moment (126)


beeld: CB, 2016, zie Pimpelmeest
beeld: CB, 2016, zie Pimpelmeest

(voor cb)

het woord wordt wakker, beeld verhaalt een lijntje
lichaam wiegend op een fiets, schoudertje bloot (aan
mij komt geen dood) & vlug de lens krijgt lippen, likt
& slurpt & slikt & spuwt fotonen ter fixatie het kader

in. hans beschildert uitgezogen eierschelpen, velimir
verdeelt de tijd & georg wil de kleuren horen zwart is
hard & geel is veel & rood volmaakt & rond & groot. ik
smeer met paul de sliertenbodem algenduister uit. angst

glibbert tussen tenen! grijpend naar de blote enkels (op
je voetzool betastte ik mijn plan, mijn plan werd lijf
met sidderpret & glinsteroog & welvend zweet & spier
& sleutelmelodie), – stil nu kinders, stil! start de ochtend-

spraak: de dauw schenkt duizendmaal de zonnegloed &
daphne is mijn buurvrouw, okeren godin & maagd & hoer
want hoort hoe heilig zij verkouden haar oktober zingt.

Advertenties

moment (125)


werk van cb, zie http://www.facebook.com/Pimpelmeest
werk van cb, zie http://www.facebook.com/Pimpelmeest

(voor cb)

mijn stem is lucht verplaatst door zwarte vogels, mijn
oog betast het spinrag in de hagen, de rood omrandde
wolkjes slippen toe, gedaante naast gedaante, toe tot dek.
genadig is de herfst: her & der barmhartig rot grijpt bomen

& de zomer stuiptrekt, ligt vol gaten. slijmerig tentakels
uit de vette aarde omzwachtelen het holle in mijn huid. het nihil
van de treurnis druipt letters op het macadam die dadelijk
tot vlek vervagen. spichtig nog wat zonnestralen zoeken glas

om zich tot bloedens toe een weg te banen naar het oker
der maan. maar ook de uil is heengegaan. ik, mummie
in de tombe, ik sijpel weg. het graf naast mij is leeg. de
gliefen vurig in het donker op de natte muren vertellen

ons verhaal alsof herhaling na herhaling niets tot iets
vertalen kan. ooit & ambitieus een wonderkind ontbloot
mijn borst. kraaien zwermen uit, verslinden dan de aarde.

moment (124)


weerk van cb
werk van cb

(voor cb)

ik word bevraagd. een ijsschots zuidwaarts drijvende
zeg ik dan, alsof de antwoorden niet op elke muur te
lezen staan. daarop een leeuw met klamme klauwen.
het noorden kwijt, smeltend, rillend, leeuw & schots

ben ik, zeg ik omdat hun oceaan uit woord bestaat met
wat getallen zout. er is de mist waaruit ik prooien knip.
een vrouw, aandoenlijk schoon & triest omdat haar stem
slechts echo’s kent, schiet vanop een witte walvisboot

harpoenen. haar pogen teder mist de diepte van haar ogen
waarin ik jou herken, rillend, smeltend, noordwaarts van
de andere pool. de vrouw wordt lichaam eerst, dan oceaan.
ze vraagt nog ‘sterf ik dan?’,  ik zeg ‘een beetje maar’ & ik

schenk haar onze treurzang der sirenen. wederom word ik
bevraagd, alsof er nog een ijsschots was met kleumleeuw
& mist rondom. wat ’n mooie schouders heeft die therapeute.

moment (123)


werk van Pimpelmeest (cb)
werk van Pimpelmeest (cb 19/9/16)

(voor cb)

flarden witomrand de wolken drijven in de wolken
over & sluiten uit de verte in het duister van de ogen.
ik bekijk de ochtendmechaniek, zie hoe dauw & kilte
op mijn huid een rilling tekenen. er wordt geaarzeld

of treurnis weer de dag zal kleuren binnen zandsteen
ordentelijk gezaagd, gestapeld, laag op laag, het soort
fatsoen waarmee de lijken liggen in het massagraf. nijd
& angst in slierten slijm druipen uit de praatholte der

gevangen vrouwen. mannen slurpen sloten koffie zwart.
binnen vlucht onder het daverend applaus van halm & kei
de hoeder van de stem. een kinderlijfje kleeft in de spreidstand
van geplette mug op het pastel der kamermuren. stil,

erkentelijk, haal ik gezangen boven, mijn bed is
zee van spraak & torenhoog ik verhef mij in de
herinnering: hoe wij de wolken waren, witomrand.

moment (121)


cb67(voor cb)

een ogenblik is geen moment. het,  het moment vindt
plaats waar ogen zich sluiten. artichoc, hartsgedaver
liefde diep in de liefde, de, een iteratief van daad, dader
& dagelijks dat weet je de zon komt op, welk kwaad

kunt gij mij dan verwijten?  lekker is wat lekker is.
de droom van zijn is mij ontnomen, het zwart dat
ik als negatieve god omarmde. & wat dan nog? niets
ben ik vergeten, niets heeft nooit meer dan nu, nu, nu

bestaan. ik lik je lippen, maak een jou van jou, verwoord
je tot een zekerheid, vaste grond waarin ik bloeien kan.
zie mij: bloem voor jou,  wiegende met ettelijke kelkjes.
zacht & oorverdovend ben ik ik, ik weet het. dat komt

omdat geen oor mijn zwijgen hoort & alles vergaat
in het niemandsland waarin mijn strelen verstilt
omdat er stilte nodig is in de drukte van het strelen.

 

moment (120)


cb66
werk van CB

(voor cb)

“E’ mi par d’or in ora udire il messo
che madonna mi mande a sé chiamondo
cosi dentro e for mi vo congiando
e sono in mon molt’ anni si dismesso,”
Petrarca 349

ik? mij zelf? ik zie mijzelf niet meer. een flits
ontlading in een zweem verlangen. wie ben ik?
stempelkussen van jouw huid, mijn stem is groeve,
muziekspiraal, een wimpel liefde in de wind.

zeg mij dat de dagen in één dag zich sluiten, gang
van hier naar nergens, rode zon die zont in eigen gloed.
samen nog wat diertjes kijken, misschien, jij zingt
hoe schoon het leven is,  ik prijs gedwee de gunst

dat ik mag sterven, tam trommelt zo de droeve trom.
& er is kermis, carrousel, want iedereen is vrolijk,
lacht omdat ik jou verlaten heb. de nacht is feest
& angst & pijn & leuk hoe alles dan zichzelf herkent.

dan wil ik je zoenen, langzaam, lippen eerst
& dan je tong die niet meer spreken mag of kan.
een rilling in je schouders dan, die zegt dat ik jou ken.

er


Er is geen god die hier voor ons bestaatburundiwich.
Er zijn geen wetten die ons leiden kunnen.
Er is geen vijand, geen duivel die ons haat.
Er zijn geen woorden die ons redden kunnen.
Er is leed dat wij met wrok verdunnen.
Er is spijt, verdriet dat wij niet willen.
Er is weelde die wij nu verspillen.
Er is schoonheid, diep in de lelijkheid.
Er is een zucht die taal doet verstillen.
Er gaat aan ons voorbij, haar dode tijd.

DAPHNE (werktitel) is een reeks van 449 dizains, een hedendaagse herschikking van de Délie van Maurice Scève, een werk, verschenen in 1544, dat op haar beurt veelvuldig verwijst naar de 366 canzioniere (del vario stile) van Francesco Petrarca’s grote Liedboek. Een dizain, in de strikte vorm die Scève (en ook ik nu) hanteerde, bestaat uit tien verzen van tien lettergrepen in een vast rijmschema (ababbccdcd)