het heeft geluk


het had de ogen en het gaf haar
de ogen en de ogen verveelden haar.
het zuchtte lucht uit die zij blies. het
had het einde vast maar het einde kwam
maar niet in haar. schromelijk. abuis.

zo ook alom de winden in de wereld
waaien: het had geluk zei zij en het geluk
bracht het deze dag en het zou beter dag
zeggen tegen het geluk (haar huid is
een einder, haar borsten zee en god

die haren). het

knikt. het heeft haar van heur blauw
ontdaan, afgestroopt, rechtsonder van de
haat. het bloeit nu elk moment
volop daar tot nu, elk jaar.
tiereliere. het had geluk.

moest het ik zijn,
ik zou het
opnieuw willen zijn.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘ansuz (voor a.)’ – A6
Advertenties

het danst


het ziet een paar en hoe ze draaien daar
voor het doek en het doek
heeft de plooi van de benen
voor een ware plooi genomen, een tijdsgewricht.

het ziet ze dansen en zo dansten wij,
denkt het, toen het nog toebehoorde.
traag, toen, trager nog zo lijkt het nu,
te schommelen haast, half staande daar

voor de toegenaaide naad van de einder, daar
waar het lachen de gezichten diep en dieper groeft, daar
waar het nu met de lucht aan het land is geniet,

zij week van het want zij gaf ruimte.
het week van haar want het gaf ruimte.
en dan werd het weer langzaam zij met haar.

kom nu maar jij schaar, en knip
het weg en uit elkaar het paar
dan komt het dansen vrij van

het en daar.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “algiz” – A6

kustwind



de wind streept de vrouw uit in lange lijnen
haar en jurk. een doorsnee engel ontvalt zo
nog het praatvlak. doodgewone doorkijkbeelden

aan de kust. zweefmeeuwen dagtekenen
hun plaats windopwaarts, mannen negeren
doorgaans het rechte van de langgerekte lijn.

het heft het glas vol wijn en zand, want dit is
het lichaam. kinderen meten hun zuivere
monden af aan het uitgevlakte blauw, blazen

de kromming van licht in het kinkhoornige
duister. de maan onthult het in golven: vol
is haar zang en als vanouds legt zij haar franje

af, de rafels wolk verjaagd uit het bestaan. hoe
kon het mooier van een van hen tot het vergaan?

inputtekst (2010)

dv 2019 – “gebo” – A6

zonsopgang voor ondoden


barst we regelen het
benoemen het als het maar in der minne:
het heft mij op als zon en jij wordt een naam
(ook al strijkt er af toe een vogel neer)
een strandenloos glanzende pingoruïne,

honderden lettergrepen op zoek naar hun zinnen
klanken in monden die niet weten hoe te beginnen
het drentelende zwerven van een vuilzak in het zwinne
geanimeerde muzetekeningen met vage vegen van kinnesinne

(het hoòrt nu ook al de dames van de straat hem nakijken)

in de bijeengeschraapte woordenschat der dagbladen
leg je het dan best geduldig uit dat het dus dan maar nu eens
een ander leven moet (gaan) beginnen

(het heeft daarvoor gebeld, men nam niet op, er,
en bovendien heeft het geen centen, van verdriet
ligt alles wel hier ja wat wil je de t-shirts, de lakens, de jekkers…)

(het wordt erg).

inputtekst (2010)

dv 2019 – “jera” – A6

(als mijn ma belt hang je haar maar op)

lijst met een aantekening


  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WO2010 wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “WUNJO

MU


de handen scannen bij herhaling
het onthullen. ziehier de plooien van
het afgerukte kleed in marmer. ziedaar
het houterige opbloeien der afgehakte tepels.

dat het haar land pardoes in het jouwe laat vallen
en dan het weke op jouw barre bodem streelt, jij
gelukkige!  het brandt en rilt en leest
in opwaaiend zeewier haar verhaal.

geschiedenis :: atlantis

de meeuwenvleugel krijt de spiegel open,
haar keel klokt zwart weg met het blauwe,
het slikken slikt haar honger en de vogels
en de zon, het draaien is het hare
hoe zij kolkt met opgeheven kont.

de hese lach van deze muze maakt
de laatste dichters misselijk en moe.

de wetenswaardigheid. ze
is die kleverige string.

in het zingen ter dood van de m
slaat heel de hel tot hemel om.


in het oordeel van de u
begint elk einde beter

voor het beginnen kan,
onmiddellijk, nu.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “MU” – pastel & potlood – A6