rare koppels in het park


over speelgoedtekst, kopslaper Lampe &  de deconstructie van tekstverwerkers

Het vernieuwende aan Astrid Lampe’s bundel Park Slope is natuurlijk niet de typografie. Niet dat het mij wat kan schelen of een bundel  nu iets vernieuwends heeft  of niet, laat staan dat ik wil beweren dat een nieuwe  bundel zoiets nodig heeft om interessant te zijn – ik ben geen recensent en dit is geen recensie.

knexwheel

Het gaat mij hier enkel om het duiden van iets nieuws in het historische verloop van de poëtische tekstproductie in gedrukte vorm. ‘Historisch’ is daarbij gezien de marginaliteit van de poëtische tekstproductie misschien een lichtjes over het paard getilde term, maar je dient het gebruik van het woord historisch hier te verstaan als ‘zoals bekeken in een kader  dat  de tijdsbeleving van het individu overschrijdt’. Ik leg daar hier maar effen de nadruk op omdat dit later, hierboven dus,  van belang gaat zijn. Soit.

Lampe’s bundel steekt dus op een erg visuele manier schril af bij het overgrote merendeel van het honderdtal bundels van dit jaar (het juiste aantal doet er niet toe, De Contrabas heeft straks  het  lijstje wel weer klaar). Maar dit soort krachtpatserij kennen we natuurlijk al een eeuw: Mallarmé en Apollinaire, Van Ostaijen en Van Doesburg, &  nadien een nest vijftigers, een gang zestigers,  een collectief juni 78-ers & een halve garage post-punk neo-dadaïstische rifbouwers uit Keerbergen behept met een onbedwingbare drang naar het pilsje én het academisme: al die brave mensen deden & doen dat al, met telkens wel weer een kom-komrijtje traditionalisten er achteraan die liepen/lopen te zeuren dat ‘dit toch echt wel niet meer’ plus van ‘wat heb je daar nou nog aan’.

Het sloopwerk van Lampe zit ‘m niet daar. Lampe  slaat wat dat betreft slechts effen met de platte hand vlak op het vijvertjesoppervlak. We moeten dan wel effie wachten tot het weinige water weer terug komt gelopen maar met onze onoverwinnelijke talenten tot druilen, sijmelen & spugen lukt dat wel. Uiteindelijk. Desnoods bidden we wel met de veluxen  open tot de poolkapgoden opdat zij zouden spoed maken met het Grote Smeltwerk.

knex

Lampe is slimmer. Zij weet dat het vijvertje een vijvertje is dat in een Park ligt. Zij weet ook dat het al lang  niet meer opgaat om zich gezeten aan zo’n vijvertje  te willen verliezen in een zondagse romantiek van Authenticiteit, het Ware Gevoel of  een nostalgiek één worden met Moeder Natuur. Lampe is een Hedendaagse Hevige Tante (HHT) , & wat je kan krijgen van haar is een VUIST  VOL VLUCHTIGE IK-CONSTRUCTIES & een aaitje braaf braaf op je hoofd van preiloof (blz.12).

Wie wil er zich spiegelen in deze van sentimentenalgen vergeven slijmlaag zijn & pijn ? Wie wil  daarbij op verheven talige wijze de parkheid van het Park overstijgen? Het zal haar kropsla wezen! Loskappen die boel, weg met die slakkenpoep, slopen dat Park!

Het Park blijft immers een louter tekstuele illusie. Daarbuiten is het Park gewoon een park & daar geraak je met je laptop wel, maar in die laptop blijf je toch altijd in de teksten steken. Dat besef, die bewuste omgang met de tekstverwerker, & vooral dan  het ongegeneerde gebruik ervan, de referenties ernaar in de tekst zelf & de hele presentatie van het boekje als een verzameling K’NEX studies, dat is wat de bundel zo vernieuwend maakt.

De teksverwerker krijgt net als de pen, het blad en het boek van vroeger eindelijk een metaforische, dichterlijk beladen inkleding. Als Lampe schrijft doet ze dat net als iedereen met de ogen op de lichtbak voor haar, &  van haar mag je dat geweten hebben. Ze doet wat ze doet en daarbij is de papieren afdruk secundair, wat er zich in de schrijfact afspeelt, speelt zich af in de (banale) technische omgeving zoals iedereen die kent.
Wat ze dan uiteindelijk  presenteert is misschien erg verwant aan de post-moderne deconstructie van de schrijfact, maar waar de ‘geschriften’ van veel pomo’s blijven steken in referenties naar de (traditie van de) ‘boekige’ finaliteit van het dichten, waar het voor iemand als Van Bastelaere ‘op zich’ al significant is dat er een stukske taalgebruik uit de X-files ‘te boek’ wordt gesteld ( in “zijn”  boek dan nog, het boek van de ‘erkende dichter’),  daar is bij Lampe de grote Collapse – het instuiken van de wereld-als-Boek-metafoor – een voldongen feit: tekst is tekst &  tekst komt als input binnen bij het vrouw-computer-machientje en het gaat er als tekst weer uit. Een BOEL DATAVERKEER.

park-slope

De met kaduuke eschatologische bouwwerven beladen  boek-wereld, het Park van weleer, waar de schrijfster nog parkgodin kon spelen,  wordt met plezier ingeruild voor een K’Nex wereld. Imagine * Build * Play TM.

Mooi meegenomen met die speelgoedmetafoor is dat K’NEX aardig resoneert met de meute aan academische en nerde tekstverwerkingsprogramma’s die allemaal eindigen op iets als LeX, het programma van Donald  Knuth waar het allemaal mee begon (LaTex, MikTEX…).

Want na het sloopwerk van het park , de onontkoombaarheid van de tekst, blijk je toch weer in een park te zitten. De tekstverwerker hakselt wel, & hakselen dat kán Lampe, maar de vloer blijft vol liggen met tekstfragmenten. Het is enkel dankzij het onderkennen van de positieve mogelijkheden van de tekstverwerker, de tekstverwerker als constructiemiddel, als speelgoed, dat het slagveld in ijltempo een mestvaalt worden kan & vervolgens vruchtbare bosgrond, balzaal, bloemen tapijt of het erotieke mijnenveld met ‘pop-upmenuutjes van haar holtes’, waar je kan doorklikken, wegwezen of de resultaten van je zoekopdracht naar samenstellingen met ‘rozen’ als vlaggetjes in je kersentaart kan planten.

Want – Make No Mistake – waar de contingentie toeneemt, waar de betekenisverbanden doorgeknipt liggen te bloeden, in de dozen K’NEX daar grijpt de poëzie toch weer kans (blz68).

*     *
*

Al bij al blijft  het toch een krappe sloep, dat reddingsbootje van de poëzie dat we hier met de nodige virtuositeit gepresenteerd krijgen.  Krap, want of je met deze studies uit het slop geraakt, of je er wat meer gaat aan overhouden dan polskramp, daar doet onze sterrige lichtbron zelf ook niet al te positief over. Pap. Pulp. Dood water. & Ondertussen blijft het stills met vallende lichamen regenen (blz 49).

De hedendaagse Tante heet (op de achterflap) ook omineus te zijn. Want ze mag dan wel freefighten, het blijft vrij machteloos spelen met de doosjes die je toegewezen krijgt. Zonder greep op het codeverloop dat aan de tekstproductie voorafgaat, kan je wel heel erg productief wezen, aan de finaliteit van het product en de erbij horende productielogica raak je niet. Het Ware Ding glipt weer uit je handen, er rest enkel wat slaps op papier, lettertjes in pastel voor een koper. Wat met de  klop na het paren?

Het is maar wat je wil, natuurlijk. Al blijft het mij verwonderen dat mensen die niet beroepshalve (dat zou ik begrijpen), maar vanuit hun roeping bezig zijn met een hedendaagse vorm van tekstproductie, zich zo weinig gelegen laten liggen aan enig onderzoek naar het wezen en de aard van dat proces zelf. Hoe dat niet anders kan dan allesbepalend zijn voor het soort praktijk dat je er op nahoudt.

Want uiteindelijk is het ook een wereld van verschil. & Dat verschil los je niet op met een boekje lang een metafoor te hanteren. Oplossen is een verkeerd woord, maar ik handhaaf het gebruik omdat we hier duidelijk met een blokkage zitten in de schrijfpraktijk, een evidente taboe**, waar Lampe met glans tegenaan gaat.
& Er met glans weer afschuift zouden we enigszins oneerbiedig kunnen stellen, want uiteindelijk blijft Park Slope ook ‘maar’ een park &  als het gaat zingen doet het dat omdat het in de handen van een talent als Lampe altijd wel zal gaan zingen, maar heeft het hoe dan ook net die beperkingen van al het voorgaande, dan blijkt er helemaal niets gesloopt, & duikt ze met haar werk knus  in hetzelfde bedje als al de collega’s, al  ligt ze bij die zevenslapers wel veruit op kop.

*     *
*

Iemand die  wél op systematische manier  onderzoek doet naar de werking en de effecten van computergestuurde tekstverwerking op het schrijven als bovenindividuele creatieve traditie is de Noor Bjorn Magnhildoen.

Verleden jaar stelde hij in Parijs tijdens het tweejaarlijks e-poetry festival een online systeem voor waarbij de input van online gebruikers in ‘Real Time’ zoals dat dan heet via allerlei bewerkingen resulteerde in een live te bekijken tekststroom. Te bekijken en te beluisteren want een deel van de inputtekst werd via enkele algoritmes ook omgezet naar midi-commands die dan meteen werden ten berde gebracht, een andere deel code werd getransformeerd tot visuele output. Een totaal-spektakel dus waarbij het centrale element, dat wat alles bijeen hield, niets anders was dan -letterlijk – lopende code.

Dit jaar werkt hij aan een programma waar je wel je tekst kan invoeren, maar waar de gebruikelijke feedback gewoon wegvalt. Je zou kunnen zeggen dat dat triviaal is, dat is het allerminst. Probeer het maar effen uit op http://noemata.net/gaps/blindpad.html

Het effect is dat je je eindelijk weer realiseert dat wat je doet, je schrijfact, de totaliteit van alle handelingen en interacties met je computer, een complex cyclisch proces is, een voortdurende terugkoppeling van een dubbele handelingsstroom, het lopen van de code op de computer en je gedachtenbewegingen en hand-oog en scherm-klavier coordinatie.

Plak naast deze experimenten nog eens iets als de inform programmeertaal waarmee je in verstaanbaar Engels spelsituaties kan creëren, en je begint misschien een klein beetje te beseffen dat je de impact van de tekstverwerker op de verschuivingen in het literaire veld alleen maar kan onderschatten.

En daar houdt het niet op, want het verschil tussen een passieve tekstverwerker en een actieve, intelligente ontvankelijkheid voor je menselijke, talige output plaatst de problematiek wel in een geheel ander daglicht.

Het is dus niet alleen belangrijk voor het handjevol literair geïnteresseerden,  maar  het is dan toch wel zéér curieus dat er net daar géén of weinig interesse is voor de overigens  onafwendbare evolutie naar een vorm van geletterdheid die vaneigens een hoge graad van techniciteit inhoudt. Kan je  uiteindelijk nog iets anders zeggen dan dat er hier op kunstmatige wijze een achterhaalde praktijk in stand wordt gehouden, dat het publiek om louter commerciële redenen een rad voor de ogen wordt draaiende gehouden? Je kan toch  niet blijven doen ‘alsof’ je schrijft, inscripties maakt,   terwijl iedereen naar hartenlust invoert, paste en cut en terwijl iedereen wéét dat al het  werk op net dezelfde manier tot stand komt als – ik zeg maar wat- het mijne, of dat wat er hier staat ‘slechter’ zou zijn dan  -ik zeg weer maar wat -wat er in 95 procent van de boekjes te vinden is.

De vaak geroemde ambachtelijkheid van het schrijven, de dagelijkse praktijk die leidt naar meesterschap, de verbondenheid met het maatschappelijke zoals het zich in de realiteit voordoet, alles wat we in elke periode van onze miserabele geschiedenis als waardevol hebben willen erkennen, dat alles vind je ook maximaal terug in een auteurspraktijk die zich dagelijks afspeelt recht in het hart van wat met rasse schreden onze hoofdbron van informatie en culturele distributie  wordt, zo het dat al niet is: het internet.

*     *
*

[epiloog: het tekstkapitaal in  een ruimer sop – nog meer zorgen aan je toch al leprakop]

In een peer to peer netwerk vallen de miljoenen gebruikers uiteen in twee categorieën: seeds en leechers.
Tot de seeds behoren die gebruikers die wat ze downloaden ook onmiddelijk ter beschikking stellen van de andere gebruikers. Later doen die mensen met ‘hun data’ misschien nog honderd en elf fantastische dingen en hopelijk worden ze allemaal vet rijk ermee. Meer ze beginnen wel met een eendere houding en die houding is die van het belangeloos delen.

Tot de andere categorie behoren de leechers. Zij downloaden wat ze willen hebben en delen niks. De correcte vertaling van het Engelse woord leech is bloedzuiger. De huidige toestand, inclusief sociale controle op het downloadgedrag, heeft niks meer te maken met enigerlei ‘links’ of ‘avant-gardistisch’ gedachtengoed. Het heeft zelfs bijna niks meer uitstaans met de Open Source beweging. Het is gewoon het kapitalistisch systeem zelf dat een irrationele toebedeling van waarde aan bepaalde vormen van code corrigeert.

De lopende code scheurt zich autonoom af van een al te humane regelgeving.

noten ————-

** Het taboe heeft natuurlijk alles te maken met twee factoren die maken dat iedereen het vrijwel onmiddelijk op een lopen zet als erover begonnen wordt:

  • de schijnbare complexiteit van het schrijven in een technisch-machinale omgeving
  • de economische verstrengelingen van tekstproductie, de koppeling die vroeger onvermijdelijk was van de sociaal-literaire waardering met de productie van een informatieve drager ( het boekje), enfin heel de problematiek van het tekstkapitaal
Advertenties