje zoals ik doe als ik wekenlang
stokstijf het draaien van de zon
rond mijn hoofd sta te ontkennen.
Beneden gekomen wenkt ze wuft
naar de man die boven bleef staan:
“zie je nu wel, hoe makkelijk dat was?”
Geen reactie. [Trekt de stof tot een strik
op haar borst]”
kom je dan niet?” Geen kik.
Ze gaat weg, bergt haar rug in de kast
van dit land. Bovenaan haakt de man
zijn armen uit het kruis & zet de hemel
aan tot spoed, voornamelijk omdat hij dat
elke dag zo doet. Het vervolg laat zich raden:
hij daalt & met hem de massa kreunenden
onder hem. Al die onzin is
& blijft te veel voor een man alleen.