Tiriël (8/8)

En Mnetha haastte zich tot bij hen aan de poort van de lage tuin.

“Sta stil, of krijg van mijn boog de dood scherp gevleugeld in uw oog!”

Tiriël stond stil en sprak: “Welke zachte stem dreigt er met zulke harde zaken?
Breng mij bij Heer en Habbe, ik ben Tiriël koning van het Westen.”
En Mnetha bracht hen naar de tent van Heer, en Heer en Habbe
Kwamen buiten; toen Tiriël de enkels van de bejaarde Heer bevoelde
Zei hij: “Gij zwakkeling, mislukte vader van een bandeloos geslacht
Uw wetten, Heer, en Tiriëls wijsheid komen samen uit in een vloek.

Waarom één wet voor de leeuw en dezelfde voor de  lijdzame os?
En waarom is de mens hieronder gebonden aan zijn kruiperige vorm
Een worm van zestig winters die sluipt over schemerige grond?
Het kind komt uit de schoot; de vader staat al klaar om ‘t hoofd
te vormen wijl de moeder loos wat met haar hondje in de zetel speelt.

De boezem is koud van ‘t gebrek aan moedervoeding, en de melk
wordt van het wenemondje weggehouden; moeizaam en pijnlijk
Komen dan de kleine oogleden open en de wenkbrauwtjes:
De vader zwiept een zweep om ‘t lui gevoel te doen ontwaken
En stript de pasgeborene van alle zijn kinderfantasie
En laat het kind zijn stappen tellen wijl het rondstapt  in verdriet
Op het zand en dan wanneer de hommel groot genoeg is om te kruipen
Zijn er zwarte bessen die ‘t rond hem gans vergiftigen. Zo werd Tiriël
Gedwongen om deemoedig biddend en in afkeer de onsterfelijke geest
Te vernederen tot ik soepel werd als slang in ‘t paradijs en alles
Vrat: de bloemen en het fruit, de insecten,  de tjilpende vogels.
En nu mijn paradijs is gans vervallen en d’ akelige zandvallei
Geeft mijn dorstig hissen weer aan u als vloek, O Heer,
Mislukte vader van een bandeloos geslacht, mijn stem is henen.”

Hij zweeg, gestrekt aan Heer en Habbe’s voeten, vreselijk en dood.


originele tekst van Blake’s TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

“He ceast, outstretch’d at Har & Heva’s feet in awful death” – A5

Lees Tiriel. Death of a culture, een uitstekende interpretatie van Tiriël door L.H. Allen (uit The Australian Quarterly, Vol. 12, No. 2 (Jun., 1940), pp. 58-66)

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (7/8)

Luide jammerend leidde zij hem over bergen en schrikbarende dalen,
Tot zij ter eventij bij de grotten van Zazel kwamen.
Vanuit de grotten kwamen Zazel en zijn zonen aangelopen. Toen ze zagen
Dat hun tiran nu blind was, en hoe zijn dochter hem jammerend begeleidde,
Lachten ze spottend. Er wierpen er stenen en vuil toen ze passeerden.
Maar als dan Tiriel zich keerde en zijn vreselijke stem verhief,
Vluchten die weg; maar Zazel stond stil en zo begon hij:

“Kale tiran, gerimpeld, geslepen, hoor Zazels kettingen rammelen!
“Gij waart het die uw broeder Zazel ze aandeed! en waar zijn nu uw ogen?
“Roep maar, gij schone dochter van Tiriël! een zoet liederken zingt gij!
“Waar gaan jullie heen? kom, eet wat wortel, drink wat water.
“Uw kruin is kaal, ouwe; de zon zal uw hersens doen opdrogen,
“En ge zult zo simpel worden als uw simpele broer Zazel.”

De blinde aanhoorde dit, sloeg zich op de borst en ging bevend verder.
Ze gooiden hem vuil na tot het bos hen dekking gaf.
De jammerende maagd leidde haar vader waar wilde beesten waren
Met hoop op ‘t einde van haar lijden; maar van haar huilen gingen tijgers lopen.
De hele nacht dwaalden zij door ‘t bos, en toen de zon opkwam,
Kwamen ze bij de bergen van Heer: ‘s middags werden de vrolijke
Tenten opgeschrikt door de vreselijke kreten van Hela in de bergen.
Maar Heer en Habbe sliepen zorgeloos als babies aan een liefdesboezem.
Mnetha ontwaakte: ze liep uit de tent naar buiten en zag
De oude zwerver naar hun tenten komen; ze nam haar boog,
Koos haar pijlen uit en ging het angstwekkend paar dan tegemoet.

(vert. dv)

dv 2019 – “She, howling, led him over mountains & thro’ frighted vales” -A4

originele tekst van Blake’s TIRIEL: https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

Tiriël (6/8)

En Hela leidde haar vader door de stilte van de nacht,
Verdwaasd, stil, tot het ochtendgloren aan de lucht ontsproot.

“Nu, Hela, nu kan ik met plezier bij Heer en Habbe gaan verwijlen,
“Nu de vloek al die schuldige zonen schoon en weg zal vreten.
“Dit is de juiste, klare weg,; ik weet het door de klank die
“Onze voeten maken. Vergeet niet, Hela, dat ik jou redde van de dood;
“Dus wees gehoorzaam aan uw vader, want de vloek is van u opgeheven.
“Ik dwaalde vijf jaar lang met Myratana door de troosteloze rotsen
“En heel die tijd wachtten wij op vuur dat uit de hemel vallen zou
“Of golven uit de zee die u allen overspoelen zouden.
“Maar nu is mijn vrouw dood en is de tijd van genade geheel voorbij:
“Ge hebt de oudervloek gezien. Leid mij nu naar waar ik u bevolen heb.”

“O gij genoot der boze geesten, gij vervloekte zondaar!
“’t Is waar, ik ben als slaaf van u geboren! wie vroeg u mij te redden?
“‘t Was voor uzelf, gij wreedaard, omdat gij ogen nodig had.”

“Da’s waar, Hela, dit is de woestijn van al die wreedaards wel.
“Is Tiriël wreed? kijk! zijn dochter, zijn jongste dochter nog wel,
“Lacht om genegenheid, verheerlijkt rebellie en spot met Liefde.

“ik heb in twee dagen niet gegeten; breng mij naar Heer en Habbe’s tent,
“Of ik wikkel u in zo’n verschrikkelijke vadervloek
“Dat gij de wormen voelt door het merg van uw beenderen kruipen.
“ En ge zult mij leiden! Leid mij, ik beveel het u, naar Heer en Habbe!”

“O wreedaard! O verwoester! O verdelger! O wreker!
“Naar Heer en Habbe zal ik u leiden: dat zij u daar dan vervloeken!
“Dat zij u vervloeken zoals gij vervloekte! maar zij zijn niet zoals u!
“Oh! Zij zijn heilig en vergevend, vervuld van liefde en genade,
“Zij vergeten de vergrijpen van hun meest rebelse kroost
“Of gij had niet geleefd om uw hulpeloze kinderen te vervloeken.”

“Kijk naar mijn ogen, Hela, want gij hebt ogen om te zien,
Zie de tranen wellen uit versteende fonteinen: waarom ween ik?
“Waarom uit deze zwarte bollen zijt gij niet met pijlen gif doorboord?
“Lach, serpent, gij jongste giftige reptielentelg uit Tiriëls geslacht,
“Lach! wacht, uw vader Tiriël zal u ‘s reden geven om te lachen,
“Als gij mij niet dadelijk naar de tent van Heer brengt, vloekenkind!”

“Hou al gauw uw boze tong, gij moordenaar van hulpeloze kinderen!
“Ik breng u naar de tent van Heer; niet omdat ik uw vloek vrees,
“Maar omdat ik hun vloek voorvoel en dat zij uw beenderen
“Van pijn zullen doen schudden en in elke rimpel van uw gezicht
“Wormen des doods zaaien om te feesten op de vreselijkste vloek”

“Hela, mijn dochter, luister! gij zijt een dochter van Tiriël.
“Uw vader roept. Uw vader heft zijn handen hoog ten hemel,
“Want gij hebt gelachen om mijn tranen en uw vader vervloekt.
“Laat slangen uit uw sluike lokken rijzen en lachen in uw krullen!”

Hij zweeg; haar donker haar rees overeind en slangen omwikkelden
Haar waanzinnige gelaat: haar kreten ontstelden de ziel van Tiriël.

“Wat heb ik gedaan, Hela, mijn dochter? vreest ge nu de vloek,
“Of waartoe schreeuwt gij zo? Ha, ellendige! om uw oude vader te vervloeken!
“Breng mij naar Heer en Habbe, en de vloek van Tiriël
“Zal aflaten. Weigert ge, dan krijs maar in de desolate bergen!”

(vert.dv)

dv 2019 – “Let snakes rise from thy bedded locks & laugh among thy curls” – A5

originele tekst van Blake’s TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (5/8)

5.

En de oude Tiriël stond op en sprak: “Waar kan de donder slapen?
“Waar kan hij zijn schrikwekkend hoofd verbergen? en zijn snelle vurige
“Dochters, waar bergen zij hun vuurvleugels en de terreur van hun haar?
“Aarde, zo stamp ik in uw boezem! wek de aardschok uit zijn hol, dat hij
Ons zijn donker vlammengelaat doorheen de scheurende aarde toont,
“Om deze torens met zijn schouders om te stuiten! laat zijn honden
vurig uit de aardkern los, vlammen brakend, brullend in donk’re rook!
“Waar zijt gij Pest, die zich baadt in mist en staande waters?
“Verhef uw lome leden en laat van uw kleed het gemeenste vergif
“ Druipen wijl gij voortschrijdt gehuld in gele wolken!
“ Hier, hou zitting in dit grote hof, bezaai het maar met lijken
“En zet u lachend neer op de vervloekte zonen van Tiriël!
“Donder, vuur en pestilentie, hoort gij niet de vloek van Tiriël?”

Hij zweeg; verward de zwarte wolken rolden rond de hoge torens
En lieten door des vaders vloek hun zware stemmen los.
De aarde beefde; vuren braakten uit de gapende kloven;
En toen het beven stopte had een mist ‘t vervloekte land in zijn greep.

Het schreeuwen laaide hoog in Tiriëls paleis: de vijf dochters kwamen
grijpend naar zijn kleed aangelopen en weenden bitter van ellende.

“Ja, nu voelt gij wel de vloek en krijst! maar moge alle oren even doof
“Zijn als die van Tiriël  en alle ogen even blind voor uw ellende!
“Moge nooit nog sterren schijnen op uw daken en geen zon of maan
U nog bezoeken maar laat de mist voor altijd rond uw muren hangen!
“Hela, mijn jongste dochter, gij zult mij hier vandaan loodsen,
“En dat de vloek maar valt op de rest en hen tesaam verzwelgt!”
Hij zweeg, en Hela leidde haar vader weg van de kwalijke plek.
Ze vluchten in allerijl en heel de nacht weerklonk ‘t geweeklaag
Van Tiriëls zonen en dochters, aan het dichte duister vastgeklonken;

En Ziet! ‘s morgens lagen er wel honderd, afgrijselijk gestorven!
De vier dochters en alle kinderen in hun stille bedden, lagen
op de plaveien uitgestrekt en allen stil, geveld
door de pest – en wie nog restte dwaalde rond vol schuld en angst;
En alle kinderen in hun bedden stierven op die ene nacht hun dood.
Dertig zonen van Tiriël bleven er nog over om in ‘t paleis te rotten en
Troosteloos, Veracht, Stom, Verdwaasd te wachten op de zwarte dood.

dv 2019 – “Desolate, Loathed, Dumb, Astonish’d” – A3

over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (4/8)

Over lastige heuvels vervolgde de blinde zijn eenzame weg.
Voor hem was dag en nacht gelijk: troosteloos en donker;
Maar hij was nog niet ver of Ijim kwam uit het bos naar hem,
aan de rand van het bos op een donkere en verlaten weg.

“Wie zijt gij, oogloze miezer, die zo de leeuw zijn weg verspert?
“Ijim zal uw zwakke leden klieven, gij uitdager van Zwarte Ijim!
“Gij ziet er uit als Tiriël, maar ik ken u goed genoeg.
“Ga uit mijn weg, smerige duivel! is dit uw nieuwste truuk,
“Om zo hypocriet te zijn om blinde bedelaar te spelen?”

De blinde hoorde zijn broers stem en viel op zijn knieën.

“O broer Ijim, als ‘t uw stem is die mij aanspreekt.
“Wil Tiriël, uw broer, niet slaan, hoezeer hij ook aan’t leven lijdt.
Mijn zoons hebben mij alreeds geslagen, en als gij mij slaat
Zal de vloek die nu over hun hoofden rolt op u gaan rusten.
“Het is nu zeven jaar geleden, in mijn paleis, dat ik u laatst zag.”

“ Kom gij donk’re duivel, ik daag uw sluwheid uit! weet dat Ijim
“Het verfoeit u te slaan als hulpeloze ouderling en zonder ogen.
“Sta op, want ik heb u door en daag uw welsprekendheid uit.
“Kom, ik zal u leiden op de weg en u gebruiken voor mijn spot.”

“Ach, Broer Ijim, gij ziet voor u Tiriël, de ellendeling:
“Kus mij, mij broer, en laat mij dan verder zwerven alleen”.
“Niks van, geniepige duivel. Maar ‘k zal u leiden, wilt ge verder gaan?
“Maar zwijg maar of ik bind u met de groene algen van de beek:
“Ja!, nu gij ontmaskerd zijt, zal ik u  gebruiken als een slaaf.”

Nu Tiriël de woorden van Ijim hoorde, nam hij de moeite niet meer
Om te antwoorden: zinloos, zijn woorden waren als de stem van ‘t Lot.

En ze gingen verder samen, over de heuvelen, door bosrijke dalen,
Blind voor ‘t plezier van ‘t uitzicht en doof voor de kwetterende vogels;
Ze liepen heel de dag en heel de nacht onder de aangename Maan,
Westwaarts gingen ze, tot Tiriël moe werd van het reizen.
“Ik verlang zo naar wat rust, een slok water van de beek,
“Of ik ontdek hier zo dadelijk nog hoe sterfelijk ik ben,
“En gij zult uw geliefde Tiriël verliezen: eilaas, zo zwak ben ik!”

“Onbeschofte booswicht!” zei Ijim, “hou uw welbespraakte glibbermond!
“Tiriël is een koning en gij zijt de belager van Zwarte Ijim.
“Hier, drink wat van de beek en ik zal u op mijn schouders dragen.”

Hij dronk, en Ijim tilde hem op en droeg hem op zijn schouders:
Hij droeg hem heel de dag en kwam zo, toen de avond al haar
statige gordijnen schoof, aan bij ‘t paleis van Tiriël en daar riep hij:

“Heuxos, kom tevoorschijn! Ik heb de duivel hier gebracht die Ijim tart.
“Kijk! herkent gij iets van deze grijze baard, die blinde ogen?
Bij ‘t horen van Ijim’s stem kwamen Heuxos en Lotho tevoorschijn,
En ze zagen hun bejaarde vader op schouders gedragen.
Hun welbespraakte praat viel stil en zweet stond op hun trillende leden:
Zij wisten dat er met Ijim niet te strijden viel en stonden stil gebogen.

“Wel, Heuxos! roep uw vader, want ik wil vanavond met hem spotten.
“Hier is de hypocriet die soms schrikbarend brult als leeuw;
“Dan heb ik hem gekliefd en liet hem rotten in het woud
“Als vogelvoer; maar ‘k was daar amper weg of daar was hij
“Als een tijger nu, en dus doorkliefde ik hem ook;
“Toen wou hij mij als een rivier verdrinken in zijn golven;
“Maar al snel kon ik de vloed doorstaan: aanstonds was hij wolk
“Afgeladen met bliksemzwaarden, maar ook die wrake kwam ik door;
“Dan sloop hij als een slang om terwijl ik sliep mijn nek te wurgen
“Maar ik kneep zijn giftige ziel plat. Toen kwam hij als een pad
“Of als een salamander om in mijn oor te fluisteren
“Of hij  stond plots als een rots op mijn weg, of als een struik vergif.
“Uiteindelijk ving ik hem, vermomd als Tiriël, blind en oud,
“En zo zal ik hem houden! haal uw vader vlug, haal Myratana!”

Ze stonden te dralen, en aldus verhief Tiriël dan zijn zilveren stem:

“Slangen, geen zonen, wat staat gij daar te staan? haal Tiriël toch!
“Haal Myratana naar hier! en geniet volop van jullie spot
“Want arme blinde Tiriël is hier en zijn vaak belaagde hoofd
“Is klaar voor jullie bittere gehoon: komaan, gij zonen van de vloek!”

Ondertussen liepen ook de andere zonen van Tiriël rond hun vader,
Bedeesd voor Ijim’s vervaarlijke kracht: zij wisten dat noch speer noch schild
Van enig nut waren tegen hem als hij zijn machtige armen zou strekken,
En evenmin de ijzeren maliën; de pijl sprong van zijn lijf
Terug en op zijn naakte vlees brak zelfs het scherpste zwaard.

“Dus, het is waar, Heuxos, dat gij uw oude vader overgeleverd hebt
“Aan de nijd van winterwinden?” (zei Ijim), “is dat zo?”
“Gij oogloze duivel en gij huichelaars! Is dit nog Tiriël’s huis?
“Het is zo vals als Matha en zo duister als verlaten Orcus.
“Scheer u weg, gespuis! want Ijim zal met geen hand u slaan”

Met deze woorden draaide Ijim zich om, en zwijgend zocht hij
Weer de donk’re wouden op en zwierf de nacht door op troosteloze paden.

(vert.: dv)

dv2019 – “This is the hypocrite that sometimes roars a dreadful lion” – A4

over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (3/8)

Ze zaten samen te eten en Heer en Habbe glimlachten naar Tiriel.

“Gij zijt een zeer oude man, maar ik ben ouder dan gij.
“Waarom is uw hoofd zo kaal en waarom uw gezicht zo donker?

“Mijn haar is heel lang, mijn baard bedekt gans mijn borst.
“God zegene uw erbarmelijk gezicht, uw rimpels te tellen zou
Mnetha paf doen staan: gezegend zij uw gezicht! want gij zijt Tiriël.”

“Tiriël zag ik maar één keer: ik heb met hem gegeten toen;
“Hij was vrolijk als een prins en zeer onderhoudend met mij
“Maar lang bleef ik niet in zijn paleis want zwerven moet ik steeds.”

“Wat! gaat ge ons ook verlaten?” vroeg Habbe: “gij moogt ons niet verlaten
“ Want we hebben vele spelen te tonen en vele liederen te zingen,
“En na het eten gaan we naar de grot van Heer en daar
“Kunt ge helpen vogels vangen en van die rijpe kersen plukken
“Laat dan Tiriël uw naam zijn en verlaat ons nimmermeer.”

“Als gij weggaat toch, sprak Heer, “hoop ik dat ge moogt uw dwaasheid zien.
“Mijn zonen hebben mij verlaten, de uwe ook? O, hoe wreed dat was!

“Neen, eerbiedwaardige” zei Tiriël, vraag mij zulke dingen niet,
“Want ge doet mijn hart bloeden: mijn zonen waren niet zoals de uwe,
“Maar erger; O vraag niet verder meer, of ik moet weg van hier!”

“Gij moogt niet gaan” zei Habbe “ vooraleer ge onze zangvogels hebt gezien,
“ Heer hebt horen zingen in de grote kooi en geslapen hebt op onze dekens.
“Ga niet want gij gelijkt Tiriël zo fel dat ik uw hoofd bemin
“Al is het gerimpeld als aarde uitgedroogd door zomerhitte.”

Toen stond Tiriël op en sprak: “God zegene deze tenten!
“Mijn Reis is over rots en bergen, niet door genoeglijke dalen:
“Slapen noch rusten mag ik van waanzin en ontsteltenis.”

En Mnetha zei: “Ga toch niet  in ‘t duister zwerven weer alleen;
“Maar blijf bij ons en laat ons voor u als  ogen zijn;
“En ik zal u eten brengen, ouderling, tot de dood u roepen zal.”

Toen sprak Tiriël fronsend: “heb ik u niet gemaand met de woorden
‘Waanzin en onsteltenis beheersen ‘t hart der blinde,
“De zwerver die leunend op zijn staf naar de wouden trekt?’”
Mnetha deinsde trillend van zijn fronsen en leidde hem naar de deur.
Ze gaf hem zijn staf en zegende hem en hij vervolgde zijn weg.

Heer en Habbe bleven staan kijken tot hij ‘t woud betrad
En dan gingen ze  wenen bij Mnetha, maar dra vergaten zij hun tranen.




dv 2019 – ‘But Har & Heva stood & watch’d him till he enter’d the wood’

over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Tiriël (2/8)

2.

Hij dwaalde dag & nacht: voor hem was ‘t even donker dag of nacht.
De zon voelde hij, maar de klare maan was hem een nutteloze schijf:
Over bergen & door dalen van ellende dwaalde de oude blinde
man, tot hij die allen leidt, hem hier bracht, in de vallei van Heer.

En Heer en Habbe zaten daar, als twee kinderen onder de Eik.:
Mnetha, oud nu, diende hen & bracht hen kleding en voedsel;
Maar ze waren als de schaduw van Heer en als vergeten jaren.
Met bloemenspel en achter vogels jagen brachten ze de dag door,
En ‘s nachts sliepen ze als kinderen, blij met kinderdromen.

De blinde zwerver kwam nog maar de tuin van Heer binnen of ze stoven
wenend weg, als bange kinderen en verscholen zich in Mnetha’s armen.
De blinde ging verder op de tast en riep: “Vrede voor deze open deuren!
“Vrees niets, want arme blinde Tiriël doet enkel zichzelf kwaad;
“Zeg mij, O vrienden, waar ben ik nu en wat is deze aangename plek?”

“Dit is de vallei van Heer, sprak Mnetha, “& dit is de tent van Heer.
“Wie zijt gij, arme blinde, die de naam van Tiriël voor zich gebruikt?
“Tiriël is van gans het westen koning: wie zijt gij? Ik ben Mnetha,
“En zij hier, die beven als kinderen, dat zijn Heer en Habbe.”

“Ik weet dat Tiriël koning van het westen is,hij leeft daar in blijdschap.
“Het maakt niet wie ik ben; O Mnetha, als gij wat voedsel hebt,
“Gun mij wat, want blijven kan ik niet; mijn weg leidt ver van hier.”

Dan zei Har: “O moeder Mnetha, waag u niet zo dicht bij hem;
“Want hij is van hout dat rot de koning en van beenderen des doods;
“Hij zwerft rond zonder ogen & gaat de deuren door en dikke muren
“Gij zult aan mijn moeder Mnetha niet raken, gij ogenloze!”

“Ik ben zwerver en vraag te eten: zoals ge ziet kan ik niet huilen:
“Ziet: ik gooi mijn staf, mijn trouwe metgezel op reis, weg
“En kniel voor u zodat ge ziet dat ik niet gevaarlijk ben.”

Hij knielde neder, & Mnetha sprak: “Kom, Heer en Habbe, sta op!
“Het is een onschuldige oude man, & hongerig van zijn reizen.”
Toen stond Heer op en legde zijn hand op Tiriëls hoofd.

“God zegene uw arme kale kop! God zegene uw holle knipperogen!
“God zegene uw magere baard! God zegene uw zwaar gerimpeld voorhoofd!
“Ge hebt geen tanden gij oude, ik kus u dus u het gladde kale hoofd.
“Habbe, kom maar,  kus zijn kale hoofd, hij zal ons geen kwaad doen, Habbe.”

Toen kwam Habbe en ze nam de oude Tiriël in haar moeders armen.

“Gezegend zij uw arme ogen, oude & gezegend zij Tiriëls oude vader!
“Gij zijt de oude vader van mijnTiriël; ik herken u aan uw rimpels,
“En omdat gij geurt als een vijgenboom, gij ruikt naar rijpe vijgen.
“Hoe zijt g’ uw ogen kwijtgeraakt, gij Tiriël? gezegend zij uw rimpels!”

Mnetha zei: “ Kom binnen, bejaarde zwerver, zeg ons toch uw naam.
Wat zoudt ge u verbergen voor uw eigen vlees en bloed?”

“Ik ben niet van deze streken” deed Tiriël nu voor
“Ik ben een bejaarde zwerver, ooit vader van een geslacht
“Ver in ‘t noorden; maar zij waren verdorven allen en vernietigd nu,
“En ik, hun vader ben verbannen. Daar, ‘k heb het allemaal verteld nu
“Vraag niet verder, vraag ik, want het rouwen heeft mij blind gemaakt.”

“O God!” sprak Mnetha  ”ik daver nu! zijn er dan nog and’re volken,
“Meer menselijke wezens op de aarde buiten de zonen van Heer?”

“Geen ander” sprak Tiriël ”dan ik, verblijft nog hier op deze bol:
“En uitgestotene ben ik; hebt gij iets te drinken, misschien?”

Mnetha gaf hem fruit en melk dan & ze zaten samen daar.


2.

He wander’d day & night to him both day & night were dark 
The sun he felt but the bright moon was now a useless globe 
O’er mountains & thro’ vales of woe. the blind & aged man 
Wanderd till he that leadeth all. led him to the vales of Har.

And Har & Heva like two children sat beneath the Oak 
Mnetha now aged waited on them. & brought them food & clothing 
But they were as the shadow of Har. & as the years forgotten 
Playing with flowers. & running after birds they spent the day 
And in the night like infants slept delighted with infant dreams. 

Soon as the blind wanderer enter’d the pleasant gardens of Har 
They ran weeping like frighted infants for refuge in Mnethas arms 
The blind man felt his way & cried “peace to these open doors 
“Let no one fear for poor blind Tiriel hurts none but himself 
“Tell me O friends where am I now. & in what pleasant place?” 

“This is the valley of Har”, said Mnetha, “& this the tent of Har. 
“Who art thou, poor blind man. that takest the name of Tiriel on thee?” 
“Tiriel is king of all the west: who art thou? I am Mnetha, 
“And this is Har & Heva, trembling like infants by my side.” 

“I know Tiriel is king of the west & there he lives in joy. 
“No matter who I am; O Mnetha, if thou hast any food, 
“Give it me. for I cannot stay; my journey is far from hence.” 

Then Har said: “O my mother Mnetha, venture not so near him
“For he is the king of rotten wood & of the bones of death 
“He wanders. without eyes. & passes thro’ thick walls & doors. 
“Thou shalt not smite my mother Mnetha O thou eyeless man!”

“A wanderer. I beg for food. you see I cannot weep: 
I cast away my staff the kind companion of my travel, 
And I kneel down that you may see I am a harmless man.”

He kneeled down & Mnetha said: “Come, Har & Heva, rise! 
“He is an innocent old man & hungry with his travel.” 

Then Har arose & laid his hand upon old Tiriels head .

“God bless thy poor bald pate. God bless. thy hollow winking eyes 
“God bless thy shriveld beard. God. bless. thy many wrinkled forehead 
“Thou hast no teeth old man & thus I kiss thy sleek bald head 
“Heva come kiss his bald head for he will not hurt us Heva.”

Then Heva came & took old Tiriel in her mothers arms.

“Bless thy poor eyes old man. & bless the old father of Tiriel! 
“Thou art my Tiriels old father. I know thee thro thy wrinkles, 
“Because thou smellest. like the figtree. thou smellest like ripe figs. 
“How didst thou lose thy eyes old Tiriel. bless thy wrinkled face!”

Mnetha said come in aged wanderer tell us of thy name. 
“Why shouldest thou conceal thyself from those of thine own flesh?”

“I am not of this region. said Tiriel dissemblingly, 
“I am an aged wanderer once father of a race 
“Far in the north. but they were wicked & were all destroy’d, 
“And I their father sent an outcast. I have told you all 
Ask me no more I pray for grief hath seald my precious sight.”

“O Lord!” said Mnetha how I tremble! are there then more people, 
“More human creatures on this earth beside the sons of Har?”

“No more,” said Tiriel, “but I, remain on all this globe; 
“And I remain an outcast; hast thou any thing to drink?”

Then Mnetha gave him milk & fruits. & they sat down together.

dv 2019 – Soon as the blind wanderer enter’d the pleasant gardens of Har 
They ran weeping like frighted infants for refuge in Mnethas arms

[tekst van wikisource]
over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail