PdG- Epig. V


Puis qu’il t’à pleu de me faire congnoistre,
Et par ta main, le VICE A SE MUER,
Je tascheray faire en moy ce bien croistre,
Qui seul en toy me pourra transmuer :
C’est asçavoir, de tant m’esvertuer,
Que congnoistras, que par esgal office
Je fuiray loing d’ignorance le vice,
Puis que desir de me transmuer as
De noire en blanche, & par si hault service
En mon erreur CE VICE MUERAS.

Sinds het jou beliefde mij t’ ontmoeten
en, door jouw hand, het kwaad zich wou keren*
streef ik ernaar te versterken dat goede
dat enkel in jou mij doet verkeren
’t is te zeggen: ‘k wil de deugd zo leren
dat jij wete dat ik door eender daad
ver ontvluchten zal het domme kwaad
daar jij verlangt toch mij doen te keren
van zwart tot wit en door die dienst staat
in mijn dwalen ’t kwaad de dood te leren.**

(de anagrammen van MAURICE SCEVE zijn nogal onvertaalbaar maar ter wille van het behoud van de dizainvorm zijn er hier ook wel twee toegiften gedaan). dus:
*letterlijk: door jouw hand [behaagde het] de ondeugd zich te verplaatsen – de anagrammen van MAURICE SCEVE zijn nogal onvertaalbaar
**letterlijk: dankzij jouw service zal die ondeugd sterven in mijn dwalen

r.4: Qui seul en toy me pourra transmuer / dat enkel in jou mij doet verkeren Pernette en maurice hebben blijkbaar samen Abravanel’s Dialoghi d’Amor gelezen want daar wordt de ‘verkering’ letterlijk uitgelegd als een ver-ander-ing ten goede in de geliefde, wat alles behalve een achterhaalde visie op de potentie van de liefde is. Graham citeert Ebreo: “Si che disiando il ben’ de l’amico, il suo propria desia, et tu sai che l’amante si converte, e trasforma ne la persona amata”

Advertenties

PdG Epig. IV


Esprit celeste, & des Dieux transformé
En corps mortel transmis en ce bas Monde,
A Apollo peulx estre conformé
Pour la vertu, dont es la source, & l’onde.
Ton eloquence avecques ta faconde,
Et hault sçavoir, auquel tu es appris,
Demonstre assez le bien en toy compris :
Car en doulceur ta plume tant fluante
A merité d’emporter gloire, & prys,
Voyant ta veine en hault stille affluante.

Hemelse geest, van goden omgevormd
in sterflijk lijf ter wereld doorgestroomd
en aan Apollo’s zon misschien conform:
van zo’n deugd ben jij ’t wellen en de stroom.
D’ eloquentie, weelderige woordenstroom,
d’hoge kennis die jij hebt opgedaan
tonen duidelijk ’t goede in jou aan:
want zacht het vloeien van jouw schrijven
bracht jou glorie, gaf jou de prijzen aan,
gezien jouw bron zo rijk aan stijlen.
(vert. dv)

https://fr.wikisource.org/w/index.php?title=Fichier:Pernette_du_Guillet_-_Rymes,_Tournes,_1545.djvu&page=20

PdG – EPIG. III


Ce grand renom de ton meslé sçavoir
Demonstre bien, que tu es l’excellence
De toute grace exquise pour avoir
Tous dons des Cieulx en pleine jouyssance.
Peu de sçavoir, que tu fais grand nuysance
A mon esprit, qui n’à la promptitude 
De mercier les Cieulx pour l’habitude
De celui là, ou les trois Graces prinses
Contentes sont de telle servitude
Par les vertus, qui en luy sont comprinses.

Naam en faam van jouw gemengde weten
tonen aan dat jij d’ excellentie bent
van alle gratie, daar jij mag heten
met alle Hemelgiften blij verwend.
Weinig weten is hoe inconveniënt
dit is voor mij die geen gewoonte heeft
de Hemelen te danken voor wie geeft
zijn ommegang, waar ook de Gratiën
gewend zijn dat elkeen de diensten heeft
der deugd die zij vertegenwoordigen.

(vert. dv)

dv 2019 – ” la tripernette tournante”

PdG – EPIG. I


Le hault pouvoir des Astres à permis
(Quand je nasquis) d’estre heureuse & servie :
Dont congnoissant celuy, qui m’est promis,
Restee suis sans sentyment de vie,
Fors le sentir du mal, qui me convie
A regraver ma dure impression
D’amour cruelle, & doulce passion,
Ou s’apparut celle divinité,
Qui me cause l’imagination
A contempler si haulte qualité.

De hoge stand der Sterren heeft gedoogd
(Bij mijn geboorte) geluk en dienstbetoon:
En daar ik wist wie er mij was beloofd
Bleef ik zonder het gewone levensloon
Alleen kwaad bood mij van gevoel vertoon
De harde indruk, die mij volgen deed,
Van liefde wreed en ’t zoete passieleed,
Tot waar verscheen mij zo ’n god in leven
Dat mijn verbeelding mij besluiten deed
Om ook zo’n hoogte na te streven.
(vert. dv)

noten:
bron: Victor E. Graham en eigen onderzoek/commentaar:

1. Le hault pouvoir des Astres : de astrologie stond destijds nog steeds in hoog aanzien. Ik heb de macht (‘pouvoir’) hier vertaald met het ambigue ‘stand’ om het in ’t hedendaags wat aannemelijker te maken.

8. divinité : Pernette was 16 toen ze Scève leerde kennen, Maurice zelf 35 en al serieus met literair eerbetoon beladen dat hij wel serieus indruk op haar moet gemaakt hebben met zijn voor hem al vanzelfsprekende ‘haulte qualité’, die overigens het wederwoord was op de ‘haulte vertu’ waarmee hij haar krachtens zijn Délie bekleedde.

https://archive.org/details/rymesditioncri00dugu/page/8

PdG – EPIG. II


La nuict estoit pour moy si tresobscure,
Que Terre, & Ciel elle m’obscurissoit,
Tant, qu’à Midy de discerner figure
N’avois pouvoir, qui fort me marrissoit :
Mais quand je vis que l’aulbe apparoissoit
En couleurs mille & diverse, & seraine,
Je me trouvay de liesse si pleine
(Voyant desjà la clarté a la ronde)
Que commençay louer a voix haultaine
Celuy, qui feit pour moy ce Jour au Monde.

Zo heel erg donker was voor mij de nacht
Dat zij mij d’ Hemel verborg en d’ Aarde
Zodat ik ’s middags niet was bij machte
Wat te zien, hetgeen mij erg bezwaarde:
Maar toen ik daar de dageraad ontwaarde
In duizend kleuren velerlei, sereen
Ging er zulk ’n volle vreugde door mij heen
(Ik zag de klaarte aan de einder al )
Dat ik in hoge stem ging loven diegeen’
die is geheel mijn Dag op Aarde al.
(vert. dv)

noten (geselecteerd en vertaald/bewerkt van Victor E. Graham):

5. Mais quand je vis que l’aulbe apparoissoit : cfr Scève, Delie XXXIV v.1:
“Apparoissant l’Aulbe de mon beau jour”
10. Jour: voor Pernette is Scève altijd haar Dag, zie ook EPIG. VIII, XXXVIII, XXXIX, XL, XLI, Chansons III, IV en IX en Elegie III. Hier denkt ze allicht ook aan Apollo, wat haarzelf tot “délienne” maakt, uiteraard…

Afbeeldingsresultaat voor Pernette du Guillet
Titelpagina van de 1545 editie van Jean de Tournes te Lyon met diens motto QUOD TIBI FIERI NON VIS. ALTERI NE FECERIS : ‘doe een ander niet aan wat je zelf niet wilt’

PdG – EPIG. XXI


Si le servir merite recompense,
Et recompense est la fin du desir,
Tousjours vouldrois servir plus, qu’on ne pense,
Pour non venir au bout de mon plaisir.

Als een beloning dan verdient het dienen,
En door beloning het verlangen eindigt hier,
Dan wil ik meer nog dan men denkt, altijd dienen,
Om nooit een eind te zien aan mijn plezier.
(vert. dv)

Pernette Du Guillet – Rymes
tekst wikisource : https://fr.wikisource.org/wiki/Rymes/Si_le_servir_merite_recompense

het kleinood is sinds vandaag opgenomen in de Bibliotheek van het Centrum van het Gekende Universum