moment (127)


werk van cb (21/09/16)

(voor cb)

“in november pleurt de regen gaten in het donker”.
de taal schift, namen verschuiven, woorden laten
de zin plots los waarin ze net nog zaten. klonters
klank drijven hulpeloos de mauve wervel in

de koeken van de bakkers kleven aan de plank
de feiten draaien uit op erger dan verwacht
de schoolhoofden schudden meewarig het hoofd
de oude assistent geraakt nooit meer hogerop

een kindsterretje loopt mak & mank wat planten
op te noemen. op het filmpje strandt de wijkagent
in pardoes misplaatste slachtafval. de dichter leest
zijn eigen letters stijf met handenvol pietluttigheid.

in mijn mond de bloedblaar breekt & lost de beelden
weer, de kleuren jus d’orange & vunzig blauw, karmijn
& zuur slik ik het jaar weer in, zwart van herinnering.

moment (125)


werk van cb, zie http://www.facebook.com/Pimpelmeest
werk van cb, zie http://www.facebook.com/Pimpelmeest

(voor cb)

mijn stem is lucht verplaatst door zwarte vogels, mijn
oog betast het spinrag in de hagen, de rood omrandde
wolkjes slippen toe, gedaante naast gedaante, toe tot dek.
genadig is de herfst: her & der barmhartig rot grijpt bomen

& de zomer stuiptrekt, ligt vol gaten. slijmerig tentakels
uit de vette aarde omzwachtelen het holle in mijn huid. het nihil
van de treurnis druipt letters op het macadam die dadelijk
tot vlek vervagen. spichtig nog wat zonnestralen zoeken glas

om zich tot bloedens toe een weg te banen naar het oker
der maan. maar ook de uil is heengegaan. ik, mummie
in de tombe, ik sijpel weg. het graf naast mij is leeg. de
gliefen vurig in het donker op de natte muren vertellen

ons verhaal alsof herhaling na herhaling niets tot iets
vertalen kan. ooit & ambitieus een wonderkind ontbloot
mijn borst. kraaien zwermen uit, verslinden dan de aarde.

moment (124)


weerk van cb
werk van cb

(voor cb)

ik word bevraagd. een ijsschots zuidwaarts drijvende
zeg ik dan, alsof de antwoorden niet op elke muur te
lezen staan. daarop een leeuw met klamme klauwen.
het noorden kwijt, smeltend, rillend, leeuw & schots

ben ik, zeg ik omdat hun oceaan uit woord bestaat met
wat getallen zout. er is de mist waaruit ik prooien knip.
een vrouw, aandoenlijk schoon & triest omdat haar stem
slechts echo’s kent, schiet vanop een witte walvisboot

harpoenen. haar pogen teder mist de diepte van haar ogen
waarin ik jou herken, rillend, smeltend, noordwaarts van
de andere pool. de vrouw wordt lichaam eerst, dan oceaan.
ze vraagt nog ‘sterf ik dan?’,  ik zeg ‘een beetje maar’ & ik

schenk haar onze treurzang der sirenen. wederom word ik
bevraagd, alsof er nog een ijsschots was met kleumleeuw
& mist rondom. wat ’n mooie schouders heeft die therapeute.

moment (123)


werk van Pimpelmeest (cb)
werk van Pimpelmeest (cb 19/9/16)

(voor cb)

flarden witomrand de wolken drijven in de wolken
over & sluiten uit de verte in het duister van de ogen.
ik bekijk de ochtendmechaniek, zie hoe dauw & kilte
op mijn huid een rilling tekenen. er wordt geaarzeld

of treurnis weer de dag zal kleuren binnen zandsteen
ordentelijk gezaagd, gestapeld, laag op laag, het soort
fatsoen waarmee de lijken liggen in het massagraf. nijd
& angst in slierten slijm druipen uit de praatholte der

gevangen vrouwen. mannen slurpen sloten koffie zwart.
binnen vlucht onder het daverend applaus van halm & kei
de hoeder van de stem. een kinderlijfje kleeft in de spreidstand
van geplette mug op het pastel der kamermuren. stil,

erkentelijk, haal ik gezangen boven, mijn bed is
zee van spraak & torenhoog ik verhef mij in de
herinnering: hoe wij de wolken waren, witomrand.

moment (121)


cb67(voor cb)

een ogenblik is geen moment. het,  het moment vindt
plaats waar ogen zich sluiten. artichoc, hartsgedaver
liefde diep in de liefde, de, een iteratief van daad, dader
& dagelijks dat weet je de zon komt op, welk kwaad

kunt gij mij dan verwijten?  lekker is wat lekker is.
de droom van zijn is mij ontnomen, het zwart dat
ik als negatieve god omarmde. & wat dan nog? niets
ben ik vergeten, niets heeft nooit meer dan nu, nu, nu

bestaan. ik lik je lippen, maak een jou van jou, verwoord
je tot een zekerheid, vaste grond waarin ik bloeien kan.
zie mij: bloem voor jou,  wiegende met ettelijke kelkjes.
zacht & oorverdovend ben ik ik, ik weet het. dat komt

omdat geen oor mijn zwijgen hoort & alles vergaat
in het niemandsland waarin mijn strelen verstilt
omdat er stilte nodig is in de drukte van het strelen.