Harusmuze #388


22B50

388 – de stem van god hoeft niets te overtuigen

hexagram 49 (gé) – “Afstropen”

input

https://dirkvekemans.com/2018/08/16/harusmuze-60/

commentaar

in de Bewegingsleer van mijn kerkske is ‘god’ een klasse zoals ‘ik’ een klasse is, en ‘het’ en alles wat wij denken als ding of concept. een klasse is een poort in de taal, een codering van een virtueel object dat kan dienen in het ‘verwijzingsprogramma’ de Gignomenologie die zich ontplooit in wat ik dan noem het ‘Deiktisch Oponthoud’ een soort zandbak waarin ge zonder dat het kwaad kan allerlei opstellingen of configuraties kunt uittesten om te zien of die enig verklaringspotentieel hebben.

klassen die voldoende verklaringspotentieel hebben worden behouden, de rest gaat de gulzige trechters van de garbage collection routine in.
wat blijkt nu: wel de klasse ‘god’ , een abstractie van diverse godsconcepten in verschillende culturen, blijkt een zeer solide klasse te zijn die nog steeds enorm veel verklaringspotentieel heeft.

omdat ik de klasse vrij vaak gebruik, krijg ik soms wel ’s commentaar in de trant van ja maar Vekemans zijt gij dan gelovig of, van de weeromstuit, jamaar schelm ik dacht dat gij toch ewa serieus waart over serieuze dingen.

tja: men leest dan mijn teksten maar half è, wat geheel conform de hoogste verwachting is (kmag al blij zijn als mijn teksten voor een vijftienduizendste gelezen worden peinsk, maar bon). want als ge goed lees, ziet ge het verschil onmiddellijk.

vandaag bijvoorbeeld zegt de Harusmuze dat de stem van god ‘niets’ hoeft te overtuigen. in ‘normaal’ taalgebruik met pipo God erin zou je verwachten toch dat daar ‘niemand’ staat, daar de stem van God hoort te converseren met de mens als bevoorrechte, ‘verkoren’ ontvanger.

maar in het Deiktisch Oponthoud is de klasse god een virtueel omnipotente super-intellectuele Agens die zich om subroutines bekommert die volgens de joodse kaballatraditie voldoende van Hem afgescheiden zijn zodat er enige Zelfaanschouwing kan optreden. denk aan de mens als een soort complexe haspel zoals die op de markt zijn nu om vanuit de hoogte selfies te maken met uw daarop gemonteerde smartenfoon.

ziet ge, meer zo, dus…

en wat de Harusmuze dan zegt vandaag is een soort hyper medium-is-the-message spul, iets in de trant van: het aanhoren van de stem van god is genoeg, ge moet niet horen wat ‘M zegt, als ge het gehoord hebt is het al ‘uw gedacht’, en als ge het denkt, dan ‘werkt’ het al.

Ce doulc venin...”
ja, kweetet, ge wordt er ewa mottig van, als ge er te diep op doordenkt soms… sorry è.

scève

Ce doulx venin, qui de tes yeulx distille,
M’amollit plus en ma virilité,
Que ne feit onc au Printemps inutile
Ce jeune Archier guidé d’agilité.
Donc ce Thuscan pour vaine utilité
Trouve le goust de son Laurier amer:
Car de jeunesse il aprint a l’aymer.
Et en Automne Amour, ce Dieu volage,
Quand me voulois de la raison armer,
A prevalu contre sens, & contre aage.

Advertenties

Harusmuze #134


134.jpg

134 – boven het vuur spiegelt het meer de zielen, wapperend in de tijd

hexagram 49 – KO – ‘omwenteling’

input

input134

verhaal

orig.: boven het vuur weerspiegelt het meer moeiteloos de blijdschap van zielen, wapperend in de tijd

scève

Saincte Union povoit seule accomplir
L’intention, que sa loy nous donna,
Comme toy seule aussi debvois supplir
Au bien, qu’a deux elle mesme ordonna.
A luy & Corps, & Foy abandonna:
A moy le Coeur, & la chaste pensée.
Mais si sa part est ores dispensée
A recepvoir le bien, qu’Amour despart,
La mienne est mieulx en ce recompensée,
Que apres Amour, la Mort n’y aura part.

Harusmuze #129


129

129 – vogels vliegen niet, geen mens is ooit humaan, de tijd vertelt niets

hexagram 49 – KO – ‘afstropen’

verhaal

orig.: vogels vliegen niet, geen mens begrijpt een mens, de tijd vertelt zich geen moment

scève

Le jour passé de ta doulce presence
Fust un serain en hyver tenebreux,
Qui fait prouver la nuict de ton absence
A l’oeil de l’ame estre un temps plus umbreux,
Que n’est au Corps ce mien vivre encombreux,
Qui maintenant me fait de soy refus.
Car dès le poinct, que partie tu fus,
Comme le Lievre accroppy en son giste,
Je tendz l’oreille, oyant un bruyt confus,
Tout esperdu aux tenebres d’Egypte.