of/of (5)


Roept luide allen dat ik schuldig ben aan arrogantie, zelfoverschatting en blinde verwaandheid! Tag mij in elk netwerk met die termen en als een mager damhert met rake pijlen in de kont zal ik mij kermend nedervlijen en deze, mijn allezieligste bekentenissen afkondigen aan de mij dan schielijk ontvriendende massa.

 

fernande1.jpg
dv 2018 – “Fernande #1”

Het is maar al te waar! In mijn wolk van glinsterende waan heb ik het gewaagd de weerloos dode Kierkegaard in staat te achten om een overbodig stuk tekst in zijn werk te hebben achtergelaten, een deeltje waarvan ik dacht ach ja dit is dit en dat en zus en zo en omdat nou eenmaal toen en indertijd…ach, kom dit slaan we over want het is om niet.

Wel euh….

Mooi niet. Nauwelijks 20 bladzijden verder dan het punt waar ik het opstel ‘De Weerspiegeling van het Antieke Tragische’ had gelaten voor wat ik dacht (sic) dat het was, een epaterende boutade die de heersende klasse der academische estheten met glans in eigen vet deed sudderen (dat doet het ook, maar ach, leest verder), nog geen twintig bladzijden verder na die onvergeeflijke miskenning van het dwingende in de voortgang van de schriftuur van – ik moet het nu wel grif toegeven- mijn meerdere, word ik terug gefloten als een koel poëet in boxershort, een blonde workshopkiek met blitse dijen, een op de subsidieweiden grazend stuk onbenul met lange oren en een tot veelgatige Goudakaas geknipte staart.

Het volgende stuk, ‘Schaduwbeelden’ is een gefingeerde toespraak aan het al even fictieve gezelschap van de ‘Symparavekromenoi’, de ‘mede-afgestorvenen’, de ‘vrienden van het leed’. In een recursie van de ironie vindt de ironicus het meest ironische als de diepste ernst terug die er de oorzaak van was dat hij, en de ironie met hem, op zichzelf terugviel, niet anders kon dan lachend verworden tot een pose van het lachen om de pose die zij en hij met haar aan de zoeker van het ware en het schone had opgedrongen omdat deze te laf was om de sprong te wagen van het geloof dat hem oversteeg, letterlijk zijn verstand te boven ging. De auteur wil dit aantonen door met de hem eigen trefzekerheid bij herhaling te landen op een eerder gemaakt punt, ik lees en zie het punt, weet en besef tot in mijn meest gebezigde tikvinger dat het niet anders zijn kan dan een herneming in het zorgvuldig opgebouwde gemeengoed van de schrijver en de lezer, de gedeelde leesherinnering,  de tweede meest vertrouwde intimiteit die er tussen twee mensen kan bestaan, een meer geestelijke vorm die misschien minder tot genot van een van beiden strekt maar ten minste een der partijen toch de verzekering van de mogelijkheid tot herhaling kan bieden, iets waar je in bed schrijvenderhand wel kan prat op gaan, maar waarvan niemand enige garantie in de ontvankelijkheid van de ander kan leggen, laat staan hard maken.

Is het niet ironisch dat ik als een blinde trap in deze val? Dat het voorafgaande ‘betoog’ niet meer, maar vooral niet minder was dan voorspel tot de sublieme entre-acte met de toverlantaarn? Dat deze regisserende auteur zijn doortrapt publiek door en door kent, zodat hij hun afdruipen en met de staart tussen de benen terugkrabbelen al ontvangt door te wijzen op alle andere mogelijke verschillen tussen het antieke en het moderne drama, buiten het ene evidente dat het moderne drama een leesdrama is, dat dus ook herlezen kan en herlezen moet worden?

Hou ik niet om soortgelijke redenen, ook jullie jarenlang in spanning al omtrent de avonturen van de genaamde Anke Veld? Wil ik niet al schrijvende betogen dat ik niet het werk en jullie maak, maar jullie mij en mijn werk een vorm van mij die geheel de uwe is? Sterf ik niet een eendere dood als gij mij steekt,  if you poison us, do we not die? 

Ach lieve lezeressen, wees niet te streng voor mij: dezelfde hitte die de immer schone rondingen van uwe lichamen gevangen houden in een naargeestig web van geïrriteerde onaantastbaarheid en hoogst hinderlijk geurend zweet, drijft mij ook in mijn lectuur tot een haast die niet conform is met de grandeur van uw verlangens, het diepe koele meer dat in uw sterrenogen lonkt.

Ik faalde jammerlijk en wou te snel vooruit wanneer terughoudendheid en trage reflectie aangewezen was. Hoe zou het dat een meester als Kierkegaard zijn lezeressen, die waarlijk niet voor jullie, niet in schranderheid of geestsouplesse, noch in lichaamstover en gratie moesten onderdoen, hoe zou hij het hen willen aandoen om een betoog van 23 gedrukte vellen ter lezing te presenteren als het was om niet?

Mooi niet. Ik grijp, met uw goedvinden, lieve dames, dus terug in wat ik stout een stiekem gedeelde handeling met u wou noemen nu, onze lezing van Of/Of, een onbesproken samenzijn van u en ik, de arme verwaande die dingt om uw gratie, uw betonglipt lachje en uw like: ik grijp uw handje dat sierlijk al op de verre pagina 203 te midden ‘Schaduwbeelden’ de geneugten streelde van het gereflecteerde leed en leg het zachtjes neer terug op pagina 153 waar een diepe mannenstem, niet geheel ongelijk aan het ooit doorrookte en met lust bezwangerde ruisen uit mijn larynx het betoog waarin wij zo publiekelijk geheim samen verwijlen, verderzet met de woorden “Als iemand zou zeggen: het tragische blijft toch altijd het tragische,…”

Evenwel, om toch enigszins deze ellendig jammerende amende te amenderen en vermits ik toch al onverhoeds een blik mocht werpen, vooruit op een uit de bossen rond het Spaanse klooster nederdalende totaal ontredderde Donna Elvira, slachtoffer nummer 823 van 1003 van de harteloze Don Juan op het nu daarbuiten verzengende Iberische schiereiland, wil ik jullie toch al enige koelte reiken op de tong, met deze frisse haal in een haiku naar het beeld dat de meester uitvoerig schetst van deze scène op de pagina’s 202-203 (ja leg maar effen al jullie vingertjes op de boeksnede daar, het is ondraaglijk heet nog steeds en dus nu vast wel ook door jullie echtgenoten toegestaan)

DONNA ELVIRA

De bomen schudden.
Het bos ontwaakt. Elvira
snikt, en daalt, en daalt.

lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

wij allen, enkeling (of/of 4)


In ‘Kierkegaard’, het posthuum uitgegeven deeltje van de reeks ‘Monografieën’ van Kok Agora / Pelckmans schuwt Bernard Delfgaauw de grote terts niet om zijn inschatting van het belang van het werk van de productieve Deen duidelijk te maken:

“Mijn persoonlijke overtuiging is dat deze schrijver nog steeds (ook door mijzelf) onbegrepen is, en tevens dat hij meer dan wie ook het denken van de volgende eeuw zal beïnvloeden, meer dan Kant, Hegel of marx, meer dan Heidegger of Wittgenstein.”
(Bernard Delfgaauw, Kierkegaard, ISBN 9028918191, p.39)

Het lukte Delfgaauw net niet om deze essays nog bij leven uitgegeven te krijgen, maar hij had er veel voor veil, om niet te zeggen dat hij er in het zicht van de eeuwige dood als gerenommeerd kenner van de hedendaagse filosofie er zijn geld durfde op zetten dat deze eeuw een Kierkegaard-eeuw zou worden.

Nu ja, de 21ste eeuw is ondertussen ook al Deleuze-eeuw geweest, en Foucault-eeuw en Sellars-eeuw en een wie-hebben-we-zo-nog-eeuw. Een Trump-eeuw is het eerder, misschien? of de eerste en laatste halve eeuw? We weten het niet, gelukkig maar en laat ons dat soort nonsens maar daar afsnijden waar het te komisch wordt, of te triest.

Schrijven op leven en dood

Want het is geen koers è, het schrijven of het denken, en momenteel zijn we gezien het grote intellectuele débâcle alom vooral allemaal dikke verliezers. Met doldraaiende groei-geobsedeerde bedrijven als universiteiten, stelselmatige en streng-visieloze politieke cultuurafbouw, populistische verkettering van alles wat zelfs maar de schijn van een gefundeerde mening of intellectuele onderbouw heeft en een totaal ingestorte Disneyversie van wat ooit de ‘Republiek der Letteren’ werd genoemd mogen we al blij zijn dat er in De Sleghte toch nog een kwart rekje Klassieke Literatuur resteert (begin dit jaar was het nog een half rekje, in Leuven).

En met schrijven op internet verdien je niks dus …

Soit. Het Deense woord voor schrijver, auteur is ‘forfatter’. Het komt van het Middel-Laag-Duitse ‘vorvaten’ waaruit later ook het Duitse ‘Verfassen’ is gegroeid. Meer dan ons ‘schrijven’ legt het Deense woord de nadruk op het gerichte maken, het bewuste samenstellen, de compositie en minder op het handwerk, de donkere vingers.
Onze ‘schrijvers’ die doen nog wat. Op hun blote reet in een fauteuil liggen ter promotie van het nieuwe prefab-bundeltje, bv. Maar neen, serieus, in de Lage Landen blijft het handwerk, zo’n woord doet echt wel iets met de perceptie van de functie die het benoemt.

Nu, het auteursbegrip is bij Kierkegaard, net als bij Yeats overigens, een Yeats die echt ‘auteur’ wil worden genoemd, die ook de autoriteit van een auteur betracht heeft en bereikt, toch ook weer licht anders, daar, bij beide schrijvers is het auteurschap een live-or-die begrip.
Leven = schrijven voor deze dode mensen, niet meer maar vooral ook niet minder dan dat. Ik begrijp hen volkomen, wat dat betreft. Zij schreven misschien om de meest diverse redenen, nu eens om een liefje in bed te krijgen, dan weer uit wraak of wrok op een vader, dan plots omdat het Vaderland dat van hen verlangde: whatever.

Maar al die motivaties dienden slechts om de onmacht te verhullen die er achter schuilde: zij schreven uit noodzaak, omdat ze niet anders konden, omdat ze eigenlijk al als dode letter geboren waren en enkel hun leven voor zich uit zagen gespreid als een te beschrijven weg, een parcours doorheen het oneindige veld van de mogelijke geschriften. Die onmacht is uiteraard ook hun kracht, hun gebrek aan alternatief dan die ene weg van het schrijven is hun grootste rijkdom. Het kan mij, het zou niemand moeten kunnen verbazen. Het auteurschap, zo blijkt uit al mijn onderzoeksresultaten tot op heden is geen recht voor deze schrijvers, het is een plicht, een lot, een fatale roeping.

Zo staat het ook in de Annalen van de Neue Kathedrale des erotischen Elends ingeschreven (voor die Annalen: neemt allen uw geugle tekstinvoerspleet , typt ‘Kathedraalauteur’. voegt er voor alle zekerheid misschien nog ‘Vilt’ bij of ‘Vekemans’ en duwt op ‘enter’): auteur wordt je niet, je bent zo geboren en de functie, een Mission Impossible, should you chose to accept it, is er een voor het leven. Het staat u ook vrij om te weigeren en te sterven natuurlijk, die deur is altijd open.

Aldus ook bij Yeats en Kierkegaard. Ik kies die niet zomaar è, toeval is iets voor nieuwslezers, daar staat alles wat ze moeten lezen ‘toevallig’ op de autocue.

Dat maakt hun auteursbegrip natuurlijk ook ontzettend complex want het is voor hen en voor ieder die hen doorgronden wil het centrale knooppunt in heel hun denken, het Rome waar alles vertrekt en alles ook weer toekomt .

auteursknoop
dv 2018 – ” de ‘auteursknoop, of  een vlugge schets van het gignomenologisch STOP-model gezien vanuit het perspectief van de auteursfunctie. Kierkegaard zet alles in op de subjectieve pool, een ideoloog als Marx ziet zijn schrijven als ‘langere termijnwerk’ in functie van de revolutie, andere auteurs projecteren hun functie op het religieuze Ideaal of op de abstractie van de Autonome Rede (Hegel), nog anderen zien in hun activiteit niet veel anders dan een voortgang in de objectieve kennisverwerving en je vindt altijd nog wel een LANGUAGE poeet die zich tevreden stelt met de materialiteit van de code zelf. Het is een vlugge schets è, maar ge ziet hoe ongelooflijk krachtig het STOP model is als epistemologische categoriseringengenerator. Gepikt uit de Tao natuurlijk, die vijfledige structuur :-)

Ik haal dat hier effen aan omdat of/of, het Kierkegaard-programma natuurlijk past in het ‘auteursonderzoek’ van de Kathedraal, een programma dat richting wil geven aan de opmaak en de invulling van een hedendaags auteursprogramma en dus al doende misschien enige vage noties als antwoord zou kunnen waarneembaar maken op de vraag welke functies een hedendaagse auteur zoal kan vervullen.

Ik stel het zo voorzichtig omdat zelfs met al die omhaal zulk een onderneming uiteraard verschrikkelijk ambitieus is en quasi geen enkele kans op slagen heeft. Maar de NKdeE is nu eenmaal een programma dat het Onmogelijke zoniet waar dan toch al denkbaar wil maken.

De tijden, zij zijn veranderd, mijnheer

Nu zijn er denkelijk sinds de tijd van Kierkegaard en later die van Yeats vier ingrijpende veranderingen in de globale toestand der menschen waar te nemen die dermate objectief zijn dat ze niet echt tot het intellectuele leven als dusdanig behoren en die vier gebeurtenissen zijn denk ik dus te duiden als voldoende ‘extern’ aan het auteurschap om ze als veranderde expressiegrond te lezen waarop het concept van de ‘auteur’, de auteursfunctie als beweging zich is beginnen uitdrukken.

U merkt terecht op  dat er zich een zekere bipolariteit in mijn bewoordingen begint te voltrekken tussen de functie als beweging enerzijds en de uitgedrukte functie, de expressie ervan in het expressieveld anderzijds. De Deleuziaanse ondertoon daarbij is onmiskenbaar, Deleuze is en blijft een expressionistische Spinozist, het virus Vekemans dat in dat kluwen huishoudt is verder zwaar drachtig van de Tao, maar het blijft een semi-rationeel mensgericht denken, hoe E.T. het verder ook moge klinken.

Het menselijke denken is nu eenmaal binair bepaald, daar is geen ontkomen aan. We denken steeds in of/of en Deleuze mag daar tien keer en/en van maken, dan nog is die welsiwaar correct corrigerende en-filter slechts een kleurlaagje voor het felle licht van de immer Splijtende Rede, God’s Diaresis, een Divine Roede die de aarde en haar kruipsels geselt tot ze blaken in het Licht van zijn Zijn.

Diezelfde splijtoperatie levert de vier gebeurtenissen op die het auteurschap noodzakelijkerwijze zullen gaan bepalen nà Kierkegaard en Yeats. Ik drop ze hier effen zodat ze kunnen zinken in de smurrie van het u Toekomende Denken, een heel Vies Beest als ge het mij vraagt, maar dat ga je niet snel doen denk ik, want dan krijg je dit soort schier eindeloze uitleg op je brood.

Een lijstje van wat er fundamenteel veranderd is dat een externe invloed kan hebben op enig auteursbegrip:
– Hiroshima, of de tastbare finaliteit van de mensheid in eigen handen, zelfs
– Auschwitz of het failliet van de Verlichting
– de cybernetica, de IT en de mogelijkheid van een AGI
– de onstuitbare, autonome en suicidale Rede van het Kapitalisme

Lijstjes zijn handig soms.

wij allen, enkeling

Wat Delfgaauw in dat boekje ook voortreffelijk doet is het duiden van het concept van ‘den enkelte’ , de enkeling, bij Kierkegaard. Voor K  geldt: waarheid=subjectiviteit, maar dan niet de sunbectiviteit als dat wat de objectieve wetenschap probeert van alle feiten af te krassen om tot een algemeen-geldendheid te komen.

Kierkegaard is een Kathedraals denker in die zin dat hij al het top-down denken verfoeid omdat het vervalsend werkt en reducerend. Het ware is altijd specifiek, particulier, individueel en enkel wanneer het individu zich volledig als eenling als singulier persoon kan uitdrukken komt de mens tot volle ontplooiing. Ik herhaal hier maar flauwtjes het toch wel erg lucide ‘onbegrip’ dat Delfgaauw van Kierkegaard ten toon spreidt, omdat meer ook niet aangewezen is: Kierkegaard dien je niet te consumeren en samengevat weg te zetten in je culturele bagage, de geschriften van deze rasdenker dien je rustig te lezen en mee te denken, zodat je tot een Kierkegaard-beleving kan komen, een waar genot moet ik zeggen, nu al, nog slechts enkele honderden pagina’s beleefd te mogen hebben.

Wat je dan wel dient te ‘weten is dat het kernbegrip van de ‘enkeling’ het hele auteursbegrip van Kierkegaard bepaalt ook. Op die manier verklaart de titel van dit stukje zich echt tot een command prompt, want het geeft aan ieder die dit leest te verstaan dat wij allen ‘auteur’ dienen te worden in de zin van ‘enkeling’, dat iedereen het onvervreemdbare recht heeft om zich te emanciperen tot een eenling die als gelijke met de anderen participeert aan het Grote Tekstverloop in het Gebeuren, hier in deze kleine enclave van relatieve traagheid en ‘humane’ zinvolheid in een verder volstrekt onbegrijpelijk universum.

Maar om die executieve code naar behoren te kunnen lezen hebben we nog een hele wag te gaan in dit langs alle kanten rammelende ‘auteursprogramma’ waarvoor vooralsnog geen deftige compiler voor te vinden is, laat staan een operating system met voldoende resources om het te runnen.

Die laatste zin, overigens en als uitsmijter voor deze feesteditie van of/of maakt meteen duidelijk waarom dit soort schrijven niet in het Engels kan, een taal die hopeloos gecorrumpeerd is door volstrekt inefficiente object-georiënteerde, en nodeloos ontologiserende code.

Delfgaauw heeft een nefast effect op de productie van haiku’s, dus heb ik er een etmaal laten overgaan om deze aflevering van of/of met een  Ferreriëske strandscène als passe-partout af te sluiten

La ci darem la mano

strandwaarts reppen zich
de tuimelende golven:
de zee komt aan land.

 

 

lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

of/of (3)


 

pamphlet.jpg
dv 2018 – “asemic pamphlet calling for action against the terrifying increase of prostitution in the arts of ever younger gestures (to further the cause deposits can be made on my IBAN account BE22 7340 2968 5847 BIC KREDBEBB)” – bister, crayon & chalks on Source paper A4 – €22,49

Noot betreffende dit tekstuele gebeuren: Ik heb over Kierkegaard ook alleen maar wat Wikipedia en het boekje uit de reeks ‘Kopstukken uit de filosofie’ gelezen, en van hemzelf enkel vluchtig ‘De Herhaling’, dus een ‘kenner’ ben ik zeker niet. Maar het boeit mij dus ik lees graag verder, samen met u, als u dat wil en zo u mij het getater erbij vergeven kan. De lezing is een ‘Kathedraalse lezing’ wat inhoudt dat ik al lezende de Neo-Kathedraalse elementen uit het gelezene uitlicht en hier ‘afschrijf’, zoals je een investering afschrijft in uw bedrijf.

 

*
*    *

Kierkegaard’s A hanteert een dichotomie geest-zinnelijkheid waarbij de geest haar onmiddellijke (niet-gemediëerde) uitdrukking vindt in de taal en de zinnelijkheid in de muziek (van Mozart). De taal wordt ‘klassiek’ (zuiver, perfect) als expressie van de geest als alle zinnelijkheid eruit (klank, uitspraak, signifiant) eruit lijkt te verdwijnen als de toegesprokene/lezer enkel de geest bij monde van de schrijver/spreker waarneemt.

De ‘taal’ van de muziek is klassiek-perfect als de beweging ervan samenvalt met de beweging van de begeerte (die is dan zoekend-dromend-begerend in haar drie stadia, een pure Hegeliaanse Aufhebung.
Het ‘onuitsprekelijke’ van de zinnelijkheid/muziek is een gevolg van de onuitsprekelijkheid van de beweging omdat de loutere zinnelijkheid enkel kan worden opgehouden door de zinnelijkheid van de taal.
De Geest beweegt niet, de geest is, dus taal is geen mortificatie ervan want de Geest is een Ding (een soort eeuwig superding). Dus hoe fijnbesnaard hij ook de zinnelijkheid in haar bewegen weet te beschrijven, zijn bewegingsgevoeligheid houdt op als het terrein van de geest betreden wordt.
De Geest, door haar incarnatie in Christus ‘veroorzaakt’ wel de beweging van de zinnelijkheid (God als onbewogen beweger, het goddelijke in ‘agambiet’ bepalend Binnen buiten het humane), het Christendom verzelfstandigt de zinnelijkheid op een manier die het ontstaan van de muziek mogelijk maakt (volgens K.’s A is er geen sprake van muziek bij de Grieken ofzo, de muziek is ontstaan in de ME dankzij het Christendom. tja, pech è, sullige rest van de wereld).

Dit alles ligt vervat ergens op p.87 in het origineel, p.103 in de vertaling, waar hij zich beklaagt dat het tweede stadium van de zinnelijkheid, verpersoonlijkt door de figuur van Papageno in De Toverfluit, niet in woorden te vatten is:

“Het is te onmiddellijk om in woorden te worden vastgehouden. […] Men zou mij kunnen tegenwerpen dat het überhaubt onmogelijk is om iets onmiddellijks uit te spreken. In zekere zin is dat ook volkomen juist, maar om te beginnen vindt de onmiddellijkheid van de geest haar onmiddellijke uitdrukking in de taal, en voorts blijft die, voor zover er zich door het toetreden van de gedachte een verandering mee voltrekt, toch wezenlijk dezelfde, juist omdat ze bepaling van de geest is. Hier daarentegen gaat het om een onmiddellijkheid van de zinnelijkheid, die als zodanig een heel ander medium heeft, waarbij dus de wanverhouding tussen de media de onmogelijkheid absoluut maakt.” (ISBN 978 90 8506 4787, p.103)

De ‘gedachte blijft wezenlijk dezelfde’ bij Kierkegaard omdat de gedachte gedacht wordt als een ding, een iets dat een identiteit heeft, een geheugenplaats, een pointer. De gedachte is en blijft voor K ‘bepaling van de geest’. Dezelfde fictie van het ding als in het object-georiënteerd programmeren, dezelfde fallische ‘betekenaar’, dezelfde illusie die er oorzaak van is dat we op deze manier nooit een kunstmatige intelligentie zullen kunnen vatten, laat staan er een ‘maken’.

Want de gedachte is geen ding, het denken is niet, het denken gebeurt. Je kan op een gedachte ook niet terugkomen, je kan een gedachte niet ‘echt’ herhalen, de herhaling herhaalt enkel zichzelf, een subsisteren van de fictie van het existeren.

En in de zinnelijkheid is er enkel beleving van de zinnelijkheid, een gebeuren, een beleving die wij willen afzonderen van het de beleving van het denken omdat ons dat nou eenmaal goed uitkomt, want dan kunnen we de zinnelijkheid ‘vrij’ laten, dan kunnen we zelf ‘vrij’ zijn en voor het overige toch de fictie van de rationaliteit hoog houden, dat we echt wel rationele wezens zijn.

Maar de mens is geen rationeel wezen, al was het alleen maar al omdat het sowieso al geen wezen is: de mens gebeurt.

Zie je: er is totaal niks mis met de dingen en het feit dat ze voor ons noodzaak zijn, dat we de dingen en het zijn nodig hebben om te functioneren. Waar het mis gaat, waar het soms faliekant maar vooral altijd vermijdbaar mis gaat is daar waar we beginnen te denken dat de dingen echt bestaan en dat we ze kunnen hebben, of godbetert dat we zelf een ding kunnen Zijn.

Er is niks mis met fictie, omdat fictie – en de Rede is een soort hyperfictie –  uiteindelijk het enige is wat we hebben, we hebben de fictie ook broodnodig. Maar je mag nooit ofte nimmer vergeten dat het fictie is, anders krijg je vroeg of laat fatale klappen van het Echte, van het Gebeuren Zelve….

*
*    *

Op de volgende pagina wordt in wat A zelf een parenthese noemt, duidelijk waar voor A (en vermoedelijk ook voor K ) de grens ligt. Er wordt gerefereerd naar het gebruik van muziek als een middel dat kan worden ingezet om krankzinnigheid te genezen.

Ik citeer deze parenthese omdat nergens het beeld van het bewustzijn dat een auteur heeft duidelijker te zien is dan in zijn commentaar op een ‘ziek’ bewustzijn. Dan kan de auteur immers alle voorzichtigheid laten varen en recht voor de raap vertellen ‘hoe het zou moeten zijn, hoe het hoort te zijn’. Het is precies deze ‘ought’ die volgens rationalisten als Negarestani in hen typerende sloganeske passages voortdurend verward wordt met wat het ‘is’. Dat klopt ook denk ik, die kritiek, enkel: het zijn is net zo goed een fictie als het ideaal. Negarestani verlegt terecht de kritische grens van “het is zo omdat het zo hoort te zijn” naar het uitgezuiverde “het is zo omdat het niet anders kan zijn” . Maar dat is ontoereikend. Het is niet zo omdat het niet anders kan maar omdat het zo gebeurt want het is helemaal niet. Als het niet anders kan en toch gebeurt het niet, dan schort er wat aan het zijn en niet aan het gebeuren. Je zal zeggen, maar wat win je toch met heel die anti-zijn hetze? Het antwoord is reuze evident en tweedelig :
–  je wint alle mogelijkheden van het niet-humane dat je in het gebeuren wel niet kan vatten omdat het buiten het bereik van het technische zijn valt, maar wel kan beïnvloeden, omdat het gebeuren zelf wel waarneembaar is
– je wint aan klaarheid omdat je het gebeuren dat in wezen altijd simpel is doelgericht en efficient kan scheiden van de complexiteit van het technische zijn, een complexiteit die in de expressie zit en dus transponeerbaar / translateerbaar in de perceptie en dat vooral ook berekenbaar is, dus het is complexiteit die je met gemak kan overlaten aan de (quantum)computer…

Maar goed,  K’s A dus, over muziektherapie:

“Men heeft muziek gebruikt om krankzinnigen te genezen: men heeft ook in zekere zin zijn doel bereikt, en toch is dit een illusie. Als namelijk de krankzinnigheid een mentale oorzaak heeft, dan is die altijd daarin gelegen dat het bewustzijn zich op een of ander punt verhardt. Die verharding moet overwonnen worden, maar wil ze overwonnen worden, dan moet men precies de tegengestelde weg volgen aan degene die naar de muziek leidt. Maakt men nu gebruik van muziek, dan bewandelt men precies de verkeerde weg en verergert men de kwaal, ook al lijkt de patiënt van zijn krankzinnigheid genezen.” (ISBN 978 90 8506 4787, p.104)

Ik waag mij hiermee vanwege mijn zo goed als totale onwetendheid op zeer dun ijs, maar mijn hals is toch niks waard dus nihil obstat. De passage zal bij menig lezer, denk ik, als uiterst duister overkomen. Nu heb ik wegens mijn doorgedreven praktijk van het eigenhandig redigeren van eigen teksten wel wat ervaring met ‘duistere passages’: dat zijn negen op de tien passages die getuigen van duister en dus fout  denkwerk of van wegmoffelwerk. Wel ik vermoed hier bij onze A toch iets van die aard, en de denkfout zit ‘m medunkt in  het al te letterlijk doordenken op de gebruikte metafoor.

We gaan er Kierkegaard niet van verdenken dat hij als psycholoog er eentje is van het karikaturale 19de eeuwse typetje met de schedelboor. Als hij dus spreekt van een ‘verharding’ is en blijft dat beeldspraak: de denkwegen zijn ziek, stram en niet meer soepel, dat soort ‘verharding’.

Maar toch: wat doet de muziek dan met die verharde wegen? Wel, net voor deze passage wordt gezegd dat de muziek het bewustzijn verlicht omdat het boze gedachten kan verdrijven. Deze boze gedachten zijn het dan allicht die de krankzinnigheid verklaren die optreedt naar aanleiding van de ‘verharding’. De muziek ‘omspeelt’ en omspoelt dus blijkbaar deze boze gedachten en de onderliggende verharding. De muziek geneest omdat ze de symptomen wegneemt (de boze gedachten) , maar ze laat de oorzaak intact, namelijk de ‘verharde wegen’.

Kierkegaard neemt dus geenszins de verharding letterlijk, maar de denkwegen klaarblijkelijk wel, want die kent hij een bestaan toe, los van de boze gedachten. Foei Søren toch, denk je misschien, maar ik vraag mij luide af in hoeverre hedendaagse psychologen niet op soortgelijke wijze de inhibitie een ‘bestaan’ toekennen los van de gedachten zelf, en van daaruit met monsterlijk destructieve medicatie het ziekelijke ‘obstakel’ te lijf gaan. Hoezo zou een door muziek genezen patient slechts schijnbaar genezen zijn als zijn gedachten terug de weg van de beweging en de openheid hebben gevonden en niet verder de oude ‘wegen’ volgen van de destructie en de mortificatie?
Omdat die er nog moeten ‘zijn’, misschien? Maar er moet helemaal niks en zeker niet zijn.

Aldus wordt menig krankzinnige gedwongen om het comfort van zijn waanzin te ruilen voor een waanzin die werkt zoals het hoort, want het is wat is, toch. Laat mensen toch gebeuren zoals zij zich laten gebeuren willen en zet enkel hun gebeuren op een spoor dat wegloopt van de dood in plaats van er recht naartoe!

Maar bon, soit, ook dit is slechts, zoals bij Kierkegaard, geheel terzijde.

DE BOER VAN HORATIUS*

Rustig staat de boer
te wachten tot de rivier
klaar is met stromen.

 

—> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

 

*op deze bladzijden citeert Kierkegaard ook uit de Brieven van Horatius “rusticus exspectat, dum defluat amnis” (Epist. I,2 v.42): “de boer staat te wachten tot de beek nu eens eindelijk uitgestroomd is”, een ready-made haiku if ever there was one, maar het illustreert bovendien ook treffend Whitehead’s ‘fallacy of misplaced concreteness’ dat eigenlijk het leitmotif is van dit getater bij Of/Of van de meesterlijke Deen

of/of (2)


bloedmaan.jpg
dv 2018 – “bloedmaan” – bister,crayon en krijt op Bronpapier – A4 – €22,94

Bij gebrek aan god kunnen we geen categorieën van godsbewijzen meer presenteren, rijkelijk gespekt met uitgewerkte voorbeelden. Spijtig toch, want dat was best wel amusant en zeer stichtend voor het redeneervermogen van zowel het schrijverken als het publiek dat in die schielijk vervlogen tijden ook nog de tijd had om zich in het geschrevene langdurig te vermeien.

Maar niet getreurd:  we kunnen wel andere stellingen gaan bewijzen op lekker soortgelijk indeelbare wijzen. Zo de NKdeE-stelling aan de basis van het Neo-Kathedraalse Dogma dat ‘alles komt op zijn tijd’. Hierna volgt dus, ook al als uiting van mijn niet-aflatend exemplarisch activisme een non-filosofische bewijsvoering van het genoemde NKdeE-dogma met een slot dat zich triomfantelijk-Derridesk het randje sobertjes met de getuite lipjes naar binnen toe plooit (ik gebruik de term ‘non-filosofisch in Laruelliaanse zin, uiteraard).

Een beetje een absurde onderneming, ik geef het grif toe: een dogma is toch iets dat je zonder slag of stoot dient aan te nemen, maar zoals de eertijdse theologen de ketters toch ook op rationele manier wouden overtuigen van het Bestaan van God, tot in den treure en meestal ook tot bloedens toe, zo ook zou ik de rationeel geaarde medemens de toegang tot de reddende kracht van de Bewegingsleer niet willen ontzeggen. Het geloof is nu eenmaal een sprong waartoe velen de moed ontbreekt en een kaart van het onderliggende gebied verzacht het vallen niet, maar bevestigt toch al dat er überhaubt land is, daar beneden.

Dus, laat ons staven dat ‘alles op zijn tijd komt, niet vroeger, niet later, maar precies op tijd’. We beginnen met een licht prikkelend discours ontleend aan mijn Lopende Lezing van Kierkegaard, iets wat zich voornamelijk in mijn bed afspeelt, en gezien de heersende hitte, in gans ontklede lijfelijkheid. Een belegen uitstreakje Kierkegaard, als het ware.

In het tweede deel van Kierkegaards Of/Of, dat iets zinnigs wil zeggen over Mozart’s Don Giovanni als de beste opera aller tijden zonder alleen dat te zeggen, gebeuren er twee markante bewegingen: eerst prefigureert hij wat ik gemakshalve het Agambiet ben gaan noemen (de hoofdbeweging in het denken van Georgio Agamben, die het Binnen binnenstebuiten draait om zo het naakte leven te ontdekken), maar dan zet hij zowaar de Neo-Kathedraalse Bewegingsleer zelf  in gang zonder er verder veel erg in te hebben!
Parbleu!

Nu, ik ben van Agamben weer zo goed als alles vergeten wat ik ervan las maar laat mij volstaan kort te indiceren dat de verhouding zinnelijkheid-geest en de incarnatie en representatiegedachte bij Kierkegaard eigenlijk hetzelfde schema ten grondslag heeft als dat van Agamben wanneer hij de verhouding tussen de Soeverijn en de Banneling duidt.

Ziet ge, ik blufkont mij er wel door hier, maar alles is geheel wég en twee jaar terug kon ik het nog haarfijn uitleggen allemaal, weliswaar bij een stevig glas en t.o.v. een volgeling in die verslavende verdwazing: los van die omstandigheid en in tegenstelling tot al die geniale denkers alom vergeet ik gewoon die teksten met hun erg gedetailleerd verloop en zou ik ze eigenlijk moeten herlezen en herlezen om de gedachtebeweging die erin vervat is mij geheel eigen te maken. Ik begrijp dan ook niet hoe iemand zelfverzekerd kan beweren ‘Derrida’ te ‘kennen’ of welke filosoof dan ook: volgens mij moet je dan je hele leven quasi niks anders doen dan ‘Derrida meedenken’. En wie heeft er nou wat aan een doublure? Soit.

Toch: laat ons eerlijk zijn, je kan daar effen mee in je hoofd rondlopen, met een dusdanige complexiteit, maar de ervaring ervan slijt net zoals helaas ook de meest intense vrijpartijen onherroepelijk wegdeemsteren in het alsmaar zwakker schijnend licht van de herinnering. Een lezing is een gebeurtenis, je kan die niet bijhouden, want elk begrip verglijdt bij elke herdenking onmiddellijk (sic) van het volstrekt onvatbare naar die illusoire stabiliteit die het beste past bij de vereisten van de huidige toestand: begrip hecht zich aan wat voorhanden is en het geheugen past de ervaring op elk moment aan aan de ‘noodzaak’ van de onmiddellijke omgeving. Het geheugen is de hoer van het heden, net zoals de rede een windhaan is, een slapjanus die zich wriemelt tot waar het verlangen sleuven wil, gapende gaten en voldoening diep erin.

Sic.

Mijn eigen gedachten, ja die herken ik wel, als de beweging bij andere denkers een expressie aanneemt die gelijkenissen vertoont. Ik bedoel niet dat de expressie gelijkt, maar dat een soortgelijke beweging plaatsvindt in het vreemde expressieveld van de auteur.

Zo is de ‘onmiddellijkheid’ bij Kierkegaard (het niet-gemediëerde) bijna synoniem te noemen met wat ik zou noemen de gedeontologiseerde beweging: de beweging ontdaan van haar intermediaire ‘existentie’ . K. gebruikt zelf met een duidelijk verwijzing naar Hegel het woord ‘voorstelling’ waarin de verschillende stadia een schijnbare zijnsmodus aannemen, maar de stadia blijken dan allemaal vervat te zijn in het ene laatste stadium.

Men merke terloops op dat dus ook Hegel in zekere zin de Neo-Kathedraalse Zijnsverwerping voorbereid door de existentie op te schorten in functie van haar ‘vervolmaking’ in de ultieme Geest: een fictionalisering die al de nodige afstand schept, een slapte in de ervaring die door Kant met zijn onbereikbare Ding an Sich gecreëerd is al, maar die daarna ook in het ‘Alsof’ van Vaihinger is uitgewerkt en uitgediept. Het Zijn zweert zo uit tot een puntig ettertje, een verwoed om zich heen zwaaiende, spugende Basilisk, maar noch de existentialisten die in het voetspoor van Kierkegaard de walging ervoor ontdekten en de vervreemding ervan, noch de postmoderne deconstructie heeft met het uitduwen van de puist het lichaam van het denken kunnen bevrijden  van het hoogst mannelijke Zijnszweren zelf. Het Zijn blijft overeind, stijf van de viagra, maar het (be)staat!

Eigenlijk zou ik heel dit betoog met extensieve citaten moeten spijzen maar eenieder die het desbetreffende opstel van den vermaarden Deen leest (het kan: het werk is in 2000 nog vertaald en beschikbaar in de Vlaamse bibliotheken) en die een beetje met mijn denken vertrouwd is (ook dat kan) zal onmiddellijk (sic) beamen dat de evidentie klaarblijkelijk en het onloochenbare onontkenbaar is. Ik weerhoud mij daarvan omdat ik de lezer in haar rondhossende drukte niet nodeloos wil ophouden: zij wil immers ondertussen haar ongetwijfeld bloedgeile drang  tot het geheim van de Onmiddellijke Zinnelijkheid zo snel mogelijk ontraadseld en opgelost zien in een orgastische epifanie van het Gebeuren, Zelve.

Momentje, schat.

Dus, kortweg: het is alleen maar omdat het voor K. op dat moment ‘ondenkbaar’ is om het Zijn in zijn totaliteit als overbodige mediëring te verwerpen dat hij niet komt tot een pure Gignomenologie. Het is bepaald plezant om te lezen hoe Søren de beweging die enkel tot het Neo-Kathedraals Gebaar kan leiden tot in de fijnste geledingen uitdrukt om ze dan in het ongewisse te laten rusten, een rust die uitduurde tot dit eigenste ogenblik waarop de Tijd als het ware zichzelf ont-Zijnt bij monde van zijn eigens emergentie, het Neo-Kathedraalse Programma, deze loslopende gekte…

Jammer kunt ge dat niet noemen, want waar zou ik nu anders moeten over schrijven?

Ah bain voila, ziet ge wel: alles komt op zijn tijd!

 

DON JUAN

De begeerte zwijgt
begerend, het verlangen
stijgt te top. En toen?


---> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

of/of


 

   VERLICHT

   Verlicht wil ik zijn, 
   Ooit. Nu heb ik aambeien,
   Dat is ook al wat.

als student heb ik ooit de gehele cursus ‘Algemene Wijsbegeerte’ samengevat in één fictief woord, een anagram waarbij elke letter uitklapte naar de rest van de boomstructuur waartoe ik heel het zootje had herleid. het systeem werkte voldoende goed om mij een tripel A te bezorgen op het examen, maar misschien had mijn voorliefde voor het vak er ook wel wat mee te maken.
ik deed Germaanse node, filosofie wou ik doen maar dat bracht niks op, dus dat deed je niet.

hoe dan ook het samenvatten blijft er  blijkbaar in zitten want nu merk ik weer de drang om mijn lectuur van Kierkegaard’s magnum opus ‘Of/Of’ samen te vatten in godbetert haikoes.

ach de wereld kan aan ontiegelijk veel dingen ten onder gaan, maar dit zal het wel niet worden. en nee, een samenvatting is het ook niet echt, dat heeft geen zin: het examen daar zakken we toch allemaal voor.

opmerkingen bij Kierkegaard dus, met hier en daar een haikoe er tussendoor.
godbetert!

*
*    *

jack’s verlangen is een aangereden hermelijn wanhopig fietsend naar het verre dorp waar misschien een dokter woont.

een concept krijgt sneller haar vereiste kritische massa aan mededeelbaarheid als je het bij herhaling wentelt, vernietigd, opwekt en drenkt in de geschriften van anderen dan wanneer je poogt er met je eigen bewoordingen duidelijkheid aan te geven. ge moet uw zuigelingen niet ombrengen, dat is poëtisch-commerciële quatch, ge kunt uw schijnbaar originele gedachten beter grondig verneuken, verraden, verpesten, door de hekel halen, verkopen voor een habbekrats in ruil voor lage diensten, dat soort perversiteiten.

hoe meer je het eigen concept mishandelt, hoe zuiverder het wordt, tot het onhoudbaar wordt en opwelt, onhoudbaar opborrelt, zich uit je buik bevrijdt als een parasiterende aliën, en niks geen Sigourney Weaver in de buurt ook al niet.

net zoals je je hele leven kan beschouwen als een grote meditatie, kan je het sukkelstraatje met alsmaar sneller opdoemend einde ook lezen als de langgerekte uitspraak van het concept dat je zou zijn, moest het ‘zijn’ geen illusie zijn die reeds lang onhoudbaar is geworden: je spreekt jezelf uit, levenslang.

niemand schijnt die uitspraak te horen, maar misschien is ook het spreken en het luisteren samen vervat in één bewegen? Ik zie A’s grijsaard fluisterend vertellen aan het kind dat zich (dank zij zijn absolute onverstaanbaarheid?) alles haarfijn herinnert. zo is het, maar dat is het niet, maar het komt er wel aan zo. een kind lacht omdat het gelukkig is, en zeker nog van haar geluk, zo simpel is het.
wat herinnert zich het kind? die vraag is niet helemaal correct, want er is geen ding dat herinnert wordt: de herinnering herhaalt de singulariteit van de beweging. het meedenken met de gefluisterde expressie in het voor het kind geheel vreemde expressieveld activeert de beweging in het ‘onschuldige’ kinderbrein.

   DE GRIJSAARD VERTELT

   ja! ja, zo is het, 
   dat herinnert zich het kind, 
   maar dat is het niet.

ja, dus: deze tijd, het Kierkegaard lezen is vrij plezant als een schrijven, het loopt gesmeerd, het slijm klit goed aan in de pels en het zand kruipt diep in de groeven van de verdurende velgen.

zie ik niet wat schemer al, daar beneden?

greenChair.jpg
dv 2018 – ‘la chaise verte’, öder ‘Galathea preparing herself for the Party’ – A4, bister crayon and chalks on Source paper- €24,95

 

* 
*    *
ONBEGRIP

Luide weent het kind.
"Kindje, kindje:wat wil je?"
Da-da zegt het kind.

 

In populariserende lectuur lees je over het ‘slurvige’ bewustzijn van de olifant en je vraagt je af het water niet het externe geheugen van de vissen is. A ja , zo ging het, en weerom floept de haring langs de netten.

Het menselijke bewustzijn is handig, dat hebben we ooit geweten. Nu wijst en wijst het kind en blijft geheel onbegrepen.

Die kunststroming ook, al die herrie: hoe onhandig!

 

joy
dv 2018 – ‘ from Anke Veld ’s diaries – “there Anke felt a kind of joy that felt like joy written down, then read and then remembered all at once”  – A4, bister crayon and chalks on Source paper- €24,95

 

 

—> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”