Harusmuze #359


22B106

359 – jouw standpunt is jouw ondergang

hexagram 19 (lín) – “Naderen”

input

https://dirkvekemans.com/2018/09/14/harusmuze-89/

commentaar

opdracht (lees eerst Heracleitos fragment 22B106):

bon. de Heracleitos die Plutarchos gelezen heeft vindt dat Hesiodos maar zwanst want die wist niet eens dat alle dagen één en dezelfde zijn. sommige hedendaagse Heracleitoslezers vinden dat Plutarchos zich moet vergist hebben en dat Heracleitos het eigenlijk over Homeros had die inderdaad ergens over het verschil in dagen wel ’s iets heeft laten optekenen.

zowel Homeros als Hesiodos hadden het eigenlijk over totaal verschillende dingen wanneer ze iets over de aard of de natuur van de dag ( φύσιν ἡμέρας – fúsin hijméras) en Plutarchos gebruikt het bezwaar van Heracleitos ook maar omdat ie totaal wat anders aan het beweren is, en de bewering van Heracleitos hem daarbij van pas kwam.

maar waarover had Heracleitos het eigenlijk als ie zegt dat alle dagen eender zijn? over de herhaling die enkel een herhaling kan zijn omdat wij ergens hetzelfde ontwaren in de natuur en vervolgens onze idee van de ‘natuur’ gaan toepassen op de ‘natuur’ van de dag? aja, want onze dag, dat weten wij, is dan wel nooit helemaal hetzelfde, maar de beweging is wel eender, het tijdsverloop is wat er overeenkomt met de draaiing van de aardkloot.

helemaal hetzelfde is die nooit, gelukkig hebben we de Plank-constante uitgevonden om toch nog ergens iets hetzelfde te kunnen laten zijn.
wij maken onze dag, dus onze dag is eender. wou H. dat zeggen? welke H.?

de overlevering is waarin wij schrijven. ons schrijven is een lezen van de overlevering en verandert de overlevering, zij het slechts minimaal, meestal. wat bedoelt dan de Harusmuze met ‘jouw standpunt is jouw ondergang’?

max. 20 regels en leesbaar schrijven è!

scève

Quand l’ennemy poursuyt son adversaire
Si vivement, qu’il le blesse, ou l’abat:
Le vaincu lors pour son plus necessaire
Fuyt çà, & là, & crie, & se debat.
Mais moy navré par ce traistre combat
De tes doulx yeulx, quand moins de doubte avois,
Cele mon mal ainsi, comme tu vois,
Pour te monstrer a l’oeil evidamment,
Que tel se taist & de langue, & de voix,
De qui le coeur se plaint incessament.

Advertenties

Harusmuze #343


// de herkenning vraagt gedulig aan het evenzeer gebrekkige het ontbreken te erkennen

343 – de taakverdeling heeft uw hulp niet nodig

hexagram 19 –  臨 – lín – “naderen”

input

https://dirkvekemans.com/2018/09/30/harusmuze-105/

commentaar

het is [niet alleen] in woelige tijden niet raadzaam om te willen gaan roeren in het gewoel, dat is nogal een koddig zicht dan en ge spettert alleen maar vrij hinderlijk in de ogen van de anderen met uw nutteloos gedrets

scève

Au vif flambeau de ses yeulx larmoyantz
Amour son traict allume, & puis le trempe
Dans les ruysseaulx doulcement undoyantz
Dessus sa face: & l’estaingnant le trempe
Si aigrement, que hors de celle Trempe,
Le cauteleux, peu a peu, se retire
Par devers moy, & si soubdain le tire,
Qu’il lasche, & frappe en moins, que d’un moment.
Parquoy adonc avec plus grand martyre
Je suis blessé, & si ne sçay comment.

Harusmuze #326


// het lichaam belichaamt de verwijdering

326 – het zeggen hekelt het spreken dat haar midden mist

hexagram 19 – LÍN – “Naderen”

input

https://dirkvekemans.com/2018/10/17/harusmuze-122/

commentaar

het feit dat we ons kunnen afvragen wat iets wil zeggen als er iemand spreekt is een mooi voorbeeld van hoe de taal ons niet nodig heeft om zich van zichzelf bewust te zijn.

met dat (Indogermaanse?) onderscheid tussen zeggen en spreken, (FR: dire en parler) geeft onze taal het heft wat uit handen ook, want het lijkt de prioriteit te leggen in het motorische en het sensibele van het hoorbare zeggen, terwijl het spreken dat wij als uiting achten van het hogere bewustzijn toch vooral met het ‘objectieve’ gegeven ‘taal’ wordt geassocieerd. wanneer wij beweren dat ons denken talig is, vergeten wij prompt alles wat spier is, klank, of schrift of mond…

hebben we in de taal dan te maken met een soort taaldemon die aan onze controle wil ontsnappen en het zeggen in de mond legt van een lichaam dat wij denken te ‘hebben’? en zijn wij talig vies van wat het zeggen met ons spreken doet?

een demon, de duivel, een demoon is alles wat we inwaarts en uitwaarts projecteren van het niets dat ons ego is. het is onze intentie, die nooit de onze was, maar die wij overal ontwaren. de demon is de duivel van de vrijheid die niet de onze is. het is de kwaadaardige intentie omdat het onze controle weet te ontvluchten. het wordt goedaardig weer als we dat alles netjes duaal reduceren kunnen tot het tegengestelde van onszelf, in het hogere (neo-)platonische falluszwaaien dat met geveinsde zachtaardigheid de Aristoteleske mysogenie moeiteloos overtreft.

de taal is tricky, zeggen we dan, om ons uit de voeten te kunnen maken, misschien kunnen we best zoveel mogelijk zwijgen. de vlucht in het formele. het daadwerkelijke spreken verraadt ons immers vaak, ‘iets’ doet er ons meermaals iets anders zeggen dan wat wij wouden zeggen. het onbewuste kent haar eigen wetten, zo hoor je al de psychologe, maar goed: naast de freudiaanse verspreking (let wel: ‘verspreking’ – het zeggen zelf verzegt zich nooit, het is altijd wat het zegt) heb je ook het mompelen, het stotteren, het haperen en doodgewoon het gebrek aan lucht.

het angstbeeld dat onze woorden verloren gaan, de zekerheid die wij zoeken, weg van de vluchtige uitspraak, het overgeleverd zijn van al het denken aan die vervloekte contingentie in de tijd: het noopt ons tot schrijven, tot koesterend bewaren van het woord, dat in bewaarde vorm meteen ook code wordt, versleuteling van het gezegde in de algoritmische voortgang van de abstracte gedachten.

we hebben het eruit gesleurd, nu trekken wij onze handen af van al die mondigheid: het is bewaard en ter beveiliging met waarde omkleed.

maar waar is nog het midden van die taal, die nu geboekstaafd staat? wat was ook weer haar grond? elke keer wanneer wij spreken opent zich de afgrond van de mond. de taal toont nooit het achterste van haar tong.

van al dat talige rot was de schreeuw het eerste stadium. en het zingen ook, dat van het zwijgen nog voldoening zong. de neurofysiologisch correcte explicatie van de werking van de taal gaat nooit de pijn van haar falen kunnen verzachten. het duurt ewa lang, die uitleg.

zie je wel?”, zo zeggen wij en dat zeggen is voldoende dan, het snoert elk spreken de mond. ik kwam, ik zag en ging ten onder.

scève

Je souspiroys mon bien tant esperé,
Comme un malade attend a son salut,
Cuydant avoir asses bien prosperé,
Ou vain espoir rien, ou peu, me valut:
Mais recourir ailleurs il me fallut
Pour me trouver briefve expedition.
Parquoy voyant, que la condition
De mon mal est, qu’au guerir il s’indigne,
A celle suis tout en perdition,
Que j’offençay pour l’adorer indigne.

Harusmuze #141


141 – de zon is zo groot als haar voet

hexagram 19 – LIN – ‘naderen’

input

scève

Comme des raiz du Soleil gracieux
Se paissent fleurs durant la Primevere,
Je me recrée aux rayons de ses yeulx,
Et loing, & près autour d’eulx persevere.
Si que le Coeur, qui en moy la revere,
La me fait veoir en celle mesme essence,
Que feroit l’Oeil par sa belle presence,
Que tant je honnore, & que tant je poursuys:
Parquoy de rien ne me nuyt son absence,
Veu qu’en tous lieux, maulgré moy, je la suys.

Harusmuze #137


137.jpg

137 – allez vooruit

hexagram 19– LIN – ‘toenadering’

input

input_137

De la mort rude a bon droit me plaindrois,
Qui a mes voeutz tendit oreilles sourdes:
Contre l’Aveugle aussi ne me faindrois,
Pyrouettant sur moy ses fallebourdes,
Si par fortune en ses traverses lourdes
Ne fust ma joye abortivement née.
La fin m’avoit l’heure determinée
Amour soubdain l’effect executa:
Occasion seule predestinée
Causa le brief, qui me persecuta.

faindrois: van ‘feindre’, betekent hier zoveel als ‘hou ik mij niet in’

fallebourdes: een ware filologenkluif, kijk maar bij McFarlane:

zelf zoek ik het eerder bij ‘bourde‘ als stok van de blindeman die zijn weg aftast en bij uitbreiding ‘het invasieve blindengetaffel en getast om het gezicht/hart te kunnen raken van de blinde boogschutter Cupido’ terwijl ‘Pyrouettant’ de hoekig-ronde zoekbeweging van een blinde met de opgespannen pijl meesterlijk verwoord…
brief: ‘bref’ hier te lezen als verordening (Mc Farlane)


Harusmuze #118


118

118 – zelfbedrog smaakt zoet, het dooft de angst met ijdele hoop en valse moed

Hexagram 19 – – LÍN – ‘naderen’

scève

Le hault penser de mes frailes desirs
Me chatouilloit a plus haulte entreprise,
Me desrobant moymesme a mes plaisirs,
Pour destourner la memoire surprise
Du bien, auquel l’Ame demoura prise:
Dont, comme neige au Soleil, je me fondz
Et mes souspirs dès leurs centres profondz
Si haultement eslevent leurs voix vives,
Que plongeant l’Ame, & la memoire au fondz,
Tout je m’abysme aux oblieuses rives.

McFarlane snapt het niet al te best dit, dat is meestal een goed teken hihi. De beweging is ook enorm subtiel: de Amant denkt aan Délie, geraakt daardoor dusdanig hoog in vervoering (frailes desirs) zodat hij zichzelf achterlaat (desrobant: de gedachten ontdoen hem van de kleding van de bewuste wil) bij het aanschouwen van de herinnerde beelden, zodat de herinnering een andere weg op gestuurd wordt dan waar de ziel gevat blijft door de verhevenheid van Délie als idool. Aldus ontzield smelten al die hoge gedachten echter als sneeuw voor de zon zodat de hele ‘je’ wegloopt als water in de grond en alles , ziel en memorie, verzwolgen wordt in de vergetelheid.
de hele beweging in adem: hoh!… aaaaaah…..