Uit het Booischotse Liedboek (2037)


Lierke Plezierke

 

Zij:

krullengras, krullengras
pikken pakken plukken plakken
dikke plokken in de prullenmand
pluk nog maar een volle hand

straks op weg van huis naar Lier
alleen mijn lief geeft mij plezier

 

Hij:

fietsen fietsen langs ’t kanaal
elke kilometer telt de paal
harder duwen rapper trappen
dieper hijgen adem happen

’t is van Booischot nog zo verre
maar in Lier daar staat mijn Sterre

 

 

fietselieren

Advertenties

uit het Booischotse Liedboek (2037)


in ’t donker dal
het licht valt diep
door ’t bladerdek

de witte vogel fladdert weg

de gorzen en de rallen
en de schrille karekieten
zingen bij de  rotte stam

in ’t donker dal
het licht valt diep
door ’t bladerdek

wij zwoegen hier en zingen
zweten bij de rotte stam
wij zwoegen hier en zingen luid:

op schorsen slaan en stengels splijten
niemand heeft een beter kleed
alle naden soepel slijten
niemand heeft een beter kleed

witte vogel, witte vogel
vlieg en zoek mijn Minnelief
zeg haar dat ik bij haar kom

op schorsen slaan en stengels splijten
niemand heeft een beter kleed
alle naden soepel slijten
niemand heeft een beter kleed

in ’t donker dal
het licht valt diep
door ’t bladerdek

de witte vogel fladdert weg

 

suicidaalPrentje
dv 2018 – “suicidaal prentje dat zich misbruikt voelt als lokmiddel bij oubollige liedjes uit een niet eens zo verre toekomst”

voorpublicatie uit “LAIS, een genese” (2041)


men zegt dat in de oude oden waarvan je soms nog flarden opvangt in het seniele gejammer van de dementerende oudjes die door hun nakomelingen tegen hun wil zijn meegebracht uit de meest onherbergzame gebieden waar het leven ondertussen geheel onmogelijk is geworden, men zegt dat daarin haar naam wel eens opduikt.

met de meest geavanceerde middelen hebben we alle beschikbare informatie, de meest minuscule resten van semantische samenhang op ontelbare wijzen met elkaar in verband pogen te brengen om tot deze reconstructie te komen, zodat we nu toch met enige zekerheid kunnen stellen dat het oorspronkelijke lied ongeveer als volgt moet hebben geklonken:

haar glijden is het glijden 
van een kano 
laag door het riet

   halmen tokken tegen het hout
en 
       *gloed van verhevenheid glijdend over diepte


de zwarte koude waarin Nereïden zwemmen
lonkt naar de maan en rimpelt afgrijzen in ringen
een gans vliegt op
boven een gordijn van hoge (luchtige?) druppels
een uil laat zijn kroost weten
dat het voedsel reeds gezien is

   zoals wanneer je je een droom probeert te herinneren
   en elke herinnering verder verwijderd is
   van de herinnering van hoe het was in je droom
   daarnet nog

zo zacht en helder en alles doordringend
klinkt het zingen van Laïs
bij haar glijden dat het glijden is
van een kano
laag door het riet

in de 
       *gloed van verhevenheid glijdend over diepte



*de hand van de luitspeler dient zich hier quasi tegennatuurlijk te krommen om de onmogelijke greep op de snaren tot een klinken te brengen

 

003

dv 2018 – photoshop (op basis van gescande pastelschets)