hadith van de maan


(4/4 bij een schilderij van Ilse Derden)

wij zijn verzwolgen al maar golven golven na
wij waren golvend licht ooit in de volle dagen
wij waren golven wij van wijde werelden weerga
en van diepe harmonieën uitdeinende galm

wij waren golven wij, winnaars in de kunst van falen
wij waren golven wij, hoeders van de aardse mal
wij waren golven wij, makers van het ene in het al
wij waren golven wij, met de eenvoud van het ware

wij zijn verzwolgen nu maar golven ons nog uit
wij spoelen nog de liefde af die in ons niet wou komen
wij zetten weer de wanhoop aan die niemand overwon
wij zijn verzwolgen ja maar in de golven golven wij

 

iderden
het schilderij van Ilse Derden
Advertenties

vloed


(3/4 bij een schilderij van i.derden.)

Het schrapen kriebelt in de keelwand.
Het schrapen vlokt aan tot vette kraai.
Aan prikkeldraad de stem bloedt open,
licht het rotte op, verlucht. De stem is.

Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik
eindig in een punt, nietig, in een puntig ik. Einde.
De stem heeft alle woorden in de klank vergooid.
Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik.

Sorry hoor, uw water komt niet ons aan de lippen.
Uw weelde raakt niet ons de stramme tong. Stof ja:
kunstroet. Uw verhalen verschralen tot kanteling.
Het heeft het gewonnen. Wij lossen op in vloed.

 

iderden
het schilderij van iderden

natte maan


Natte maan

 

In plassen zwart, verregend op het asfalt
zie ik het karige fonkelen. Het droeve glimmen
van het stille dat bewegen wil. Zwijgen zuigt
het zwijgen uit het zwijgen, vingers leggen

vingers op de snee en wrijven het bloed
uit in het wit van de wonde. Kaal huivert
een boom zich de bladeren af, duister
kust een mond het zwart in je oog. De leegte

mirakelt: tranen bergen tranen glanzend en
traag in de gaten. Zie. Het in. De diepe glans.
Het ganse deel. Waar je rafelkleed in oker
afklopt mijn verlangen. Waar het om je rokt.

 

 

1/4 gedichten bij een schilderij van i.derden

iderden
het schilderij van i. derden

lethe


id2007
ilse derden 2007 – zonder titel

de ogen scheuren zich van afzien af. de monden
braken afstand in hun spraak. de lippen
barsten open. de rimpelhuid verpulvert.

schroeizon schroeit gedurende millennia.
opgelakte stilte strak ten hemel opgesteven.

breuk. barst. goddeloze
overdondering.

bevrijd kabaal dat in de zinloosheid
der droge taalkanalen kolkt en stroomt.

de strik van stof
die rond het niets
haar niets hervindt.

het helder blauwe water dat ons,
verstomd en wezenloos, omspoelt: daar,

op die kusten, in die ribbels, op dat zand
zal nóg mijn woord uw naam verwekken

zal nóg mijn vers met felle gloed
de ijlst versneden bries van u tot U opwekken

zal nóg mijn laatste zin uw lijf verblijden
met de streling van mijn onbestaande

zee- en tijddoorschoten hand.