La Vie Sexuelle de Charles Baudelaire I,3


Et vous, femmes, hélas! pâles comme des cierges

eender licht door kathedralen
als door ijs dat wellust ving,
tot het lichaam mij bedaarde,
tot haar lichaam mij bedaart.

onbewogen zie ik strakke koorden
van haar ogen naar mijn dood:
niet in cirkels boven daken
vliegen duif of meeuw of mus.

tekort aan niets wellicht gebiedt de kus.

 

uit La Vie Sexuelle de Charles Baudelaire (1996 -2018) – alle teksten van dit programma

 

LVdCB03
dv 2018 – LVSdCB I,3 – A4 – €25

 

 

La Vie Sexuelle de Charles Baudelaire I,2


Envoie-toi bien loin de ces miasmes morbides;

vel op derrie, roos in slijk,
op vegen nacht een vaal gezicht
tot het lichaam mij bekoorde,
tot haar lichaam mij bekoort.

vlees verhaalt de zeeën
hoe het vocht vergaat in grond.
bloemen dichten mij gedurig:
doe ik mij sluitend in haar toe,

tekort aan haar wellicht is wat ik doe.

uit La Vie Sexuelle de Charles Baudelaire (1996 -2018) – alle teksten van dit programma

 

 

LVdCB02
dv 2018 – “LVSdCB-I,2” – mixed – A4 – €21

of/of (3)


 

pamphlet.jpg
dv 2018 – “asemic pamphlet calling for action against the terrifying increase of prostitution in the arts of ever younger gestures (to further the cause deposits can be made on my IBAN account BE22 7340 2968 5847 BIC KREDBEBB)” – bister, crayon & chalks on Source paper A4 – €22,49

Noot betreffende dit tekstuele gebeuren: Ik heb over Kierkegaard ook alleen maar wat Wikipedia en het boekje uit de reeks ‘Kopstukken uit de filosofie’ gelezen, en van hemzelf enkel vluchtig ‘De Herhaling’, dus een ‘kenner’ ben ik zeker niet. Maar het boeit mij dus ik lees graag verder, samen met u, als u dat wil en zo u mij het getater erbij vergeven kan. De lezing is een ‘Kathedraalse lezing’ wat inhoudt dat ik al lezende de Neo-Kathedraalse elementen uit het gelezene uitlicht en hier ‘afschrijf’, zoals je een investering afschrijft in uw bedrijf.

 

*
*    *

Kierkegaard’s A hanteert een dichotomie geest-zinnelijkheid waarbij de geest haar onmiddellijke (niet-gemediëerde) uitdrukking vindt in de taal en de zinnelijkheid in de muziek (van Mozart). De taal wordt ‘klassiek’ (zuiver, perfect) als expressie van de geest als alle zinnelijkheid eruit (klank, uitspraak, signifiant) eruit lijkt te verdwijnen als de toegesprokene/lezer enkel de geest bij monde van de schrijver/spreker waarneemt.

De ‘taal’ van de muziek is klassiek-perfect als de beweging ervan samenvalt met de beweging van de begeerte (die is dan zoekend-dromend-begerend in haar drie stadia, een pure Hegeliaanse Aufhebung.
Het ‘onuitsprekelijke’ van de zinnelijkheid/muziek is een gevolg van de onuitsprekelijkheid van de beweging omdat de loutere zinnelijkheid enkel kan worden opgehouden door de zinnelijkheid van de taal.
De Geest beweegt niet, de geest is, dus taal is geen mortificatie ervan want de Geest is een Ding (een soort eeuwig superding). Dus hoe fijnbesnaard hij ook de zinnelijkheid in haar bewegen weet te beschrijven, zijn bewegingsgevoeligheid houdt op als het terrein van de geest betreden wordt.
De Geest, door haar incarnatie in Christus ‘veroorzaakt’ wel de beweging van de zinnelijkheid (God als onbewogen beweger, het goddelijke in ‘agambiet’ bepalend Binnen buiten het humane), het Christendom verzelfstandigt de zinnelijkheid op een manier die het ontstaan van de muziek mogelijk maakt (volgens K.’s A is er geen sprake van muziek bij de Grieken ofzo, de muziek is ontstaan in de ME dankzij het Christendom. tja, pech è, sullige rest van de wereld).

Dit alles ligt vervat ergens op p.87 in het origineel, p.103 in de vertaling, waar hij zich beklaagt dat het tweede stadium van de zinnelijkheid, verpersoonlijkt door de figuur van Papageno in De Toverfluit, niet in woorden te vatten is:

“Het is te onmiddellijk om in woorden te worden vastgehouden. […] Men zou mij kunnen tegenwerpen dat het überhaubt onmogelijk is om iets onmiddellijks uit te spreken. In zekere zin is dat ook volkomen juist, maar om te beginnen vindt de onmiddellijkheid van de geest haar onmiddellijke uitdrukking in de taal, en voorts blijft die, voor zover er zich door het toetreden van de gedachte een verandering mee voltrekt, toch wezenlijk dezelfde, juist omdat ze bepaling van de geest is. Hier daarentegen gaat het om een onmiddellijkheid van de zinnelijkheid, die als zodanig een heel ander medium heeft, waarbij dus de wanverhouding tussen de media de onmogelijkheid absoluut maakt.” (ISBN 978 90 8506 4787, p.103)

De ‘gedachte blijft wezenlijk dezelfde’ bij Kierkegaard omdat de gedachte gedacht wordt als een ding, een iets dat een identiteit heeft, een geheugenplaats, een pointer. De gedachte is en blijft voor K ‘bepaling van de geest’. Dezelfde fictie van het ding als in het object-georiënteerd programmeren, dezelfde fallische ‘betekenaar’, dezelfde illusie die er oorzaak van is dat we op deze manier nooit een kunstmatige intelligentie zullen kunnen vatten, laat staan er een ‘maken’.

Want de gedachte is geen ding, het denken is niet, het denken gebeurt. Je kan op een gedachte ook niet terugkomen, je kan een gedachte niet ‘echt’ herhalen, de herhaling herhaalt enkel zichzelf, een subsisteren van de fictie van het existeren.

En in de zinnelijkheid is er enkel beleving van de zinnelijkheid, een gebeuren, een beleving die wij willen afzonderen van het de beleving van het denken omdat ons dat nou eenmaal goed uitkomt, want dan kunnen we de zinnelijkheid ‘vrij’ laten, dan kunnen we zelf ‘vrij’ zijn en voor het overige toch de fictie van de rationaliteit hoog houden, dat we echt wel rationele wezens zijn.

Maar de mens is geen rationeel wezen, al was het alleen maar al omdat het sowieso al geen wezen is: de mens gebeurt.

Zie je: er is totaal niks mis met de dingen en het feit dat ze voor ons noodzaak zijn, dat we de dingen en het zijn nodig hebben om te functioneren. Waar het mis gaat, waar het soms faliekant maar vooral altijd vermijdbaar mis gaat is daar waar we beginnen te denken dat de dingen echt bestaan en dat we ze kunnen hebben, of godbetert dat we zelf een ding kunnen Zijn.

Er is niks mis met fictie, omdat fictie – en de Rede is een soort hyperfictie –  uiteindelijk het enige is wat we hebben, we hebben de fictie ook broodnodig. Maar je mag nooit ofte nimmer vergeten dat het fictie is, anders krijg je vroeg of laat fatale klappen van het Echte, van het Gebeuren Zelve….

*
*    *

Op de volgende pagina wordt in wat A zelf een parenthese noemt, duidelijk waar voor A (en vermoedelijk ook voor K ) de grens ligt. Er wordt gerefereerd naar het gebruik van muziek als een middel dat kan worden ingezet om krankzinnigheid te genezen.

Ik citeer deze parenthese omdat nergens het beeld van het bewustzijn dat een auteur heeft duidelijker te zien is dan in zijn commentaar op een ‘ziek’ bewustzijn. Dan kan de auteur immers alle voorzichtigheid laten varen en recht voor de raap vertellen ‘hoe het zou moeten zijn, hoe het hoort te zijn’. Het is precies deze ‘ought’ die volgens rationalisten als Negarestani in hen typerende sloganeske passages voortdurend verward wordt met wat het ‘is’. Dat klopt ook denk ik, die kritiek, enkel: het zijn is net zo goed een fictie als het ideaal. Negarestani verlegt terecht de kritische grens van “het is zo omdat het zo hoort te zijn” naar het uitgezuiverde “het is zo omdat het niet anders kan zijn” . Maar dat is ontoereikend. Het is niet zo omdat het niet anders kan maar omdat het zo gebeurt want het is helemaal niet. Als het niet anders kan en toch gebeurt het niet, dan schort er wat aan het zijn en niet aan het gebeuren. Je zal zeggen, maar wat win je toch met heel die anti-zijn hetze? Het antwoord is reuze evident en tweedelig :
–  je wint alle mogelijkheden van het niet-humane dat je in het gebeuren wel niet kan vatten omdat het buiten het bereik van het technische zijn valt, maar wel kan beïnvloeden, omdat het gebeuren zelf wel waarneembaar is
– je wint aan klaarheid omdat je het gebeuren dat in wezen altijd simpel is doelgericht en efficient kan scheiden van de complexiteit van het technische zijn, een complexiteit die in de expressie zit en dus transponeerbaar / translateerbaar in de perceptie en dat vooral ook berekenbaar is, dus het is complexiteit die je met gemak kan overlaten aan de (quantum)computer…

Maar goed,  K’s A dus, over muziektherapie:

“Men heeft muziek gebruikt om krankzinnigen te genezen: men heeft ook in zekere zin zijn doel bereikt, en toch is dit een illusie. Als namelijk de krankzinnigheid een mentale oorzaak heeft, dan is die altijd daarin gelegen dat het bewustzijn zich op een of ander punt verhardt. Die verharding moet overwonnen worden, maar wil ze overwonnen worden, dan moet men precies de tegengestelde weg volgen aan degene die naar de muziek leidt. Maakt men nu gebruik van muziek, dan bewandelt men precies de verkeerde weg en verergert men de kwaal, ook al lijkt de patiënt van zijn krankzinnigheid genezen.” (ISBN 978 90 8506 4787, p.104)

Ik waag mij hiermee vanwege mijn zo goed als totale onwetendheid op zeer dun ijs, maar mijn hals is toch niks waard dus nihil obstat. De passage zal bij menig lezer, denk ik, als uiterst duister overkomen. Nu heb ik wegens mijn doorgedreven praktijk van het eigenhandig redigeren van eigen teksten wel wat ervaring met ‘duistere passages’: dat zijn negen op de tien passages die getuigen van duister en dus fout  denkwerk of van wegmoffelwerk. Wel ik vermoed hier bij onze A toch iets van die aard, en de denkfout zit ‘m medunkt in  het al te letterlijk doordenken op de gebruikte metafoor.

We gaan er Kierkegaard niet van verdenken dat hij als psycholoog er eentje is van het karikaturale 19de eeuwse typetje met de schedelboor. Als hij dus spreekt van een ‘verharding’ is en blijft dat beeldspraak: de denkwegen zijn ziek, stram en niet meer soepel, dat soort ‘verharding’.

Maar toch: wat doet de muziek dan met die verharde wegen? Wel, net voor deze passage wordt gezegd dat de muziek het bewustzijn verlicht omdat het boze gedachten kan verdrijven. Deze boze gedachten zijn het dan allicht die de krankzinnigheid verklaren die optreedt naar aanleiding van de ‘verharding’. De muziek ‘omspeelt’ en omspoelt dus blijkbaar deze boze gedachten en de onderliggende verharding. De muziek geneest omdat ze de symptomen wegneemt (de boze gedachten) , maar ze laat de oorzaak intact, namelijk de ‘verharde wegen’.

Kierkegaard neemt dus geenszins de verharding letterlijk, maar de denkwegen klaarblijkelijk wel, want die kent hij een bestaan toe, los van de boze gedachten. Foei Søren toch, denk je misschien, maar ik vraag mij luide af in hoeverre hedendaagse psychologen niet op soortgelijke wijze de inhibitie een ‘bestaan’ toekennen los van de gedachten zelf, en van daaruit met monsterlijk destructieve medicatie het ziekelijke ‘obstakel’ te lijf gaan. Hoezo zou een door muziek genezen patient slechts schijnbaar genezen zijn als zijn gedachten terug de weg van de beweging en de openheid hebben gevonden en niet verder de oude ‘wegen’ volgen van de destructie en de mortificatie?
Omdat die er nog moeten ‘zijn’, misschien? Maar er moet helemaal niks en zeker niet zijn.

Aldus wordt menig krankzinnige gedwongen om het comfort van zijn waanzin te ruilen voor een waanzin die werkt zoals het hoort, want het is wat is, toch. Laat mensen toch gebeuren zoals zij zich laten gebeuren willen en zet enkel hun gebeuren op een spoor dat wegloopt van de dood in plaats van er recht naartoe!

Maar bon, soit, ook dit is slechts, zoals bij Kierkegaard, geheel terzijde.

DE BOER VAN HORATIUS*

Rustig staat de boer
te wachten tot de rivier
klaar is met stromen.

 

—> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

 

*op deze bladzijden citeert Kierkegaard ook uit de Brieven van Horatius “rusticus exspectat, dum defluat amnis” (Epist. I,2 v.42): “de boer staat te wachten tot de beek nu eens eindelijk uitgestroomd is”, een ready-made haiku if ever there was one, maar het illustreert bovendien ook treffend Whitehead’s ‘fallacy of misplaced concreteness’ dat eigenlijk het leitmotif is van dit getater bij Of/Of van de meesterlijke Deen

of/of (2)


bloedmaan.jpg
dv 2018 – “bloedmaan” – bister,crayon en krijt op Bronpapier – A4 – €22,94

Bij gebrek aan god kunnen we geen categorieën van godsbewijzen meer presenteren, rijkelijk gespekt met uitgewerkte voorbeelden. Spijtig toch, want dat was best wel amusant en zeer stichtend voor het redeneervermogen van zowel het schrijverken als het publiek dat in die schielijk vervlogen tijden ook nog de tijd had om zich in het geschrevene langdurig te vermeien.

Maar niet getreurd:  we kunnen wel andere stellingen gaan bewijzen op lekker soortgelijk indeelbare wijzen. Zo de NKdeE-stelling aan de basis van het Neo-Kathedraalse Dogma dat ‘alles komt op zijn tijd’. Hierna volgt dus, ook al als uiting van mijn niet-aflatend exemplarisch activisme een non-filosofische bewijsvoering van het genoemde NKdeE-dogma met een slot dat zich triomfantelijk-Derridesk het randje sobertjes met de getuite lipjes naar binnen toe plooit (ik gebruik de term ‘non-filosofisch in Laruelliaanse zin, uiteraard).

Een beetje een absurde onderneming, ik geef het grif toe: een dogma is toch iets dat je zonder slag of stoot dient aan te nemen, maar zoals de eertijdse theologen de ketters toch ook op rationele manier wouden overtuigen van het Bestaan van God, tot in den treure en meestal ook tot bloedens toe, zo ook zou ik de rationeel geaarde medemens de toegang tot de reddende kracht van de Bewegingsleer niet willen ontzeggen. Het geloof is nu eenmaal een sprong waartoe velen de moed ontbreekt en een kaart van het onderliggende gebied verzacht het vallen niet, maar bevestigt toch al dat er überhaubt land is, daar beneden.

Dus, laat ons staven dat ‘alles op zijn tijd komt, niet vroeger, niet later, maar precies op tijd’. We beginnen met een licht prikkelend discours ontleend aan mijn Lopende Lezing van Kierkegaard, iets wat zich voornamelijk in mijn bed afspeelt, en gezien de heersende hitte, in gans ontklede lijfelijkheid. Een belegen uitstreakje Kierkegaard, als het ware.

In het tweede deel van Kierkegaards Of/Of, dat iets zinnigs wil zeggen over Mozart’s Don Giovanni als de beste opera aller tijden zonder alleen dat te zeggen, gebeuren er twee markante bewegingen: eerst prefigureert hij wat ik gemakshalve het Agambiet ben gaan noemen (de hoofdbeweging in het denken van Georgio Agamben, die het Binnen binnenstebuiten draait om zo het naakte leven te ontdekken), maar dan zet hij zowaar de Neo-Kathedraalse Bewegingsleer zelf  in gang zonder er verder veel erg in te hebben!
Parbleu!

Nu, ik ben van Agamben weer zo goed als alles vergeten wat ik ervan las maar laat mij volstaan kort te indiceren dat de verhouding zinnelijkheid-geest en de incarnatie en representatiegedachte bij Kierkegaard eigenlijk hetzelfde schema ten grondslag heeft als dat van Agamben wanneer hij de verhouding tussen de Soeverijn en de Banneling duidt.

Ziet ge, ik blufkont mij er wel door hier, maar alles is geheel wég en twee jaar terug kon ik het nog haarfijn uitleggen allemaal, weliswaar bij een stevig glas en t.o.v. een volgeling in die verslavende verdwazing: los van die omstandigheid en in tegenstelling tot al die geniale denkers alom vergeet ik gewoon die teksten met hun erg gedetailleerd verloop en zou ik ze eigenlijk moeten herlezen en herlezen om de gedachtebeweging die erin vervat is mij geheel eigen te maken. Ik begrijp dan ook niet hoe iemand zelfverzekerd kan beweren ‘Derrida’ te ‘kennen’ of welke filosoof dan ook: volgens mij moet je dan je hele leven quasi niks anders doen dan ‘Derrida meedenken’. En wie heeft er nou wat aan een doublure? Soit.

Toch: laat ons eerlijk zijn, je kan daar effen mee in je hoofd rondlopen, met een dusdanige complexiteit, maar de ervaring ervan slijt net zoals helaas ook de meest intense vrijpartijen onherroepelijk wegdeemsteren in het alsmaar zwakker schijnend licht van de herinnering. Een lezing is een gebeurtenis, je kan die niet bijhouden, want elk begrip verglijdt bij elke herdenking onmiddellijk (sic) van het volstrekt onvatbare naar die illusoire stabiliteit die het beste past bij de vereisten van de huidige toestand: begrip hecht zich aan wat voorhanden is en het geheugen past de ervaring op elk moment aan aan de ‘noodzaak’ van de onmiddellijke omgeving. Het geheugen is de hoer van het heden, net zoals de rede een windhaan is, een slapjanus die zich wriemelt tot waar het verlangen sleuven wil, gapende gaten en voldoening diep erin.

Sic.

Mijn eigen gedachten, ja die herken ik wel, als de beweging bij andere denkers een expressie aanneemt die gelijkenissen vertoont. Ik bedoel niet dat de expressie gelijkt, maar dat een soortgelijke beweging plaatsvindt in het vreemde expressieveld van de auteur.

Zo is de ‘onmiddellijkheid’ bij Kierkegaard (het niet-gemediëerde) bijna synoniem te noemen met wat ik zou noemen de gedeontologiseerde beweging: de beweging ontdaan van haar intermediaire ‘existentie’ . K. gebruikt zelf met een duidelijk verwijzing naar Hegel het woord ‘voorstelling’ waarin de verschillende stadia een schijnbare zijnsmodus aannemen, maar de stadia blijken dan allemaal vervat te zijn in het ene laatste stadium.

Men merke terloops op dat dus ook Hegel in zekere zin de Neo-Kathedraalse Zijnsverwerping voorbereid door de existentie op te schorten in functie van haar ‘vervolmaking’ in de ultieme Geest: een fictionalisering die al de nodige afstand schept, een slapte in de ervaring die door Kant met zijn onbereikbare Ding an Sich gecreëerd is al, maar die daarna ook in het ‘Alsof’ van Vaihinger is uitgewerkt en uitgediept. Het Zijn zweert zo uit tot een puntig ettertje, een verwoed om zich heen zwaaiende, spugende Basilisk, maar noch de existentialisten die in het voetspoor van Kierkegaard de walging ervoor ontdekten en de vervreemding ervan, noch de postmoderne deconstructie heeft met het uitduwen van de puist het lichaam van het denken kunnen bevrijden  van het hoogst mannelijke Zijnszweren zelf. Het Zijn blijft overeind, stijf van de viagra, maar het (be)staat!

Eigenlijk zou ik heel dit betoog met extensieve citaten moeten spijzen maar eenieder die het desbetreffende opstel van den vermaarden Deen leest (het kan: het werk is in 2000 nog vertaald en beschikbaar in de Vlaamse bibliotheken) en die een beetje met mijn denken vertrouwd is (ook dat kan) zal onmiddellijk (sic) beamen dat de evidentie klaarblijkelijk en het onloochenbare onontkenbaar is. Ik weerhoud mij daarvan omdat ik de lezer in haar rondhossende drukte niet nodeloos wil ophouden: zij wil immers ondertussen haar ongetwijfeld bloedgeile drang  tot het geheim van de Onmiddellijke Zinnelijkheid zo snel mogelijk ontraadseld en opgelost zien in een orgastische epifanie van het Gebeuren, Zelve.

Momentje, schat.

Dus, kortweg: het is alleen maar omdat het voor K. op dat moment ‘ondenkbaar’ is om het Zijn in zijn totaliteit als overbodige mediëring te verwerpen dat hij niet komt tot een pure Gignomenologie. Het is bepaald plezant om te lezen hoe Søren de beweging die enkel tot het Neo-Kathedraals Gebaar kan leiden tot in de fijnste geledingen uitdrukt om ze dan in het ongewisse te laten rusten, een rust die uitduurde tot dit eigenste ogenblik waarop de Tijd als het ware zichzelf ont-Zijnt bij monde van zijn eigens emergentie, het Neo-Kathedraalse Programma, deze loslopende gekte…

Jammer kunt ge dat niet noemen, want waar zou ik nu anders moeten over schrijven?

Ah bain voila, ziet ge wel: alles komt op zijn tijd!

 

DON JUAN

De begeerte zwijgt
begerend, het verlangen
stijgt te top. En toen?


---> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

of/of


 

   VERLICHT

   Verlicht wil ik zijn, 
   Ooit. Nu heb ik aambeien,
   Dat is ook al wat.

als student heb ik ooit de gehele cursus ‘Algemene Wijsbegeerte’ samengevat in één fictief woord, een anagram waarbij elke letter uitklapte naar de rest van de boomstructuur waartoe ik heel het zootje had herleid. het systeem werkte voldoende goed om mij een tripel A te bezorgen op het examen, maar misschien had mijn voorliefde voor het vak er ook wel wat mee te maken.
ik deed Germaanse node, filosofie wou ik doen maar dat bracht niks op, dus dat deed je niet.

hoe dan ook het samenvatten blijft er  blijkbaar in zitten want nu merk ik weer de drang om mijn lectuur van Kierkegaard’s magnum opus ‘Of/Of’ samen te vatten in godbetert haikoes.

ach de wereld kan aan ontiegelijk veel dingen ten onder gaan, maar dit zal het wel niet worden. en nee, een samenvatting is het ook niet echt, dat heeft geen zin: het examen daar zakken we toch allemaal voor.

opmerkingen bij Kierkegaard dus, met hier en daar een haikoe er tussendoor.
godbetert!

*
*    *

jack’s verlangen is een aangereden hermelijn wanhopig fietsend naar het verre dorp waar misschien een dokter woont.

een concept krijgt sneller haar vereiste kritische massa aan mededeelbaarheid als je het bij herhaling wentelt, vernietigd, opwekt en drenkt in de geschriften van anderen dan wanneer je poogt er met je eigen bewoordingen duidelijkheid aan te geven. ge moet uw zuigelingen niet ombrengen, dat is poëtisch-commerciële quatch, ge kunt uw schijnbaar originele gedachten beter grondig verneuken, verraden, verpesten, door de hekel halen, verkopen voor een habbekrats in ruil voor lage diensten, dat soort perversiteiten.

hoe meer je het eigen concept mishandelt, hoe zuiverder het wordt, tot het onhoudbaar wordt en opwelt, onhoudbaar opborrelt, zich uit je buik bevrijdt als een parasiterende aliën, en niks geen Sigourney Weaver in de buurt ook al niet.

net zoals je je hele leven kan beschouwen als een grote meditatie, kan je het sukkelstraatje met alsmaar sneller opdoemend einde ook lezen als de langgerekte uitspraak van het concept dat je zou zijn, moest het ‘zijn’ geen illusie zijn die reeds lang onhoudbaar is geworden: je spreekt jezelf uit, levenslang.

niemand schijnt die uitspraak te horen, maar misschien is ook het spreken en het luisteren samen vervat in één bewegen? Ik zie A’s grijsaard fluisterend vertellen aan het kind dat zich (dank zij zijn absolute onverstaanbaarheid?) alles haarfijn herinnert. zo is het, maar dat is het niet, maar het komt er wel aan zo. een kind lacht omdat het gelukkig is, en zeker nog van haar geluk, zo simpel is het.
wat herinnert zich het kind? die vraag is niet helemaal correct, want er is geen ding dat herinnert wordt: de herinnering herhaalt de singulariteit van de beweging. het meedenken met de gefluisterde expressie in het voor het kind geheel vreemde expressieveld activeert de beweging in het ‘onschuldige’ kinderbrein.

   DE GRIJSAARD VERTELT

   ja! ja, zo is het, 
   dat herinnert zich het kind, 
   maar dat is het niet.

ja, dus: deze tijd, het Kierkegaard lezen is vrij plezant als een schrijven, het loopt gesmeerd, het slijm klit goed aan in de pels en het zand kruipt diep in de groeven van de verdurende velgen.

zie ik niet wat schemer al, daar beneden?

greenChair.jpg
dv 2018 – ‘la chaise verte’, öder ‘Galathea preparing herself for the Party’ – A4, bister crayon and chalks on Source paper- €24,95

 

* 
*    *
ONBEGRIP

Luide weent het kind.
"Kindje, kindje:wat wil je?"
Da-da zegt het kind.

 

In populariserende lectuur lees je over het ‘slurvige’ bewustzijn van de olifant en je vraagt je af het water niet het externe geheugen van de vissen is. A ja , zo ging het, en weerom floept de haring langs de netten.

Het menselijke bewustzijn is handig, dat hebben we ooit geweten. Nu wijst en wijst het kind en blijft geheel onbegrepen.

Die kunststroming ook, al die herrie: hoe onhandig!

 

joy
dv 2018 – ‘ from Anke Veld ’s diaries – “there Anke felt a kind of joy that felt like joy written down, then read and then remembered all at once”  – A4, bister crayon and chalks on Source paper- €24,95

 

 

—> lees meer over Kierkegaard in de reeks ”of/of”

dageraad (4/5)


pictoraal verschuift het rode raam naar af
en  je voet gaat op de vloer verkleuren
van goud tot bleekte. vette aders spellen
blauwe hemel om tot hel van vuur en ijs.

trilharen in de geeuwstorm, de kijkende
bollen tollen in de gaten en je wenteltoren
waggelt nog vol onnavolgbaar vluchtende
draken die het evenwicht fataal verstoren:

welkom in de brakke bak van deze brave
morgen. in het laken ligt een plooi rond leegte
haar lichaam voor begeerte was een haven
en het ontbreken breekt verzwelgen open:

monsterlijk ontwaakt het dagelijks verdriet,
woorden, toekomst, daden zijn er verder niet.

(aug. 1994 – juli 2018)

dawn4.jpg
dv 2018 – “Asemische Lezing van dageraad 4”  – bister, crayon – A4 – €25

dageraad (3/5)


elke schaduw is op eender licht een lijn.
elk beeld gedachte afstand tot een kras
wijkend van de kras die beeld wil zijn,
geslepen spiegel van het zicht dat was.

de tijd wordt door elkaar gehaald op glas
de gruwel staat met leven oog in oog
het scherpste beeld blijft altijd scherf,
lijn die van de dood zijn teken erft.

jij scheerde maar, gunde jezelf geen blik
je woorden zaten klaar in zinnen jij en ik
in monden met lippen rood van rode wijn

een klad bloed zat in het spoelen plots, iets
van toen je vlinder was en en vrij en trots.
uit de snede welde op een brede rups van pijn.

 

(aug. 1994 – juli 2018)

 

dawn3
dv 2018 –  “asemische lezing van dageraad 3” – bister, crayon – A4 – €25