uitgraafsel tussen vorst- & bedelaarsrestanten



wij lagen plat verdaan & week geblutst te duren dan
het weefsel in ons weefsel bij het weven ingewreven…

resten van ons die de luchten onderwijl in rode glans
besmeurden, zij streepten het licht uit in het bewolkte…

de woorden Xo, X1, X2,…Xn met de doffe blik op oneindig
als bladgoud op onze ademstijfte opgenageld, het gebaar

dat op zenuwtrekkende wijze poogde een blijken van eenheid
te bewaren, daar waar de ledematen slechts spartelden…

van allen wier oogopslag wij in bewaring mochten ontvangen
verwierpen wij node & bot van onmachtigheid de eindigheden,

het goedlachs aangebodene, waarvan de natuur/aard/genus alras
verbitterde tot een schamper honen van zichzelf, met gif in de gift, wat wij

bij elke stem of uiting mede zagen insluipen, een valser fingeren
in het alsof-vertoonde waarvan wij het subject wel plaatsen konden

als

een ietwat vetdruipende zelfverbranding met zwartwasige walmen
dat zich uitsloofde in het alsof om het alsof niet verder te hoeven

aanvaardbaar maken, de fictie van de melig-woelige zieleroersels
als een tot cellofaan opdrogend hete vochtenlaag, lak op het eendelijk,

tijdelijk stremsel voor de onafwendbare vloedgolf wemelende witlarven
die in een mum van tijd het wildvlees tot pulp, de zweerwonden schoon…

dat je het uitwikkelen zou, het de rozig geruitte, geplastificeerde
slagerspapieren afstropen & het onder ogen durven te zien, of je
bij de bloedgeur het verheffende in je metaforieke inspinsels wel
zou kunnen handhaven?

de opwaaiende bladeren een werveling die de sluipwinden zichtbaar maakt
in welks bewegen verankert zich in vergankenis den Mensch, menschelickst van allen
Mensch totte menschlickheit van d’eersten Mensch hervallen, ergo

  • wat wij verwezen naar het af, komt op:
    • de eenhoorn stijft zich aards & braaf op tot een gevleugelde penis te paard
    • in het verleden draagt de weg van het lijden aan het lijden haar lijdensweg op
    • de wereld barst in vette kraaien uit het barstje in je kop, een aanzwellende samenscholing zwart gebekketrek met aardwormen, het soort bedrijvigheid waarin zo meteen de wereldse gang in alle toonaarden losbarsten kan
    • als het schone aanbreekt zijn de vochten reeds zo goed als uitgestreken (de droogstelling van de kathedraalse esthetica)
    • de zintuigen pakken in (noisegating):
    1. het zien beperkt zich tot de notedop,
    2. de klank verdobberd tot een bloep in het slijkgolven,
    3. de geuren vergrijzen tot stank &
    4. wat je raakt heeft de neiging je terug te willen raken
    5. (hou je mond maar beter gesloten)
  • wat stinkt & druipt & rot vergaat, verstelt aldus het wapperhemdse rafelen tot een daad, kijk:
    • je grote teen begint al te verstandbeelden
    • de verenging van de luchtwegen verergert tot de lucht weg is
    • je wordt wakker met een deel ledematen in bijsluiterverpakking
    • je haaruitval wordt alom als definitief geprezen (verwezenlijk overigens nooit wat men in anderen bij benadering prijst (rayon 5, naast ‘net gemist’, die met de blauwe kaftjes) want dan heeft men niks meer om over te zaniken)


    [tusschen de vorm ende ’t gevormde, tuscchen de letter ende ’t gedruckte, tusschen de Plaet ende ’t geprintte de ledige leser in de voeten geworpen onafdrukbare zede-printen (Constantijn Huygens 1623-1624) ]

  • Advertenties