Harusmuze #426

426 – de ziel verstoft

hexagram 12  (pǐ) – “Blokkeren”

invoer

https://dirkvekemans.com/2018/07/09/harusmuze-22/

commentaar

de ziel verstoft, het stof verrot, het rot wil weg, de weg wil ziel, de ziel is er, er is licht, de ziel verstoft, het stof verrot,…
de tweedeling, de duale perceptie van de eeuwige terugkeer in de ekpyrosis-palingenesis is een perceptuele contingentie (contingent is wat niet vereist is door het gebeuren, (uiteindelijk dus: wat niet gebeurt, de contingentie is wat de mens nodig heeft om het noodzakelijke te kunnen ‘vatten’ en om het geloof in de ‘vrije wil’ te behouden, een straffe soort spacecake), maar wel menselijk of anders-intelligent kan gedacht worden.
die verschillende stappen kunnen op elk moment in de cyclus gedacht worden: wanneer de ziel verstoft ‘is het ook zo dat’ het stof verrot etc
en je kan dus net zo goed zeggen dat de stof verzielt, ook dat gebeurt ‘terwijl’ de ziel verstoft, de richting is een dimensie, weliswaar voor ons een dwingende dimensie, maar ‘slechts’ een dimensie.

euh, dit is ewa conform de Heracleitosfragmenten rond de ziel die in ons haar dood beleeft en wij die sterven in de ziel, alsook de slaap/wakker metaforen.

(hm, voor de wijzers, de mensen die -ismen nodig hebben: ik begin blijkbaar meer en meer te neigen naar een geradicaliseerd Deleuzianisme waarbij elk dualisme oplost, een hylozooïsme zonder bevoorrechte partner, een pantheïsme zonder god, hihi, een het-verhaal è.
een open monisme is een monisme dat enkel door een verstokte dualist nog gelezen wordt als een monisme.
kvind het boeiend om te zien gebeuren, in ieder geval. en kmoe dringend Laruelle serieus gaan lezen.)

scève

Finablement prodigue d’esperance,
Dont estre avare est tresgrande vertu,
De fermeté, & de perseverance.
Me suis quasi de tous poinctz devestu,
Estimant moins tout espoir, qu’un festu,
Fors seulement pour l’Amant esprouver:
Non que je vueille, en effect, reprouver
Ce bien, voyant que ne le puis acquerre:
Mais seurement celluy ne peult trouver
En aultruy paix, qui a soy donne guerre.

Harusmuze #294

// een kans is pas een kans als iemand er naar snakt

294 – wie pakt kapt gaten in het pact

hexagram 12 – 否  – PI – ‘blokkade’

Lees over het Harusmuzeprogramma

Bekijk alle Harusmuzes

input:

https://dirkvekemans.com/2018/11/19/harusmuze-154/

commentaar:

het rijm in de lyriek is niet alleen een mnemotechnisch trucje. het berijmen van een betoog hielp en helpt bij het ons inprenten en representeren ervan, maar het gebruik heeft vele ‘secundaire’ functies.
het is bevorderlijk voor de muzikaliteit van het taalgebruik, de klankrijkdom en de ritmering zodat onze breinen maximaal geprikkeld worden tot concentratie, luisteren. het eindrijm creëert samen met binnenrijm en andere assonanties, andere vormen van samenklinken, een ‘harmonie’ in de taal, een overeenkomstigheid, het draagt bij aan het gebeuren van het tot stand komen van een ‘woordenrijk’, een omgeving voor het taalgebruik, een milieu waarin de lyriek kan plaatsvinden.
de berijming kan ook strategisch worden aangewend in de didactiek: rijm is een sterk ideologisch, retorisch wapen. de berijmde uitspraak verkrijgt immers op miraculeuze wijze het karakter van een ‘ontdekking’.

het rijm moet ‘gevonden’ worden. het zet het lyrische taalgebruik op hetzelfde niveau als de mathesis: de orde, bestond, ‘bestaat’ al in de taal, het is aan de dichter om ‘het juiste woord’ te vinden.
op die wijze wordt de dichter een ontdekker, een dappere onderzoeker die zich ver waagt in het onbekende, to boldly go where no man has gone before. de dichter verovert, het dirkje kirkt.

aldus wordt duidelijk dat het rijm een ontologie is, in de Neo-Kathedraalse zin van dat woord (daar duidt het woord ‘ontologie’ een besmetting aan met de drang tot het fallische ‘ereignen’, de mortificatie van het gebeuren tot een Zijn): het draagt bij aan het opnemen van de lyriek in de fallische orde van het Zijn en van de Dingen.

maar, de literatuur betreft steevast een oneigenlijk gebruik van de gevestigde gewoonte: taalgebruik is taalgebruik waarbinnen het gebruikelijke zich vestigt als het taaleigene, een soort pakt onder de gebruikers, het slijm van het verval dat zich laat inzetten als lijm van het Zijn: het establishment, de verwezenlijking van het Woord en Orde daarvan.

wil dus de literatuur zich niet laten comfirmeren tot die Orde, dan zet zij maximaal in op het oneigenlijke gebruik. de ideologische verwerping van de rijmtechniek is zo duidelijk een volgende stap in de degradatie, het verval van het literaire als literaire.

immers: het begrijpen van de ontologie als ontologie maakt haar bruikbaar als deontologie. zo werkt nu eenmaal de dialectiek (de NKdeE Gignomenologie ontsnapt zelf als ‘leer’ niet daaraan, het verschil dat het verschil maakt is dat zij zichzelf, haar eigenheid, wil opheffen in haar gebruik: het is een degraderende deconstructie van de deconstructie als verval).

wie een gesloten pact als een eigenheid opeist, vergeet de eigenheid van het pact als overeenkomst, verdrag en verwerpt eigenlijk de aanname, het geven van het akkoord en daardoor finaal diegene met wie het pact gesloten is.

maar aan de dialectiek is er geen ontkomen, elke uitweg is slechts een tijdelijke uitweg in de lineaire progressie ervan. het is daarom belangrijk om de dialectiek zèlf om te draaien en die te willen zien niet als dialectische progressie maar als voortschrijdende degradatie: elke hogere stap is in feite een stap dieper in de shit van het verval, de stijgende complexiteit beduidt een verhoogde entropie.

bekijken we de dialectiek aldus omgekeerd dan zien we dat de noodwendig gedachte synthese, die zou beantwoorden aan de zelfverwezenlijking van de Geest enkel een noodwendigheid van de fictie van het Zijn betreft: uit elke synthese druipen immers, mits omgedraaid in de virtualiteit van de potentie een miriade aan mogelijkheden, ‘gemiste kansen’.

door ons denken voortdurend te confirmeren aan de ontologie van het establishment, de Wil tot Verwezenlijken missen we alle kansen tot intuitieve cohesie in de loop van het verval: we zien niet wat er gebeurt omdat we verblind zijn door het Zijn en we missen wat er zou kunnen gebeuren omdat we onze eigen ogen weigeren te geloven.

op die wijze worden we van wieg tot graf geïndoctrineerd door het dogma van het Zijn.

het is wat het is want het zijn rijmt op pijn.

Harusmuze # 227

// four will get us there

227 – de ware toedracht gebeurt in een handomdraai

hexagram 12  (pǐ) – “Blokkeren”

input:

https://dirkvekemans.com/2019/01/22/harusmuze-218/

Rodin + Héraclite

scève

Pour m’efforcer a degluer les yeulx
De ma pensée enracinez en elle,
Je m’en veulx taire, & lors j’y pense mieulx,
Qui juge en moy ma peine estre eternelle.
Parquoy ma plume au bas vol de son aele.
Se demettra de plus en raisonner,
Aussi pour plus haultement resonner,
Vueille le Temps, vueille la Fame, ou non,
Sa grace asses, sans moy, luy peult donner
Corps a ses faictz, & Ame a son hault nom.

Harusmuze #150

150 – als de stilstand komt, bind je dan vast aan de mast

hexagram 12否 – P’I – ‘stilstand, stagnatie’

Lees over het Harusmuzeprogramma

Bekijk alle Harusmuzes

input:


// duration has no existence outside of consciousness

eerdere versie:

als stilstand komt, bind je dan vast aan de mast en ruik, proef, hoor, raak, zie, voel, lees en schrijf liefde

natrap (Scève):

Pictura of Scève, Maurice: Délie (1544): POUR AYMER, SOUFFRE RUYNE.
(embleem: klimop en het muurtje)

CL

Ou sa bonté par vertu attractive,
Ou sa vertu par attrayant bonté,
Moytié bon gré, & vive force active,
M’à tellement a son plaisir dompté,
Qui j’ay permis son vouloir jà monté
Sur le plus hault de ma fermeté croistre:
Et là s’estendre, & a tous apparoistre
Pour ma deffence, & contre ma ruyne.
Mais, comme puis a l’esproeuve congnoistre,
Son amytié, peu a peu, me ruyne.

Harusmuze #83

harusmuze083

83 –  de lege zee zit vol gevaren

hexagram 12 否 – – ‘blokkade’

verhaal

orig.: “schuw het ware, kweddels daar”, seint het baken als de schepen thuis zijn in de haven, “de lege zee zit vol gevaren”

scève

Vulcan jaloux reprochoit a sa femme,
Que son enfant causoit son vitupere.
Venus cuydant couvrir si grand diffame,
Battoit son filz pour complaire a son pere.
Mais lors Amour plorant luy impropere
Maint cas, dont fut le Forgeron honteux:
Et de vengeance estant trop couvoiteux,
Pourquoy, dist il, m’as tu bandé la face?
Sinon affin qu’en despit du Boyteux
Auclunesfois, non voyant, te frappasse?

r.9 Boyteux: de manke, Vulkaan