Harusmuze #378


378 – om het ongelooflijke te begrijpen moet je er met de ogen van het onveranderde / onverschillige naar kijken

hexagram 3  (zhūn), “Ontspruiten”

input

https://dirkvekemans.com/2018/08/26/harusmuze-70/

commentaar

het ongelooflijke is ongelooflijk omdat het onmogelijk lijkt. het onmogelijke is onmogelijk omdat het ondenkbaar is. het ondenkbare is ondenkbaar omdat het onverwachte niet verwacht wordt. het onverwachte wordt niet verwacht omdat het onbelangrijk lijkt. het onbelangrijke is onbelangrijk omdat niemand er voordeel of nadeel aan heeft.

dus als men kijkt naar het gebeuren met een onverschillige blik, door de ogen van iemand die noch ten goede nog ten slechte zal veranderen door het gebeuren, kan men ontdekken hoe het onbelangrijke het onverwachte kan voortbrengen, hoe het onverwachte het ondenkbare denkbaar kan maken, hoe het ondenkbare het onmogelijke mogelijk kan maken en zo kan men alsnog geloof hechten aan het ongelooflijke, of er ten minste begrip voor hebben.

zij die tenminste begrip hebben voor het ongelooflijke zijn beter voorbereid op de toekomst, want het toekomende erge zal achteraf altijd ongelooflijk erg blijken geweest te zijn (‘een noodlottige ramp’) en het toekomende goede zal net zo ongelooflijk goed geweest zijn (‘een mirakel’).

wie beter voorbereid is op de toekomst moet zich minder zorgen maken.
wie minder zorgen heeft, kan beter voor de ander zorgen.

willen we een kans hebben om de verschrikkingen van de toekomst te boven te komen, dan moeten we leren zo goed mogelijk voor de ander te zorgen. aja, we denken immers steevast: ‘iemand anders moet dat maar oplossen’…

Advertenties

Harusmuze #89


harusmuze089

89 – de rede klieft de aarde, de aarde slikt het rotten der steden

hexagram 3 – 屯 – zhūn – ‘ontspruiten’

scève

Amour perdit les traictz, qu’il me tira,
Et de douleur se print fort a complaindre:
Venus en eut pitié, & souspira,
Tant que par pleurs son brandon feit esteindre,
Dont aigrement furent contrainctz de plaindre:
Car l’Archier fut sans traict, Cypris sans flamme.
Ne pleure plus, Venus: Mais bien enflamme
Ta torche en moy, mon coeur l’allumera:
Et toy, Enfant, cesse: va vers ma Dame,
Qui de ses yeux tes flesches refera.

dit dizain is een vertaling van een Neolatijns gedicht van J; Vulteius aka J. Visagier (?-1542):
Telum perdidit in me Amor, quod infans
misit. Dein graviter dolere coepit.
Scivit hoc Venus atque corde ab imo
tot suspiria traxit, ut suum ignem
exstinctum lacrimis suis videret.
Quo queri acrius ambo sunt coacti.
Namque igne haec spoliata et ille telo est.
Quibus sic ego. Ne gemas, Venus, sed
in me accende facem tuasque flammas.
Ignem restituet tibi meum cor.
Et tu cessa, Amor, ad meaeque pergas
ocellos dominae, alteras sagittas
reddant. Sed moniti cavete posthac.

een andere versie van het dizain staat in de Fleur de Poesie françoyse (1542) en er is nog een versie, vroeger, op muziek gezet door Jean Maillart in Attaignant’s Livre VI (1539). de varianten betreffen vooral r.6:

1542
Car Amour fus sans feu remis sans flamme
1539
Car Amour fus sans feu, Venus sans flamme

Beide versies hebben op r.9 ‘amour’ zonder hoofdletter ipv. Enfant
en de laatste regel is in 1539 én 1542 :
Qui de ses yeulx d’aultres traictz te fera.
‘remis’is volgens McFarlane waarschijnlijk een foute lezing van de bloemlezer.

Het origineel van 1539 is dus voornamelijk ter wille van het eenvormigheid met het rijmschema voor opname in de Délie gewijzigd. ‘Enfant ‘ is een minder ‘aggressieve’ variant dan de gezongen versie, het is dan niet de liefde die wordt gevraagd bij de dame te komen , slechts het Kind, Cupido, daar kan haar man geen aanstoot aan nemen…

Harusmuze #51 (reconstructie)


51 – volg de ogen van de buizerd als het gras geurt van donkerte

hexagram 3 (zhūn) – “Ontspruiten”

scève

Si grand beaulté, mais bien si grand merveille,
Qui a Phebus offusque sa clarté,
Soit que je sois present, ou escarté,
De sorte l’ame en sa lueur m’esveille,
Qu’il m’est advis en dormant, que je veille,
Et qu’en son jour un espoir je prevoy,
Qui de bien brief, sans deslay, ou renvoy,
M’esclercira mes pensées funebres.
Mais quand sa face en son Mydy je voy,
A tous clarté, & a moy rend tenebres.