Harusmuze #344


// nooit volkomen viert de verderzetting de vreugde van het begin

344 – onvoldoende is de treurnis bij het einde voor ’t gebrek dat dan begint

hexagram 7 –   – shī –  “Leiden”

input

https://dirkvekemans.com/2018/09/29/harusmuze-104/

commentaar

de intensiteit van elke emotie (of zelfs van een lichtjes geaggregeerde zinneprikkeling) veroorzaakt sowieso een gevoel van onvolkomenheid omdat ze een gebrek aan intensiteit waarneembaar maakt: de voortgang wil voortgaan.

vandaar dat veel emoties (en sensibiliteiten) vrij makkelijk in hun schijnbare tegendeel kunnen omslaan

scève

Leuth resonnant, & le doulx son des cordes,
Et le concent de mon affection,
Comment ensemble unyment tu accordes
Ton harmonie avec ma passion!
Lors que je suis sans occupation
Si vivement l’esprit tu m’exercites,
Qu’ores a joye, ore a dueil tu m’incites
Par tes accordz, non aux miens ressemblantz.
Car plus, que moy, mes maulx tu luy recites,
Correspondant a mes souspirs tremblantz.

r.6 …ores …ore: ‘nu eens, …dan weer…’

Advertenties

Harusmuze #337


// elke aanzet bergt haar duizenden restanten

337 – afschuw maakt de schelp voor al het schone

hexagram 7 師 – shī – “Leiden”

input

https://dirkvekemans.com/2018/10/06/harusmuze-111/

commentaar

het ongekwalificeerde is louter kwantum in de kwantiteit, een humane vertekening van het gebeuren. de waarneming kwalificeert, het gekwalificeerde intensifieert de waarneming tot begrenzing, de begrenzing kwantificeert de kwalificatie en vertekent de aanvankelijk ‘neutrale’ kwantiteit tot gekwalificeerde entiteit die opbloeit, zich al dan niet telbaar maakt en wegrot, terug naar het louter kwantitatieve.

de individualisering zoals die tot stand komt in de menselijke waarneming is een schijnbaar ontologiserende interactie, een oscillatie in het Veld, de contingente expressie van een recursie, een golfbeweging.

de menselijke ‘waarneming’ is in die context een heel breed spectrum aan cognitief en vooral pre-cognitief en onbewust gebeuren en gelijkt in niets op de ‘waarneming’ zoals die in de fysica gedacht wordt, waar het louter interactie is tussen abstracta zodat de conclusies toepasbaar blijven op alles wat tot die en alleen die kwantificaties herleid kan worden. zulk een abstractum kan je niet ‘waarnemen’, je kan de ‘lichtsnelheid’ niet zien, een ‘gravitatieveld’ voelen, in een ‘golf’ duiken of een ‘deeltje’ omcirkelen.

het is hier dus de fysica zelf die door haar woordgebruik voor verwarring zorgt omdat ze er verkeerdelijk vanuit gaat dat een volgehouden fictie van het Zijn en de Dingen hun bevindingen ‘begrijpelijker’ kan maken. het is dezelfde onnozele metaforendrang die er ook al voor zorgde dat programmeurs hun eigen programma’s niet meer begrijpen omdat er ‘snelkoppelingen’ op hun ‘bureaublad’ staan die dan ‘klik hier voor meer uitleg’ als naam hebben.

eigenlijk feitelijk is dat vrij afstotelijk om aan te zien, al even pathetisch, nu we het toch daarover hebben, om vast te stellen dat iedereen die zijn werk ewa degelijk doet bij julie zoals Einstein en Heisenberg en Turing enzo meteen als semi-god de hemel in moet worden gehesen: man man man, die mensen waren gewoon goed in hun job zoals Celan en Joyce en Yeats enzo dat waren è, al die flauwe zever is voor niks nodig dus stopt daar ’s mee è, seg! pfft!

scève

Veu que Fortune aux accidentz commande,
Amour au Coeur, & la Mort sur le Corps:
Occasion conteste a la demande,
Qu’affection pretent en ses accordz.
Toy seule, ô Parque, appaises leurs discordz,
Restituant la liberté ravie.
Vien donc, heureuse, & desirée envie,
Nous delyvrant de tant facheux encombres:
Vien sans doubter, que l’esprit, & la vie
Par toy fuyront indignez soubz les umbres.

Harusmuze #325


// de uiting overrompelt wat het zeggen wil

325 – het spreken hoort niet wat het zeggen wil

hexagram 7  師 – SHI – “Leiden”

input

https://dirkvekemans.com/2018/10/18/harusmuze-123/

commentaar

iemand die spreekt valt nagenoeg samen met wat er gezegd wordt als beweging, de motoriek van het spreken bij zichzelf en met het ontvangen van het effect van de geluidsgolven op de (gefantaseerde) toehoorder.
wat er rest aan aandacht wordt , zo lijkt het, volop gebruikt voor foutdetectie.
maar het spreken doorbreekt het zwijgen waarin er ook talig gedacht wordt en het innerlijke spreken staat mijlenver af van de ervaring van het gesprokene zelf in de gedaante van het gehoorde, het gecontroleerde en op het impact bij de aangesprokene geëvalueerde.
wat de spreker zeggen wou is ondertussen al herinnering en als dusdanig vervormt reeds door het herinneren: de woorden zijn al niet meer wat ze waren bij de gedachte toen de intentie om te spreken omsloeg in daadwerkelijk spreken.

een zee van tijd staat aldus steeds tussen ons en onze woorden. het spreken hoort niet wat het zeggen wil. zulks ‘bestaat’ immers ook enkel in de fictie van het Zijn en het woord als Ding.
het schrijven, dit hier, wat u leest, wekt dan wel de illusie dat die tussentijd met al haar complicaties vervangen kan worden door een eenduidig schrijven van het bedoelde woord, dat toch alleen maar zo gelezen kan worden, zoals het er staat. ik schrijf het nu en hier, u leest het daar en straks.

maar hoe ver zijn we dan wel niet verwijderd van het gesproken woord dat onmiddellijk in al haar lijvigheid de weerslag was van onze doorvoelde gedachte? ik zie niet wat u leest, of hoe. en mijn schrijven is geen spreken tot een lezer die niets hoort of ziet van mij. en zoals er nu en hier gelezen wordt, lijkt het vaak alsof men enkel leest wat men zelf al aan het zeggen is, onder ‘vrienden’.

zo blijft de taal in al haar veelzeggendheid een beloven van begrip dat nooit tot enig woord van waarheid komt. en dan hebben we sinds kort het chatten nog, dat van zowel het spreken als van het schrijven een getypte, haastige simulatie is…

scève

D’un magnanime, & haultain coeur procede
A tout gentil de donner en perdant:
Mesme qu’alors tant tout il se possede,
Que sien il est, tout aultre a soy rendant.
Et tu m’as veu, jà long temps, attendant
De ta pitié si commendable usure,
Que sans point faire a ta vertu injure,
Plus, que pour moy, pour toy je m’esvertue.
Et par se nom encor je t’en adjure,
Qui en mon coeur escript te perpetue.

Harusmuze #320


// de analogie houdt op in het opgaan van de analogie

320 – het ware hoeft niet waar te zijn

hexagram 7 師  – SHI – ‘Leiden’

input

https://dirkvekemans.com/2018/10/23/harusmuze-128/

commentaar

dat we de zin ‘het ware hoeft niet waar te zijn’ lezen als een tegenspraak of minstens een paradox maakt ons meteen duidelijk hoezeer wij in ons denken verslaafd zijn aan de nood van het Zijn.

wat wij het ware noemen is wat er in onze taal en in de daarmee beschreven processen werkt: het ware is waar omdat het werkt en daarom nemen we aan dat het waar ‘is’, maar dat ‘zijn’ van het ware hebben we enkel nodig omdat ons denken nu eenmaal dat soort referentieerbaarheid nodig heeft, anders werkt het niet.

uit het geheel van de taalkundige loops is geen ‘bevrijding’ mogelijk binnen de taal en het talige denken omdat je nou eenmaal al binnen de taal en talig aan het denken bent.

op zich is die vaststelling niet zo interessant, maar als het op efficientie aankomt, en derhalve op wat we voorlopig vaag als ‘gezond denken’ zullen vooropstellen als evident waardevol streefdoel, dan komen we al dadelijk uit bij het befaamde scheermes van Ockham dat terecht stelde

Entia non sunt praeter necessitatem multiplicanda”.

de lex parsimoniae, de wet van de spaarzaamheid van Willem van Ockham: “maakt niet meer Brol dan dat ge nodig hebt”

de NKdeE Bewegingsleer neemt deze wijze raad heel ernstig en zeer letterlijk. op deze wijze immers komen wij vele pertinente misvattingen op het spoor, die ons gezamenlijk een ongezonde kant opsturen, als droge schaapjes naar het abattoir.

van de analogie als denkbeweging bijvoorbeeld kunnen wij zeggen dat zij ophoudt in het opgaan van de analogie en niet waar men gebruikelijk zegt dat ‘hier houdt de analogie op’.

een analogie is immers een vorm van metonymisch taalgebruik waarbij men de metonymie zover mogelijk doorvoert tot zij haar verklarende kracht verliest. zo kan men van een verkeersstroom zeggen dat zij gelijkt op het stromen van water door de rivier. men onderzoekt vervolgens de verklarende kracht van de analogie
de weg waarover het verkeer raast, zegt men dan , is als de bedding van de rivier. als de bedding afgesloten wordt krijgen we een waterophoping , een meer dat als een file kan worden gezien. het water zoekt dan een andere weg, zoals de auto’s ook andere wegen uit de file gaan zoeken.
maar ho maar zeggen we dan: als de bedding vernauwt, dan gaat het water sneller stromen, en dat is helemaal niet waar als de weg wordt vernauwd!

op dat moment zeggen we dan parmantig: ‘hier houdt de analogie op’. het klopt niet meer. en we verlaten de denkbeweging van deze analogie.

maar, lieve klikmuiskindertjes: het is niet daar dat de analogie ophoudt: daar wordt de analogie net 1. zichtbaar en wel 2. zichtbaar als recursie een woord dat haar bewegen veel efficiënter en juister omschrijft. het betreft immers geen wederkering in het woord (ana -logos) maar een ‘lopen’ dat lijkt op een ander ‘lopen’ (re-cursie). en we weten ondertussen allemaal welk een fundamenteel verklarend principe de Recursie wel niet is.
dus 1. waar de analogie aangeeft dat er verschillen zijn in de twee (geabstraheerde) bewegingen wordt het ons duidelijk dat we iets leren over beide bewegingen, namelijk het verschil ertussen. we zouden veel beter zeggen dat daar de analogie net een aanvang neemt.
en 2. de analogie als recursie houdt niet op te bewegen middels de kwalificatie ‘analoog’ waar wij zeggen dat ze ophoudt maar zij verdwijnt geheel in zichzelf, wordt als analogie volstrekt onzichtbaar daar waar zij ‘opgaat’, in het veld dat begrensd is door de voorwaarde dat daar het verkeer inderdaad zo ‘stroomt’ als het water stroomt in de stroom

zie je: de werking van de analogie houdt daar op waar je ze niet meer kan waarnemen, je hebt er niks meer aan, de verklarende golf ervan valt plat tot het woord dat slechts een woord is.

zoals het ware niet hoeft waar te zijn om echt te gebeuren, hoeft de analogie geen analogie te zijn om analoog te lopen.

scève

Je sens par fresche, & dure souvenance
Ce mien souhaict a ma fin s’aiguiser,
Jettant au vent le sens, & l’esperance,
Lesquelz je voy d’avec moy diviser,
Et mon project si loing ailleurs viser,
Que plus m’asseure, & moins me certifie.
Au fort mon coeur en sa douleur se fie,
Qui ne me peult totalement priver
Du grand desir, qui tout se vivifie,
Ou je ne puis desirant arriver.

Harusmuze #92


harusmuze092

92 – als het gevolg kietelt, kwispelt de oorzaak. als het gevolg kwispelt, loopt de oorzaak weg.

hexagram 7 – 師 – shī – ‘leiden’

scève

Sur nostre chef gettant Phebus ses rayz,
Faisoit bouillir de son cler jour la None:
Advis me fut de veoir en son taint frais
Celle de qui la rencontre m’estonne,
De qui la voix si fort en l’ame tonne:
Que ne puis d’elle un seul doulx mot ouir:
Et de qui l’oeil vient ma veue esblouir,
Tant qu’aultre n’est, fors elle, a mes yeux belle.
Me pourra donc tel Soleil resjouir,
Quand tout Mydi m’est nuict, voire eternelle?

r.2: la None: het vierde kwart of negende uur van de dag, in de zomer rond 16u, in de winter rond 14u (bij ons è)